DANK U VOOR ALLES
ONS KERSTVERHAAL
„Gijsbert heeft gevraagd of ik met hem meega naar Zwitserland. Mag het? ”
Zijn jack nog aan, z'n roodwitte sjaal als een dikke doedel om z'n nek, ki]kt Jaap zijn moeder met schitterende ogen aan.
„Dag Jaap.”
„Eh, O dag ma, mag het? ”
Mevrouw Bakker schiet in de lach.
„Hang eerst je jack weg Jaap en zet 3e tas op z'n plaats en kom dan eens rustig zitten.”
Haastig mikt Jaap jack en spaal op de kapstok.
„Hij vroeg het in de pauze", begint hij, als hij de kamer weer binnenkomt. „Ze gaan vrijdag weg en komen zaterdag de week daarop terug. Ze hebben een chalet je ma, met drie slaapkamers en een badkamer.”
Als Jaap uitverteld is, knikt mevrouw Bakker ten teken dat ze het begrepen heeft.
„Eh, wat gaat dat kosten Jaap? ”
„Nou, de treinreis natuurlijk en wat zakgeld. Ik hoef geen kostgeld te betalen, dat zou Hans ook niet gedaan hebben. Gijsbert zei dat ik op zo'n driehonderd gulden moest rekenen.”
Opnieuw knikt mevrouw Bakker.
„Driehonderd gulden, je nieuwe fiets zal dan wel een paar maandjes langer in de winkel blijven staan, jongen. Dat was ook mijn voornaamste vraag niet, al begon ik ermee. Hoe gaat het 's zondags? ”
Jaap is hierop allang bedacht.
„Gijsbert zegt dat daar een Evangelische Kirche is en daar gaan ze 's zondags heen natuurlijk. Evangelisch da's net als bij ons", voegt hij er snel aan toe. „En dan Jaap? " vraagt moeder rustig, „de rest van de zondag? ”
Jaap schokschoudert. „Mevrouw Van Kampen zal u nog bellen, dan kunt u het zelf aan haar vragen.”
Mevrouw Bakker staat op. „We pi-aten er niet meer over. Ik wacht, tot ik Gijsberts moeder gesproken heb.”
Door de donkere nacht ijlt de Berglandexpress naar het zuiden. De meeste coupé's zijn niet meer verlicht, de passagiers slapen of liggen bij het licht van hun bedlampje wat te lezen.
Jaap kon de slaap niet direkt vatten, „Jaap, zul je net doen als thuis? Eerlijk voor je principes uitkomen? ”
Hij zag moeder weer staan, gebogen over de koffer op zijn bed.
„Ik heb echt een fijn gesprek met mevrouw Van Kampen gehad, Jaap. Ze begreep mijn bezwaren heel goed. Ze zei: Jaap kan de zondag daar precies zo doorbrengen als hij het thuis gewend is. Er is daar 's zondags ook tweemaal kerk. En al zijn wij het niet gewoon om twee keer te gaan, we laten hem niet alleen. Het is bijna een half uur lopen, we hebben die dag dan buitenlucht genoeg.”
„Ik hoop dat je veel mag genieten Jaap", had moeder gezegd. „Ik heb ook fijn vakantie. Opa en oma vinden het heerlijk dat ik zo lang bij hen kom. Zo, de koffer kan dicht.”
Het laatste wat Jaap in zijn gedachten nog ziet, was een vrolijk zwaaiende moeder op een bijna verlaten station.
Op de achterste bank in de volle dorpskerk zitten Jaap en Gijsbert vol belangstelling te kijken. Meneer en mevrouw Van Kampen hebben een plaatsje vlak vooraan. De kleine kerk stroomt vol.
Er zijn. veel wintersportgasten zo te zien. Jaap voelt zich .toch wat onwennig in deze omgeving. Het is zo anders als thuis. Maar als de Pfarrer de preekstoel beklimt en de dienst begint, is er toch iets vertrouwds. Hij kan het gebed niet in zijn geheel volgen, daarvoor kent hij te weinig duits, maar de ernst en de eerbied in de stem, van de jonge predikant geven hem een warm gevoel in zijn hart. Hier spreekt iemand in een andere taal tot God, dat kan. Het is voor de Heere geen beletsel. Jaap dwaalt af met zijn gedachten; hij schrikt als Gijsbert hem een duwtje geeft.
