JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE TAAL KUNnäNS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE TAAL KUNnäNS

EEN „GRAMMATICA” VAN ZEER BIJZONDERE AARD

11 minuten leestijd

Wat lees ik nu? Heeft dr. Koihlbrugge óók nog een Hebreeuws samengesteld? grammaticaboek

Zo zou iemand kunnen denken, wanneer hij titel en ondertitel van dit artikel leest. Om deze vraagsteller maar direkt te beantwoorden: een dergelijk boek heeft Kohlbrugge bij mijn weten nooit geschreven. Hij zou het ongetwijfeld wel gekund hebben, want hij was een uiterst bekwaam theoloog, die juist het Hebreeuws bijzonder goed beheerste. Wie echter iets meer van en over Kohlbrugge gelezen heeft, weet dat hij in de eerste en enige plaats pastor was, herder over de kudde, die in alles wat hij schreef de arme en verbrijzelde en de verslagene van geest wilde wijzen op het troostrijke Woord van God. Als hij dan ook een boekje als „De taal Kanaans" schrijft, dan is dat wel een „grammatica", maar één van bijzondere aard: het geeft inzicht in de manier waarop twee reizigers naar de eeuwigheid met elkaar in gesprek zijn.

Wie was Kohlbrugge?

Hermann Friedrich Kohlbrugge werd in 1803 te Amsterdam geboren als zoon van een zeepzieder. Zijn vader was orthodox-Luthers; zijn moeder behoorde tot de Hervormde Kerk. Kohlbrugge kreeg op 16-jarige leeftijd toestemming om theologie te gaan studeren aan het Amsterdams Atheneum, Als Luthers proponent kwam hij in moeilijkheden door zijn aanvallen op de rationalistische prediking van een Luthers predikant te Amsterdam, waarna zijn schorsing volgde. Het lidmaatschap van de Ned. Herv, Kerk werd hem geweigerd, omdat men daar geen lastige orthodoxe onruststokers gebruiken kon, zeker niet op de preekstoel.

Om enigszins tot rust te komen verbleef hij rond 1883 tijdelijk in het Wuppertal in Duitsland, waar de oude ds. Krummacher hem een aantal predikaties liet houden, Eén van deze preken is erg bekend geworden: e preek over Rom, 7 : 14, Hierdoor kwam hij echter ook in moeilijkheden, omdat men meende dat hij in deze preek zgn. antinomiaanse gevoelens koesterde. Na jaren lang gewacht te hebben op een plaats waar de Heere hem als herder en leraar kon gebruiken, werd hij tenslotte in 1847 tot predikant bevestigd van de Reformierte Niederländische Gemeinde te Elberfeld in Duitsland. Daar heeft hij tot zijn dood in 1875 met veel zegen mogen arbeiden. Het heeft hem grote voldoening gegeven dat hij, de grote gesmade, in later jaren enkele keren in Nederlandse Hervormde gemeenten op uitnodiging mocht voorgaan en zelfs in 1865 een beroep kreeg uit Zoutelande. Daarin zag hij de hand Gods, Die hem recht wilde geven in Nederland, al was het ook in het kleinste plaatsje aan de zee!

„De taal Kanaans”

Kohlbrugge heeft veel geschreven, al was er nauwelijks een „wetenschappelijk" geschrift onder. Het meeste van zijn schriftelijke nalatenschap bestaat uit preken (waar-

van de bekende twaalf twaalftallen een I indrukwekkend getuigenis afleggen) en schriftverklaringen.

Het boekje dat we nu willen bespreken is van andere aard. Kohlbrugge moet het omstreeks 1850 geschreven hebben, toen hij dus enige jaren predikant te Elberfeld was. Het werkje is tijdens het leven van de auteur nooit uitgegeven, maar altijd in portefeuille gebleven. Wanneer het voor het eerst uitgegeven werd, heb ik niet kunnen achterhalen. Een gelukkige omstandigheid is wel dat dit geschrift niet uit het Duits vertaald behoefde te worden, daar de schrijver het in het Nederlands heeft nagelaten.

De aanleiding tot het schrijven van dit boekje is een verzoek van enige vrienden geweest, om verklaringen te geven bij het bekende werk van John Bunyan: „Eens christens reize naar de eeuwigheid". Tot een eigenlijke verklaring van de „Christenreis" is het evenwel nooit gekomen; in plaats daarvan is het onderhavige werkje ontstaan. „De taal Kanaans" zouden we kunnen zien als een inlassing in Bunyans werk. Ik ga ervan uit dat je de „Christenreis" kent. Je weet dan, dat Christen en Getrouw eens in de stad der ij, delheden kwamen, waar zij onder de kermishoudende mensen grote opschudding verwekten door hun afwijkende kleding en hun andere taal. Zij spraken de taal Kanaans, die door de ij dele bewoners der stad niet kon worden verstaan.

