JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE VERHOUDING TUSSEN DE STUDENT EN DE GEMEENTE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VERHOUDING TUSSEN DE STUDENT EN DE GEMEENTE

9 minuten leestijd

In aansluiting op de voorgaande reakties van enkele studenten wil ik in dit artikel nog enkele opmerkingen maken over de verhouding tussen de student en de gemeente waarin hij is opgegroeid. Daarbij betrek ik dan tevens enkele door hen aan de orde gestelde vragen.

Het beschermde milieu wordt verlaten

Wij hebben als kinderen en opgroeiende jongeren het voorrecht genoten, te leven in een beschermde omgeving. Er zijn •— in het algemeen gesproken — drie beschermde kernen, waarin studerenden uit onze gemeenten zijn opgegroeid. Ik denk aan het gezin, waar aan de jongen „de eerste beginselen naar de eis zijns wegs" (Spreuken 22 : 6) dienen te worden geleerd, aan de school, die in (godsdienst)onderwijs en vorming voort dient te bouwen op het in het gezin gelegde fundament, en aan de gemeente, waar in prediking en catechisatie ook aan de jeugd aandacht wordt besteed.

Gaat nu een jongen of meisje studeren, dan betekent dat een grote verandering. De jarenlang bestaande beschermende kernen worden verlaten. Het ouderlijk huis wordt verlaten — hoewel steeds meer studerenden het spoor-of autostudentschap prefereren boven het „op kamers gaan".

De (meestal) reformatorische school wordt verlaten en men belandt in de allesbehalve reformatorische wereld van de universiteitsstad. Tenslotte: ook de thuisgemeente wordt in veel gevallen verlaten, althans in de week. De band met catechisatie en jeugdvereniging in de thuisgemeente wordt losser of verdwijnt. Het is onnodig te zeggen, dat hier kiemen liggen van een mogelijke vervreemding van de gemeente waarin men is opgegroeid, en dan niet alleen van de ménsen die tot die gemeente behoren, maar ook van het wézenlijke dat men van huis uit heeft meegekregen.

Andere spanningsvelden

Hierbij komt, dat er nog meer faktoren de Gereformeerde Gemeente waar hij is opgegroeid (en soms tot het gehéél van onze gemeenten!) onder spanning kunnen zetten. In de praktijk zien wij meermalen, dat studerende jongeren, afkomstig uit de kring van onze gemeenten, tijdens hun studietijd vroeg of laat breken met die gemeenten, om elders kerkelijk onderdak te zoeken of in een totaal nihilisme terecht te komen. Deze ontwikkeling vervult mij — en velen met mij — met grote zorg.

En dan komt die zorg echt niet in de eerste plaats voort uit het feit, dat deze gang van zaken ons als Gereformeerde Gemeenten „zieltjes" kost, maar uit de wetenschap, dat dit vervreemdingsproces dikwijls voor een eeuwigheid geschapen zielen kost. Het leek mij daarom goed, enkele van die faktoren, die een student van zijn gemeente kunnen doen vervreemden nog eens op een rij te zetten.

— In de eerste plaats denk ik aan de kritische distantie, aan het vermogen tot relativeren ook, die van de student gevraagd worden bij de serieuze beoefening van zijn vakwetenschap. Hem wordt geleerd, voortaan niets meer als vanzelfsprekend aan te nemen, maar alles te toetsen, kritisch te benaderen en alle waardeoordelen te relativeren. Het zal duidelijk zijn, dat sommige studies wat dit punt betreft „gevaarlijker" zijn dan anderen. Problemen kunnen zich hier vooral voordoen — dunkt mij — op het gebied van de theologie en de menswetenschappen. Het grootste gevaar dat de student hier echter bedreigt, ligt in de verzoeking, zich ook onder de prediking neer te zetten met dezelfde kritische instelling als waarmee hij in de kollegebank plaats neemt. Dan doet de prediking ons geen nut, omdat gemist wordt waartoe de Schrift opwekt: Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken" (Jakobus 1 : 21).

— Een ander, vooral jongerejaars studenten bedreigend gevaar zou ik willen aanduiden als de „arrogantie van

de kennis". Men raakt in het begin van een studie niet zelden geïmponeerd door de vakbekwaamheid van de hoogleraren, door het wijde, nooit tevoren verkende veld van wetenschap, dat open gaat. Plotseling lijkt veel van de vroeger opgedane kennis naïef en verouderd. Men denkt — zonder het te beseffen — de wijsheid nu in pacht te hebben. Bekend is het beeld van de eerstejaars student (twee maanden in Leiden!), die op de jeugdvereniging zijn pril verworven wetenschap als de hoogste wijsheid en het laatste woord verkondigt. Dit tot veler irritatie. Elke catecheet, zal wel een voorbeeld weten van een voorheen handelbare en trouwe catechisant, die na enkele maanden akademische studie plotseling verandert in een sarkastisc-h luisterende en veelvuldig interrumperende knaap, met wie geen land te bezeilen is. Niemand denke, dat ik nu overdrijf: deze dingen komen voor, en helaas niet incidenteel. —

Een andere faktor, die vervreemdend werken kan, is gelegen in de problemen die specifieke vakstudies met zich meebrengen. De ene studie zal meer problemen geven dan de andere. Maar wat kan de theologische student in de moeilijkheden geraken als hij met een schriftbeschouwing in aanraking komt, waarin men spreekt over het bronnenprobleem in de Pentateuch, over een Deutero-— en Tritojesaja! Wat kan de student natuurwetenschappen het zwaar te verduren krijgen in het aan zijn universiteit algemeen aanvaarde evolutionistische denken! Wat kan de student sociologie te verwerken krijgen als hij gekonfronteerd wordt met een zo geheel andere mensbeschouwing dan hij vanuit Schrift en belijdenis heeft opgedaan!

