JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE VLUCHT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VLUCHT

KORT VERHAAL

10 minuten leestijd

Het is erg koud. Harmen van de Btrg loopt met zijn handen diep weggestopt in de zakken van zijn jas. Hij is op weg naar de boerderij die aan het eind 1 van het bos staat. Hij loopt in gedachten. Het is nu al weer ruim vier jaar geleden dat de oorlog begon. Hij weet het nog goed. Tien jaar was hij toen op een stralende morgen in mei de lucht zwart zag van de vliegtuigen. Hij was wakker geworden van het geronk en toen hij naar buiten keek, zag hij overal mensen in de straat, die angstig naar boven keken. Vlug was hij zijn bed uitgegaan, naar buiten de straat op. Zijn ouders stonden er ook.

„Wat is dat, moeder? " had hij gevraagd en zijn kleine zusje had huilend zijn hand gepakt. Ze was bang van al die herrie.

„Jongen, het is oorlog", zuchtte vader. „Oorlog? En de duitsers zouden one land niet binnenvallen? "

„Vest op prinsen geen betrouwen", zei moeder, „dat zie je nu maar weer." Ze waren naar binnen gegaan en hadden de radio aangezet. Ja hoor, over de radio kwam ook het bericht dat de duitsers op laffe wijze ons land waren binnengekomen. Toen was vader voorgegaan in gebed.

Aan de eerste oorlogsdagen, waarop fel gevochten werd, kwam gelukkig spoedig een einde. Daarna waren de hollanders de knechten van de duitsers. Deze beloofden van alles, maar je kon ze nooit vertrouwen. Langzamerhand was men aan de situatie gewend geraakt. Soms werd' je opgeschrikt door nare berichten, zoals razzia's. Ook Harmen's vader was ondergedoken. Waar zijn vader was, wist hij ook niet. Dat wist moeder alleen. En 't was maar goed ook

dat vader weg was, want naast Harmen woonde de familie Hoekema. Harmen wist dat de Hoekema's niet te vertrouwen waren. Vroeger speelde hij vaak met Bert, hun oudste zoon. Die was een jaar ouder dan Harmen. Maar langzamerhand was die vriendschap minder geworden. Als Harmen wel eens uitviel dat het gemeen was dat de joden zo gesard werden, dan keek Bert hem spottend aan en zei: „Nou, vind je dat zo erg? M'n vader zegt dat ze toch nooit te vertrouwen zijn."

Harmen had er een keer met zijn vader over gepraat en toen had vader hem verteld dat de familie Hoekema sympathiseerde met de NSB-ers. En nu vader weg was, kon hij ook niet. verraden worden door de Hoekema's.

Al denkende was Harmen al een eind het hos ingelopen. Hij moet bij de boer eieren en spek gaan halen, want ze hebben thuis niets meer.

Opeens staat hij met een schok stil. Hoort hij wat? Hij kijkt eens om zich heen. Daar, in die bosjes achter de eerste rij bomen? Hij doet een paar stappen naar voren. Hij luistert weer scherp. Het lijkt wel of hij een zacht gekreun hoort. Voorzichtig loopt hij naar rechts. Daar hoorde hij het geluid. Hoor, daar is het weer. Nu weet hij het zeker. Een zacht geritsel en iets dat op gekreun lijkt. Behoedzaam buigt hij de takken opzij.

Het is al wat schemerig tussen de struiken. Met bonzend hart stapt hij tussen de struiken door. Wat zou het zijn? Dan, onder een laaghangende boom, ziet hij een man liggen. Hij schrikt. Het is een engelsman, dat ziet hij aan het vliegenierspak. De man kijkt Harmen angstig aan. Harmen ziet het. Zachtjes zegt hij geruststellend: „Stil maar, don't be afraid."