„Hij heeft al „amen" gezegd.”
Jaap krijgt een kleur, , , 'k Zat te suffen", fluistert hij terug. Meteen heeft hij spijt van dat antwoord. Gijsbert kijkt hem wat bevreemd aan, zo van: dat valt me tegen van jou. Om ziich een houding te geven, bladert hij wat in het gezangenboek, dat de koster gaf. De dienst verloopt net zoals thuis. Als de kerk uit gaat, staat de dominee bij de deur en geeft iedereen een hand. „Bis heute Abend", zegt hij vriendelijk.
Jaap geniet met volle teugen. Samen met Gijsbert, die verleden jaar al een paar lessen heeft gehad, is hij naar de skischool gegaan. Hij heeft de slag al gauw tè pakken. Vol trots „neemt" hij donderdagmorgen zonder leraar zijn eerste helling. In Gijsberts spoor glijdt hij naar beneden.
„Dat ging prima Jaap", prijst meneer Van Kampen die beneden staat te wachten. „Nog even en je suist de Jungfrau af", lacht hij.
De Jungfrau! Jaaps ogen gaan naar het machtige bergmassief, dat scherp afsteekt tegen de helblauwe lucht.
„’k Zal blij zijn als ik aan het eind van de vakantie Gijsbert een beetje kan bijhouden. Mooi hè? " vervolgt hij, naar de Jungfrau wijzend. Meneer Van Kampen knikt.
„Eerste Kerstdag gaan we erheen", belooft hij.
Weggedoken onder zijn warme dekbed ligt Jaap nog wat te soezen. Het is stil in huis, iedereen slaapt nog. Hij is eigenlijk te lui om op zijn horloge te kijken. Door de kieren van het luik, dat hij 's avonds zo ver Iaat zakken, dat de metalen repen bijna tegen elkaar komen, schemert de dag. 't Is vast al bij negenen. Eigenlijk geen wonder dat er nog niemand óp is. Ze zijn gisteravond zó laat naar bed gegaan. Wat een geweldige vakantie heeft hij toch. Als moeder al dat moois eens zou kunnen zien! Wat zou ze genieten. Hij heeft gisteren in een brief al zijn belevenissen geschreven. Die kan ze zaterdag wel hebben. Over de Jungfrau vertelt hij wel als ze weer thuis zijn. Vandaag gaan ze met z'n vieren met de skilift naar boven. Morgen gezellig het dorp in om inkopen te doen voor de Kerstdagen en dan Plotseling breekt het zweet Jaap uit. Kerstdagen! Eerst Kerstdag valt op zondag en dan gaan ze de Jungfrau op. Hoe, hoe moet dat nou?
„Smaakt het niet Jaap? " Mevrouw Van Kampen zet de theepot op het lichtje en pakt nog. een boterham van de schaal. „Ik lust er wel zes", zegt ze lachend. „Nou", beaamt Gijsbert met volle mond,
„ik wel tien.”
Jaap lacht mee, maar 't gaat niet van harte.
„Ik eh... ik zet met een probleem", begint hij aarzelend. „Vanmorgen lag ik nog zo lekker te soezen, u weet wel zo half wakker en toen schoot me ineens in de gedachten dat de eerste Kerstdag op zondag valt. En dan... dan gaan we de Jungfrau op, dat... dat mag toch niet op zondag."
Hij zucht van verlichting, 't Is eruit gelukkig. Drie paar ogen kijken hem niet begrijpend aan.
„’t Is toch eerste Kerstdag", zegt Gijsbert verwonderd, „da's heel wat anders." Meneer Van Kampen fronst even zijn wenkbrauwen. Wat is dat nou voor onzin, denkt hij geërgerd. Hij had het nog tegen zijn vrouw gezegd: „Zou je dat nou wel doen, die jongen is het heel anders gewend dan wij wat, de zondagen betreft. Ja voor Gijsbert is het leuk natuurlijk, maar ik voorzie toch moeilijkheden.”
