WIE IS ZUSTER LIES?
KORT VERHAAL
Traag dwarrelden witte vlokjes en hechtten zich aan donkere, vuile ondergronden. Langzaamaan werd het dunne laagje dikker - en vormde een wollige wattendeken. Verborgen schoonheid. Want dat wonder gebeurde 's nachts toen de stad sliep. Weinigen bemerkten er iets van.
Tot die weinigen behoorde Jaap Saloeki. De voetlichtjes in het tweepersoons ziekenzaaltje brandden. Vaag waren de omtrekken van het ledikant, naast hem te onderscheiden. Het gordijn ter afscheiding was half dichtgetrokken. Uit het bed klonk een duidelijk hoorbare, regelmatige ademhaling. Voor buurman Hunze was de nacht maar een zucht. Binnen afzienbare tijd mocht hij naar huis. Jaap zou niet veel aan hem missen. Hunze had een uitgesproken antipathie voor „bruinen". En daar behoorde Jaap, een indische Nederlander, ook toe. De aanvallen van buurman Hunze werden nooit rechtstreeks aan Jaaps adres gericht, maar wel, goed hoorbaar, geuit aan de familie, zo in de geest van: die zwarten zijn nooit te vertrouwen. Jaap bleef er kalm onder, gedroeg zich vriendelijk en korrekt. Wel verlangde hij ernaar om naar een grotere zaal te mogen. Om met andere patiënten te kunnen praten, om kontakten te leggen. Zijn ziekte was echter van die aard, dat het een onvervulde wens bleef. Hij wist het, begreep ook dat het niet kón. De drukte zou hij niet kunnen verdragen. Hij voelde zich vaak zo intens moe. Hij kende perioden van neerslachtigheid, begreep veel uit bepaalde blikken en opmerkingen, maar meestal kreeg zijn optimistische aard1 snel de overhand. En terwijl de pijn in hem woedde, maakte hij grapjes met het verplegend personeel. „Ah zuster Lies, kijk nou niet zo somber, ja? Jullie lachen te weinig, toe lach es. Goed zo, ja.”
Zuster Lies. Op hetzelfde moment dat Jaap Saloeki voorzichtig het gordijn iets opzij trok en in het licht van een straatlantaarn de wondere, witte wereld ontdekte, keek ook zuster Lies naar buiten. Tjonge, sneeuw! Brr, wat zou dat een kliederboel worden. Even lachte ze. Haar kamergenootje Anne zou, als ze over enkele uren wakker werd, niet voor het raam vandaan te slaan zijn. Beste meid, Anne, moest alleen wat nuchterder zijn, wat meer met beide benen op de grond staan. Dat laatste deed Lies wél. Moest ook wel, anders kon je 't niet bolwerken in de verpleging. Aanpakken, je werk zo efficiënt mogelijk indelen. Vriendelijk zijn tegen de patiënten, maar wel afstand bewaren, nooit te persoonlijk worden. En omdat ze Anne kende, al vanaf de lagere school waren ze vriendinnen, had ze haar ook heel beslist afgeraden om in de verpleging; te gaan.
„Jij zou je alles veel te veel aantrekken. Je zou het nooit volhouden, omdat je dag en nacht met de zieken bezig zou zijn.”
Nog meer had ze gezegd, eerlijk, bijna cru. Anne had toegegeven: „Waarschijnlijk heb je gelijk", en zocht een baan in het administratieve vlak. Wel gingen ze samen op kamers wonen. Een zus van Anne woonde in de stad in een groot huis en had enkele flinke kamers ter beschikking. Dit alles tot grote vreugde van Lies. Anne had altijd een open oor als Lies stoom af wilde blazen. En dat afreageren had zelfs de nuchtere Lies nodig, al duurde het lang eer ze zo ver kwam.
Dat gebeurde enkele dagen later, toen ze samen in hun behaaglijk warme kamer zaten en natte sneeuw tegen de ramen kletterde. In enkele zinnen vertelde Lies over Jaap Saloeki. Korte, afgebeten zinnen, uitgesproken met een emotieloze stem, alleen de laatste zinnen waren geladen.
„Heeft nog hooguit twee maanden te leven. 20 is-ie. Veel pijn. Weinig bezoek. Toch altijd opgewekt. Praat, hoewel hij nog niets weet, over zijn sterven. — Als ik dood ga, krijg ik een mooie begrafenis, ja? Mooi pak aan. Iedereen heeft dan verdriet. Ook de buren. Bij jullie is dat niet zo. Jullie Hollanders leven niet écht. Als ik begraven word, kom jij dan ook zuster Lies, ja? —”
Lies zweeg, staarde voor zich uit. Nu doorpraten, alles vertellen. Over haar opstandigheid. Ze wilde niet, maar deze keer voelde ze zich wél persoonlijk bij een zieke betrokken.