Hij kijkt om zich heen en knielt dan bij de man neer. Deze heeft het verschrikkelijk koud en geen wonder, hij ligt zomaar op de koude grond. Harmen vraagt wat er is en de man begrijpt het. Hij wijst naar zijn voet. Harmen ziet dat deze vreselijk dik is. Waarschijnlijk verzwikt. Maar wat moet hij doen? Hij kan de man niet laten liggen. Van het bos weggetje af zie je wel niets, maar het is veel te koud om hier te blijven. De jonge man kijkt Harmen smekend aan. • Harmen denkt dat hij maar een jaar of vijf ouder is dan hij zelf. De man richt' zich een beetje op en dan ziet Harmen, dat zijn mouw gescheurd is en daaromheen een grote ronde rode vlek van bloed zit. Dus hij is nog meer gewond. De engelsman wijst op zijn jaszak. Harmen begrijpt dat hij daar wat uit moet halen. Hij grabbelt in de zak en daar haalt hij een papiertje te voorschijn. Er staat op: „Bos".

„Moet u daar zijn? " vraagt hij in zijn beste engels.

„Ja", knikt de man.

„Ik zal hulp halen, want alleen kunt u daar niet naartoe", antwoordt Harmen weer.

De man begrijpt het en knikt opgelucht. „So long", zegt Harmen en staat, op. Voorzichtig kijkt hij naar alle kanten. Gelukkig, niemand te zien. Al gauw loopt hij weer op het bospad. Hij loopt flink door, want hij heeft al aardig wat tijd verspild.

Hé, wie loopt daar voor hem? I-Iet lijkt Bert Hoekema wel. Wat doet hij daar nu? Harmen heeft; het er niet zo op dat Bert ook in het bos is. Hij mag in geen geval wat weten over de engelse piloot. Hij denkt snel na wat hij moet doen. Bert volgen of bij hem-gaan lopen. Hij besluit tot het laatste.

„Hé, Bert! wacht eens", roept Harmen. Verrast kijkt Bert om.

„Hé, wat doe jij hier? " vraagt hij.

„Ik? " zegt Harmen, „Ik moet eten bij de boer halen en jij? "

„Ik ook", zegt Bert, „joh, dan gaan we samen."

Harmen vindt het geen prettig idee, want hoe moet hij nu de boer inlichten over de piloot? Dat de engelsman naar d.e boerderij moet, weet Harmen heel goed. De boer heet. namelijk Bos. Nu ja, hij zal zich nog maar geen zorgen maken en eens afwachten hoe het loopt.

Samen lopen de twee jongens vérder en na ongeveer tien minuten zijn ze bij de boerderij. De boer loopt net over het erf. Hij ziet de twee jongens aankomen en steekt zijn hand op, Hij kent ze wel, want ze komen vaker eten halen. Dat zal nu ook wel de bedoeling zijn. Nou vooruit, ze hebben nog genoeg, al wordt het wel uitkijken geblazen, met de vreemden die op de boerderij „logeren". „Ha jongens", begroet hij hen. „Komen jullie weer om eten? "

„Ja, boer Bos", antwoorden ze.

„Zeg maar wat het moet zijn."

Ze geven allebei door wat ze moeten hebben.

„Dat kan hoor", zegt boer Bos, ik zal het even gaan halen."

„Zal ik even meehelpen? "

„O, dat's best."

„Ik loop ook wel even mee", zegt Bert. Harmen zucht inwendig. „Mislukt", denkt hij, „je moet iets anders verzinnen, jongen."

Als ze hun boodschappen ontvangen hebben, vraagt de boer of ze nog een kop erwtensoep willen.

„Nou, dat slaan we niet af", lacht Ilarmen, „dat krijgen we thuis niet."

Meteen ziet hij weer een nieuwe kans om de boodschap door te geven. Hoe, dat weet hij nog niet.

De boer loopt door de stal naar het woongedeelte en de jongens lopen hem na.

„Vrouw, hier zijn twee koulijders, die best een kop erwtensoep lusten."

De boerin lacht. „Dat kan hoor. Gaan jullie hier maar zitten, ik zal de soep wel even warmen."

De jongens gaan aan tafel zitten en de boer ook.

„Zo schiet ik er niks mee op", denkt Harmen. Hij zit een beetje te draaien op zijn stoel. Ze praten een beetje over van alles en nog wat, maar het hele punt oorlog wordt niet aangeroerd. De boer heeft ook wel eens het een en ander over de familie Hoekema gehoord! „Kom, ik ga nog even bij de zieke koe kijken, vrouw", zegt de boer.

„Goed hoor."