„Laten we eerst afeten", zegt hij kortaf, „dan praten we straks wel verder.”
„Morgenrood, water in de sloot..”
Meneer Van Kampen wijst naar 't oosten, waar, boven de toppen van de bergen de lucht rossig tot oranjerood ziet. Wolkenflarden trekken langs de zon die boven de Berner Alpen oprijst. De lucht is vol windvanen en grauwgrijze strepen. Ze zijn op weg naar de kerk, meneer en mevrouw Van Kampen, Gijsbert en Jaap. Als1 ze het pleintje voor de kerk oplopen, gaat de zon voorgoed schuil achter een egaal grijs wolkendek. Met een stille blijdschap in zijn hart zit Jaap naar de binnenkomende kerkgangers te
kijken. Er waren nog. maar weinig mensen toen zij met z'n vieren binnenkwamen. Ze zijn ook zo vroeg van huis gegaan. „Toch naar de kerk", zingt het van binnen.
Vrijdag na het ontbijt heeft hij — in 't begin met kloppend hart — verteld waarom het verkeerd is om op zondag maar te doen waar je zin in hebt. De zondag is Gods dag, ook als het toevallig 'n eerste Kerstdag is. Eerst was Gijsberts vader een beetje kortaf geweest en had wat minder leuke opmerkingen gemaakt. Maar van lieverlee was dat anders geworden. Mevrouw Van Kampen had geluisterd en af en toe eens geknikt. Toen er een pijnlijke stilte dreigde, nam zij het woord.
„Ik vind het heel goed Jaap, dat je er direkt mee voor de dag kwam. Al denken wij over sommige dingen anders dan jij, je mag gerust voor je mening uitkomen. En dat heb je gedaan op zo'n manier dat ik respekt voor je heb. We kunnen trouwens tweede Kerstdag ook de Jungfrau op, vinden jullie niet? ”
„Mij best", had Gijsbert geantwoord. En meneer Van Kampen had zijn pijp uitgeklopt en z'n hand uitgestoken.
„Geef me de vijf Jaap. Eerste Kerstdag gaan we naar Pfarrer Reicher. En nu eerst koffie vrouw en dan de ski's onder.”
Als Jaap zich dit alles weer voor de geest, haalt, kan hij niet laten stilletjee zijn handen te vouwen. „Dank U, dat ik durfde. U hebt gezorgd dat het allemaal goed' kwam.”
„.....und Er ist der Christ.”
De stem van de dominee krijgt een indringende klank.
„Er allein kann retten und Er will auch retten. Und dat ist Weihnachten.”
Jaap luistert gespannen. Dat begrijpt hij heel goed. Even kijkt hij opzij naar Gijsbert. Maar die luistert kennelijk niet. Hij kijkt verlangend naar de kleine ruitjes waarlangs dikke sneeuwvlokken vallen in een dichte, duizelig-makende haast.
„Nur für Sündern", hoort Jaap de dominee zeggen. Ook dat begrijpt hij goed. „Alleen voor zondaren", betekent dat. „In een kribbe", gaat de Pfarrer verder, „zo laag staat die voederbak, dat een klein kind er bij kan.”
„Net als thuis", denkt hij, „toch net als thuis.”
Ze kunnen 's avonds niet naar de kerk. Er waait vanaf half één een komplete sneeuwstorm. De wind huilt om het chalet en smijt de sneeuw met hopen tegen de zij-en achterkant. Al na enkele uren is de achterdeur gebarrikadeerd en de ramen van de keuken en de grootste slaapkamer zijn geblindeerd door de opgewaaide sneeuw. Binnen is het gezellig, de houtblokken knappen en knetteren in de open haard. Mevrouw Van Kampen heeft een paar kaarsen aangestoken. Gijsbert is met zijn vader verdiept in een spelletje stratego en Jaap is bezig een puzzel te leggen van het evangelische kerkje met de bergen en bossen op de achtergrond. Hij zag de puzzel staan in de boekhandel tegenover de kerk.