Een wat aarzelende vraag van „Is hij Anne: gelovig? ”
Met een onverschillige stem kwam het antwoord: „Weet ik dat? Hij zal misschien wel de een of andere oosterse godsdienst aanhangen. Nou ja, 'k weet het niet. Interesseert me niet ook. Enfin, over twee dagen ben 'k vrij. Drie vrije dagen, waarvan twee Kerstdagen. Wil jij nog koffie? ”
Meteen sprong ze op. Anne zuchtte. Zo was Lies de laatste tijd. wel vaker. Als het gesprek een kant uitging die-ze niet wilde, klapte ze dicht. Omdat het te persoonlijk werd. Maar ze was er toch zelf over begonnen? Toch waagde Anne het nog één keer. Dat was toen ze voor het naar bed gaan een stukje uit een bijbels dagboek lazen, iets wat voor Lies „niet hoefde, maar ik schik me: wel naar de regels van het huis". Anne bladerde even, zocht, juist, dat was het. En met een wat verhoogde kleur las ze, speciaal de volgende woorden beklemtonend: Gij zult Mijn getuigen zijn. Een spottend lachje van Lies.
„Je hoefde dat boekje niet zo schuin omhoog te houden omdat je niet het stukje van vandaag gelezen hebt!" Annes kleur verdiepte zich, maar ze antwoordde niet. Lies geeuwde ongegeneerd.
„’t Is bedtijd, welterusten.”
Anne bleef nog zitten. Lies was de laatste tijd niet te peilen. Koud, onverschillig. Van de vroegere saamhorigheid, ondanks hun verschlilende karakters, was geen sprake meer.
De stad gonsde van de kerstdrukte. Muziek, lichtreklames, kerstbomen, drentelende en jachtende mensen. Ook in het ziekenhuis was het druk. Degenen die naar huis konden, werden ontslagen. Ook Jaaps buurman. Jaap vond het prima, maar toen buurman vertrokken was, werd het nog stiller om hem heen. Nóg meer tijd om te denken, om te piekeren. Bezoek van familieleden en vrienden de vorige avond, een erg luidruchtig bezoek, had hem mateloos vermoeid, maar zijn ogen hadden gestraald van vreugde over het samenzijn met zijn landgenoten. Hij prentte zichzelf in: —• Geniet ervan Jaap Saloeki, nu het nog. kan. Zo lang zal dat niet meer zijn. De dokter heeft je er immers op voorbereid dat je niet meer beter zult worden! Nou, en! Is dat dan zo erg? Welnee! Je vermoedde het, al zo lang. Maar och, je bent altijd een goede jongen geweest, het zal best goedkomen met je —. En Jaap lachte en genoot.
Toen hij echter alleen achter bleef, kwam de angst op hem af. Angst voor wat hem wachtte. En haarscherp kwam hem voor ogen het beeld van een middag in de stad toen hij aangetrokken werd door een luisterend groepje mensen. In hun midden stond een man: „Gelooft u in een leven na dit leven? Nee? Denkt u dat dood dood is? Dan bedriegt u zichzelf.”
Hij bleef staan, eerst wat onwillig, later geboeid.
„Zijn wij goede mensen? U, ik? In de Bijbel, het Woord van God, staat dat niemand goed, dat niemand „rechtvaardig" is, ook niet één. Om gerechtvaardigd te worden hebben we, een ieder persoonlijk, hartvernieuwende genade nodig.”
En nu maanden later, , hoorde hij nóg die woorden, steeds weer opnieuw en steeds duidelijker.
’s Middags een rusteloze slaap waaruit hij ontwaakte toen zuster Lies binnenkwam.
„Nog niet gewassen? Kom er even uit, dan trek ik je bed glad.”
— Kom er even uit —. Of dat zómaar ging! Die woorden zo luchtig gezegd. Moeizaam kwam hij overeind. Vooruit Jaap, doorzetten!
Lies stond met haar rug naar hem toe. Snel had ze zich omgedraaid toen ze hem, in enkele weken tijds sterk vermagerd voort zag schuifelen. En ook in haar rees diezelfde vraag: Hoe lang nog? Maar resoluut ging ze aan 't werk, trok met enkele routinegebaren het laken en de dekens strak. Schrok plotseling op toen er een vraag op haar afgevuurd werd, scherp, indringend: „Zuster Lies, geloof jij in een leven na dit leven? " Vanuit de spiegel keken twee donkere ogen haar aan toen ze zich omkeerde, ogen waarin ze nood onderkende.
„Ja”, antwoordde ze zonder aarzelen.
„En wanneer ben je een goed mens zuster Lies? ”
Een fraktie van een sekonde zweeg ze, toen zei ze: „Niemand is goed, ook niet één. Zo staat het in de Bijbel.”