Een volgende faktor, die dikwijls veel spanningen oproept, is gelegen in de zo geheel andere levensstijl, die de student in de akademiestad bij zijn studiegenoten ontwaart. Alle van huisuit meegekregen normen betreffende kleding, vrijetijdsbesteding, drank, sexualiteit, zondagsheiliging, lektuur, kommunikatiemedia en duizend andere dingen meer zijn hier onbekend of worden bespot. Dit probleem beperkt zich niet tot de student: ook het meisje, dat de verpleging in gaat, of de jongen, die zijn dienstplicht moet vervullen, wordt ermee gekonfronteerd. Maar het laat zéker ook de student, en vooral degene, die een studie-adres op kamers heeft, niet onberoerd.

Tenslotte zou ik nog willen wijzen op het volgende, dat eveneens een vervreemding teweeg kan brengen tussen de student en zijn thuisgemeente. Er is in de universitaire wereld niet alleen het gevaar van het gesekulariseerde denken en van het wereldse leefpatroon, er is ook het

gevaar van een religieuze sfeer, die de onze niet is. Youth for Christ en Pinksterbeweging oefenen ook hier hun aantrekkingskracht uit. In sommige universiteitssteden bestaan' kringen, waar studenten intensief interkerkelijk kontakt hebben. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat sommige jonge mensen zich daar een „bekering" laten aanpraten, waar God niet van af weet. Plotseling gaan studenten dan in hun thuis gemeente aan de bediening van het Heilig Avondmaal, van wie tevoren nooit iemand vernam, dat zij God misten. Dit alles geeft spanningen en verwijdering. Niet zelden breekt zo'n jongen of meisje dan met de gemeente waarin hij is opgegroeid om vervolgens over te gaan naar een ander kerkverband, waar men meent „vrijer te kunnen ademen". Afnemend kerkelijk en historisch besef zijn hier ongetwijfeld mede debet aan.

Praktische wenken

Het bovenstaande, nogal sombere overzicht zou mogelijk de vraag kunnen doen rijzen: dan maar niet studeren? Sommige ouders ontraden inderdaad hun kinderen, die ongetwijfeld wèl de kapaciteiten hebben, maar nogal onvast in de schoenen schijnen te staan, elke akademische studie. Ik zou die kant niet op willen gaan. Kan iemand mij in deze tijd een ongevaarlijk beroep noemen? Bovendien hebben onze gemeenten dringende behoefte aan eigen akademisch geschoolde artsen, psychiaters, leraren, juristen, ekonomen, klassici enzovoorts! Het advies van ds. G. H. Kersten aan zovele jonge mensen („studeren, studeren!") zou ik ook in deze tijd nog hartelijk over willen nemen. Maar dan zou ik wel graag onze studerende jongeren een paar praktische wenken willen meegeven, mede in het licht van de boven gesignaleerde gevaren,

a. Sta naar gescheidenheid en wee's wars van alle wetenschappelijke arrogantie. Bedenk: at hebt ge, dat ge niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt? (1 Korinthe 4 : 7). Maak dat andere woord uit dezelfde zendbrief maar tot je studiedevies: o iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen (1 Korinthe 8 : 2). En vergeet niet, dat juist de beroemdste mannen van wetenschap het gebrekkige van hun kennen en kunnen en het betrekkelijke van hun werkhypotheses het meest beseffen.

b. Tracht je biddend neer te zetten onder de prediking in je gemeente. Misschien is die prediking eenvoudig. Misschien kent je dominee geen hebreeuws, grieks of latijn. Maar besef dat er een wetenschap der heiligen is, die de Heere voor wijzen en verstandigen verbergt en die Hij aan de kinderkens openbaart. Velen keren zich walgend af van de prediking in onze gemeenten zonder ooit één jota te hebben verstaan van de diepte en rijkdom van die prediking. Verdiep je persoonlijk in de nagelaten schatten van Reformatie en Nadere Reformatie.

c. Zoek in situaties, waarin je vakstudie je in konflikt brengt met hetgeen je van huisuit hebt meegekregen, kontakt met ouderejaars studenten of met afgestudeerden van je eigen vakgebied; met mensen, die je vertrouwen kunt, die persoonlijk door de vragen zijn „heengekropen" en die hebben verwerkt, zonder de Schrift prijs te geven.

d. Wees in kwesties van levensstijl konsekwent, óók in het „kleine". Herinner je Daniël, die aan ba bels hof in schijnbaar onbeduidende zaken als de spijswetten van de koning niet toegaf.

e. Zorg, dat je kerkelijk niet „tussen wal en schip" valt. Sluit je bij één gemeente echt aan, hetzij bij je thuisgemeente, hetzij bij de gemeente in de plaats waar je studeert. Blijf in ieder geval de catechisatie bezoeken, en zo mogelijk ook de jeugdvereniging. Krijg je weinig bezoek, ga dan niet zitten mokken dat „ze nooit naar je omkijken", maar zoek zelf eens kontakt. Ambtsdragers zijn vaak overbezet, en moeten soms op iemand attent gemaakt worden. Zoek in de gemeente, waar je mee meeleeft, vooral kontakt met Gods kinderen.

f. Bedenk, dat je in een wereld die in het boze ligt, en met een hart dat van God afgevallen is, alleen staande kunt blijven, als je iets mag kennen van het geheim van Daniëls le-• ven, die aan babels goddeloze hof slechts staande kon blijven „met open vensters tegen Jeruzalem aan". De Heere geve je dat leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1982

Daniel | 28 Pagina's

DE VERHOUDING TUSSEN DE STUDENT EN DE GEMEENTE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1982

Daniel | 28 Pagina's