„Die ga 'k halen", had hij enthousiast geroepen. „Ik plak 'em op en vraag aan opa of hij er een lijst voor maakt. Je kunt geen mooiere herinnering aan je vakantie hebben.”
Gijsbert was al even enthousiast geweest. „Ik zoek er één waar de Jungfrau opstaat!”
En samen waren ze naar binnen gegaan en hadden in hun mooiste duits hun wensen kenbaar gemaakt.
„Die Jungfrau haben wir nicht, aber Geduld. Nächste Woche, viellieeht am Donnerstag", had de verkoopster beloofd..
Jaap moet even de kleine maar gezellige kamer rondkijken. Mevrouw Van Kampen knikt hem toe.
„Ik kom je zo helpen, Jaap. Even koffie zetten.”
En buiten raast de storm, niet alleen rondom het chalet en over het dorpje met zijn witte kerkje. Hij jaagt ook langs, de skihellingen en fluit door de draden van de kabelbanen en skiliften. En boven op de Jungfrau zitten tientallen vakantiegangers gevangen in het grote hotel en wordt een onbekend aantal toeristen, dat een wandeling maakte op de top vermist. Het is levensgevaarlijk om terug te gaan op de ski's of met de kabelbaan.
De hele nacht heerst de storm oppermachtig. Meters hoog wordt de sneeuw opgejaagd, wegen worden onbegaanbaar, passen sneeuwen dicht. Het treinverkeer in de Berner Alpen en in vele andere streken is lamgelegd. Uit tal van plaatsen komen meldingen van ongelukken.
Zodra het licht wordt, proberen de chaletbewoners een paadje te maken van de voordeur naar de weg. In het berg-
hok staan schoppen en sneeuwschuivers. Vader, Gijsbert en Jaap werken als paarden. „Nooit geweten jongens dat sneeuw zo zwaar is", puft meneer Van Kampen, „maar we houden vol hoor.”
Na een uur schuiven, scheppen en vegen bezien ze hun gezwoeg. Gijsbert schiet ondanks hun geringe vordering in de lach: , , 't Sneeuwt weer even hard onder, we lijken wel niet lekker. Laten we maar fijn bij de haard gaan zitten." Zijn vader moet hem gelijk geven.
„Weet je wat we doen", stelt hij voor. „We proberen straks naar het dorp te lopen. Ik heb vier paar sneeuwschoenen zien liggen in het berghok. Ik weet niet of het gemakkelijker of vlugger loopt, maar 't is te proberen. Of zullen we de ski's nemen? ”
Jaap en Gijsbert willen graag de sneeuwschoenen proberen.
„Skiën kunnen we de hele middag nog", zegt Gijsbert, „ik wil best eens voelen hoe dat loopt.”
Van skiën komt die middag niets. De wind is weer aangewakkerd en het weerbericht voorspelt nog meer storm. Als de nieuwslezer het over de Jungfrau heeft, spitsen ze alle vier hun oren.
„Op de Jungfrau zijn tientallen vakantiegangers ingesneeuwd. Ze hebben de nacht doorgebracht in het hotel, dat door deze onverwachte toeloop van gasten overvol is. Naar men vermoedt is een twaalftal toeristen niet teruggekeerd van een wandeling in de omgeving. Ze zijn naar alle waarschijnlijkheid door de storm verrast geworden. Het zoeken naar hen word't zeer bemoeilijkt door de zware windstoten, gepaard gaande met hevige sneeuwval.”
Meneer Van Kampen draait de transistorradio uit. Hij kijkt zijn vrouw veelbetekenend aan.
„Wat zei hij precies, vader? " wil Gijsbert weten, Als zijn vader het vertelt, schrikken de beide jongens. De Jungfrau; meer dan tien mensen vermist!
Ze kijken onwillekeurig naar buiten. Daar jaagt de sneeuw langs de ramen, daar rukt de wind takken van de bomen en snijdt je de adem af.
„Als jij geen bezwaar had gehad Jaap, om op zondag uit te gaan, zouden wij nu niet hier zitten", zegt mevrouw Van Kampen zacht. „Wat gelukkig dat je je niet schaamde voor je overtuiging. Ik denk dat God hiermee wil laten zien dat Hij. jouw besluit goedkeurde jongen.”