„Dit moet mijn kans zijn", denkt Harmen. Hij zit nog steeds onrustig op zijn stoel. Hoe moet hij dit toch eens aanleggen?

„Wat zit je toch te wiebelen? " vraagl Bert. „Je zit geen moment stil."

Harmen krijgt een kleur. Ook de boerin kijkt hem aan.

„Ik m-moet naar de w.c." stottert hij.

Ze begint te lachen. „Nou jongen, dat kan je best vragen hoor, maar je moet wel aan het eind van de gang zijn, bij de stal", lacht de boerin.

, 't Kan niet mooier", denkent Harmen en hij loopt de kamer uit, de gang in. Aan het eind van de gang loopt hij vlug de staldeur door. Gelukkig, de boer is vlakbij bezig met een koe. Snel loopt hij op de boer af en vraagt zachtjes of er nog iemand in de stal is. De boer schudt zijn hoofd. Dan vertelt Harmen van de piloot in het bos, maar hij vertelt ook over Bert. De boer fluit zachtjes.

„Fijn dat ik het weet. Bedankt. Ga nu maar weer gauw naar de kamer. zullen die man vanavond halen." We

„Maar eerst ga ik naar de w.c.", lacht Harmen, „want daar ging ik de kamer voor uit."

Als hij weer in de kamer komt, staat Bert meteen op. „Nou, nou, dat duurde nogal", schampert hij.

Ze pakken hun spulletjes, bedanken voor de soep en vertrekken richting huis. Als ze dichtbij de plek komen waar de engelsman moet zijn, bonst Harmens hart zo hard, dat hij bijna bang is dat Bert het hoort. Stel je voor dat Bert de man ziet of hoort. Zelf luistert Harmen ook scherp. Hij hoort nog niets. Weet je wat, hij gaat hard praten, dan hoort de man zelf wel dat er gevaar is.

„Hé Bert", begint hij, „hebben jullie op school nog moeten helpen met koliekteren voor de Winterhulp? "

„O ja", zegt Bert, „maar er waren niet zoveel mensen die wat gaven, 'k Vind het maar dom: gedoe. Maar m'n vader zegt dat het erg nuttig is." „Dat zal wel", denkt Harmen, , , 't komt van de duitsers af, dus dan is het goed bij Hoekema." Maar dit zegt hij wijselijk niet.

Hij begint gauw weer iets te vertellen over school. Als ze maar een behoorlijk eind van de plek af zijn, dan kan het geen kwaad meer.

Opeens schrikt hij vreselijk. Hij hoort gedempt hoesten.

„Wat hoor ik nou? " vraagt Bert. , , 't Lijkt wel of er hier iemand is die hoest." Hij staat meteen stil en luistert.

Harmen luistert ook. Snel zegt hij: , , 'k Hoor niets, 't was zeker een kraai. Kom, ga mee verder, 'k heb het koud."

Terwijl hij dit zegt loopt hij alweer verder. Nu komt Bert ook maar. Hij kijkt nog wel een paar keer achterom, maar ziet niets meer. Inwendig trilt Harmen over al zijn leden. Dat was op het nippertje!

Daar is het einde van het bos al. Nu zijn ze niet ver meer van het dorp. 't Is hier nog kouder dan in het bos en ze stappen dan ook flink door.

Daar zijn de eerste huizen al. Als ze bij hun eigen huis zijn zegt Harmen: „Nu dag, tot ziens!"

Gauw gaat hij via de achterdeur naar binnen.

„Ha fijn, ben je daar? " zegt „Je bent lang weggebleven." moeder.

Hij vertelt dat hij Bei't tegenkwam en

dat ze soep kregen. Over de piloot zegt hij niets. Moeder is erg blij met het eten. Harmen gaat snel naar boven naar zijn kamertje. Als hij daar is, knielt hij neer voor zijn bed en hij dankt de Heere dat het vanmiddag nog goed afliep. Maar hij vraagt ook of de Heere met de engelsman wil zijn, die nu ook een onderduiker wordt, net als vader.

Dan staat hij op en gaat naar beneden. Moeder zal het eten wel bijna klaar hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1982

Daniel | 28 Pagina's

DE VLUCHT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1982

Daniel | 28 Pagina's