Ze zag z'n ogen verrast oplichten, wist niet dat hij hetzelfde antwoord kreeg als enkele maanden geleden. Hij wilde weten, méér weten. Maar voor hij erop bedacht was, was zuster Lies verdwenen, gevlucht. Die dag zag hij haar niet meer. De volgende dag was ze steeds met een kollega, zodat er geen gelegenheid was om te praten over datgene wat hem zo bezighield.
Aan het eind van de middag stak Lies haar hoofd om het hoekje van de deur. Kwam wat aarzelende binnen. Bevreemd keeg Jaap naar haar. Dit was ze helemaal niets voor zuster Lies.
„Ik ga met vrije dagen. Morgen en met Kerst. Een antwoord op je vragen kan ik. je niet geven. Wie ben .ik? Maar misschien komt er"wel een uitlegger. Daag. Gezegende Kerstdagen." En weg was ze, een verblufte Jaap achterlatend met een klein pakje in zijn handen. Het bruine papiertje bleek een Bijbel te bevatten. Erin lagen twee papiertjes. Eén bij Lukas 2 en het andere bij Johann.es 3 met een klein streepje onder het 16e vers. En verwonderd las hij: —• Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe —. Daarna las hij het Kerstevangelie. En zo iemand hem gevraagd had: Verstaat gij ook hetgeen gij leest, hij zou geantwoord hebben: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?
Met veel lawaai bolderde Lies de trap op.
„Zo Annigje, hoe is 't met je? Koffie? Nee, dank je. 'k Ga linea recta naar huis. Kerstfeest vieren. Vrede op aarde. Nou saluut, 'k zal pa en ma de groeten van je doen. Dag hoor.”
Schort af, jas erover, weekendtas oppakken en Lies was verdwenen. En Anne? Die ging een verdieping lager, huilde uit bij haar zus.
„Ik begrijp het niet. Zo onverschillig was Lies toch nooit. Wat zij in de verpleging doet? Daar hoort ze helemaal niet thuis. Ze heeft helemaal geen hart voor haar werk.”
„Maar Anne!" klonk het vermanend.
„Ja, 'k meen het.”
„Ben jij beter? ”
Even in de war gebracht, zweeg Anne. Hoorde baby Jos huilen en vond dit een goed exkuus om een eind aan het gesprek te maken. De trap oplopend om haar neefje te halen, dacht ze nog even aan Lies. Lies die naar haar ouders was. Annes ouders zouden de Kerstdagen naar de stad komen. Fijn, het hele gezin kompleet. Maar er waren anderen die eenzaam waren. Die jongen bijvoorbeeld waar Lies van vertelde. Die jongen die binnenkort zou moeten sterven. Sterven en dan? Niet meer aan denken nu. Lies maakte daar toch ook geen probleem van? Lies, de ongeïnteresseerde.
Kerstavond. Een koude, scherpe noordooster vinnigde door de straten. Ouderling Van Rooy trok de kraag van zijn jas wat hoger op. Daar liep hij nu, na een anoniem telefoontje. De vraag of hij een zekere Jaap Saloeki op wilde boeken in 't ziekenhuis, 't was iemand in nood. Een korte uitleg. Op z'n vraag met wie hij sprak kwam er een stug: „Is dat belangrijk? Ik hoop niet dat dit een reden is om mijn verzoek niet in te willigen. Goedenavond meneer Van Rooy.”
Van Rooy ging, met gemengde gevoelens. Hij kwam bij een mens die wist te moeten sterven, maar die niet kón sterven. Die na wat aarzeling vrijuit sprak. En aan dat opstandige, zoekende mensenkind' mocht Van Rooy het evangelie brengen van vrije genade. Kerstfeest, de geboorte van de Heere. Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard. Wondere woorden. Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. En Jaap Saloeki luisterde, met zijn oren en met zijn hart.
En met de beide Kerstdagen had Jaap bezoek. Van jonge mensen van de jeugdvereniging. Daar had Van Rooy voor gezorgd. Ook Anne ging, ook al rezen er vragen hóé Jaaps naam bekend was bij de kerkeraad. Ze twijfelde, zou ? Haar laatste twijfel werd weggenomen toen Jaap vertelde van zuster Lies een Bijbel te hebben gekregen. En warm zei hij: „Zuster Lies is een schat, ja? ”
Anne boog beschaamd ha.ar hoofd. Zuster Lies was op haar plaats in het ziekenhuis en zij, Anne, was niet op haar plaats geweest door haar zo verkeerd te beoordelen. Anne knikte Jaap toe. „Ja", beaamde ze van harte, „zuster Lies is een schat.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981
Daniel | 28 Pagina's