Jaap zegt niets. Hij is erg geschrokken van het bericht. Twaalf mensen vermist. Hu, als je toch de nacht eens moet doorbrengen zo zonder beschutting, hoog in de bergen.
„Zouden ze nog leven? " vraagt hij.
„Er staan skihutten overal", antwoordt Gijsberts vader. „Het kan best zijn dat ze in één van die hutten een schuilplaats gevonden hebben. Maar wat jij daarnet zei vrouw, is waar. Ik moet dat van harte beamen. Dit mag je dacht ik geen toeval noemen. God wil het toch belonen als je — hoe noemde jij dat ook al weer Jaap? — o ja, als je Zijn dag niet ontheiligt. Dat valt niet te ontkennen.”
’t Blijft even stil na deze woorden, Gijsbert kijkt tersluiks naar zijn vriend. Hij voelt zich niet zo erg op zijn gemak. Vader en moeder spreken nooit over God en Zijn dienst. Nou ja, één keer per zondag naar de kerk, dat was zo de gewoonte. Maar verder niets. Hij schaamt zich een beetje. Wat was hij vrijdagmorgen uitgevallen tegen Jaap.
„Vrome broeder", had hij gescholden. „Je bent toch met óns uit, nou dan hou je je aan de regels, moet je niet met van die vrome smoesjes komen.”
Jaap had niet gereageerd op zijn uitval, maar die kwam wel hard aan, dat had hij goed1 gezien.
„Ik ben ook blij dat Jaap niet wilde", zegt hij en zijn stem klinkt; wat schor. „Als God dat zo bedoelt van de zondag, dan is het toch wel zinnig om twee keer naar de kerk te gaan. Zullen we een potje dammen, Jaap? " voegt hij er in één adem aan toe.
Met de armen onder zijn hoofd ligt Jaap in het donker te staren. Morgen gaan ze weer naar huis. Om vijf uur vertrekt de trein. Wat een fijne vakantie heeft hij gehad! Vooral de laatste week, hoewel het weer lang zo mooi niet was als in het begin. Op de avond van de tweede Kerstdag was de storm uitgewoed. Het waaide nog wel, maar dat was de moeite niet vergeleken bij wat het was geweest. De volgende dag kwam het zonnetje zelfs eens naar de witte wereld kijken. Wonderlijk hoe snel de wegen weer berijdbaar waren. Zelfs de vele wandelpaden rondom het dorp waren in de kortstmogelijke tijd sneeuwvrij gemaakt. De tocht naar de Jungfrau was onvergetelijk geweest. Wat gelukkig dat alle vermiste toeristen gevonden zijn. Drie moesten naar een ziekenhuis ver-
voerd worden met gebroken ledematen. Vandaag hebben ze de schoenen en de ski's weggebracht, 't Was een hele hap uit z'n financiën geweest. Ski's en schoenen huren kun je niet voor niets. Schoenen! Jaap schiet onwillekeurig in de lach als hij aan de tweede Kerstdag denkt. Die sneeuwschoenen, dat was een sof. Ze zijn al gauw zonder die dingen verder gegaan. Op de grote weg kon je goed lopen, die dingen waren eerder een last dan een gemak. Gijsbert heeft zijn „Jungfrau" te pakken. Tweeduizend stukjes en zo te zien veel moeilijker dan zijn kerkje. Wat fijn is het toch geworden na dat gesprek over de zondag.
Jaap trekt het dekbed wat verder over zich heen. 't Vriest zeker 12 graden en hoewel de verwarming op een laag pitje staat, is dat boven de dekens goed te merken.
Morgen naar huis, naar moeder. Wat heeft hij veel te vertellen! De skilessen, de Jungfrau, de storm-, maar 't voornaamste is toch dat hij zijn moeder eerlijk in de ogen kan zien.
„Zul je net doen als thuis, Jaap? Eerlijk voor je principe uitkomen? ”
Stil vouwt hij zijn handen: „Dank U, Heere voor deze fijne vakantie, voor alles.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981
Daniel | 28 Pagina's