Het is niet mijn bedoeling Bunyans werk met dat van Kohlbrugge uitvoerig te vergelijken. Wel moet erkend worden, dat Bunyans boek kwalitatief hoger staat en ook doordachter lijkt te zijn dan Kohlbrugges gesprek tussen twee reizigers. We moeten echter niet vergeten dat we in Kohlbrugges boekje te doen hebben met een niet persklaar gemaakte publikatie. Ongetwijfeld zouden sommige delen zorgvuldiger geredigeerd zijn als de Elberfelsdse theoloog er zelf de laatste hand aan had gelegd. De reiziger die „Recht-uit" heet omlijn resolute wijze van antwoorden, begint als man het gesprek, maar is op een gegeven ogenblik een vrouw wat uiteraard beter past bij de positie van de gelovige als bruid van Christus, terwijl aan het einde van het gesprek dezelfde figuur weer onmiskenbaar de trekken van een man heeft, die door zijn metgezel „Vraag-vrij" als bloeder wordt aangesproken. Zulke slordigheden hinderen wel bij het lezen, maar kunnen we Kohlbrugge zelf niet kwalijk nemen.

Toch is het, ondanks de onsystematische voortgang van het gesprek tussen „Vraag-vrij" en „Recht-uit", wel mogelijk om in hoofdlijnen de struktuur ervan aan te geven. Een onderverdeling in vieren lijkt mogelijk te zijn, waarbij dan in de eerste plaats op de christen in zijn wezen, doen en laten wordt gewezen; vervolgens wordt de weg met zijn bekommernissen uitvoerig verhaald; ook weet „Recht-uit" veel mee te delen over de wereld buiten de weg met haar ijdelheden; tenslotte hoort „Vraag-vrij" van zijn metgezel hoe het met de mensen die daar wonen gesteld is.

De inhoud van het boekje

Het „verhaal" zet in op een echt Kohlbruggiaanse wijze: „Voor eenigen tijd, toen ik mijn hoofdkussen liet zwemmen van mijne tranen, vanwege den bitteren nood mijner ziel, en ik om antwoord aanhield, er om aanhield dat de Heere een woord van vrede tot mijne ziel zoude spreken, was het mij eerst, alsof ik verstooten was; maar niet loslatende, was het mij weldra, als hoorde ik eene groote menigte van een vol koor zingen.”

Hij wordt dan vertroost door verschillende teksten uit Gods Woord, waarvan de laatste luidt: Te dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak van Kanaan." Daarover ging hij toen nadenken, waarbij het hem vóórkwam dat dit niet naar de letter kon genomen worden. Het is immers een spraak die zowel voor de Jood als voor de Egyptenaren iets vreemds en afstotelijks moet hebben." Daarom is het een wonder Gods als ze die toch zouden spreken en liefkrijgen, „zoodat het spreken van die spraak wel op hetzelfde uitkwam, als het leeren van dat lied dat niemand kan leeren dan hij, die van de wereld gekocht is" (zoals we in Openbaring 14 : 3 lezen).

De ik-figuur viel, terwijl hij deze dingen bedacht, in slaap. En dan is het alsof hij twee mensen ziet wandelen, de een in de nevel, de ander in het licht; de één vraagt, de ander antwoordt. Hij wordt geboeid omdat het gesprek in de taal Kanaans wordt gevoerd; en juist daarom kan hij zich er nog veel van herinneren.

„Vraag-vrij” en „Recht-uit”

Vraag-vrij vraagt dan hoe Recht-uit op deze weg gekomen is, hoe hij heet (antwoord: majesteitschender, godslasteraar, rebel, moordenaar, trouwbreker, eerrover!), hoe oud hij is, hoe zijn eerste vader heette en zijn eerste moeder.

Op de vraag of hij ook nog een andere vader heeft, antwoordt Recht-uit: „Ik durf niet. neen zeggen; als de nood hoog gaat, en het water aan de lippen komt, dan schreeuw ik: „Abba!" Ik zit dikwijls als een kind in een hoek te huilen; dan komt hij tot mij, drukt mij aan zijn hart en kust mij. Dan gevoel ik mij zoo gelukkig, dat ik het wel alle menschen zou willen vertellen, welken goeden Vader ik heb. Hij heet eeuwig Vader." Reciht-uit voelt zich tegenover zulk een goede Vader een slecht, ongehoorzaam, ondankbaar kind. „Evenwel, mijn Vader is Hij en blijft Hij.”

Op de vraag van Vraag-vrij of Recht-uit getrouwd is, antwoordt hij/zij dat zij op weg is naar haar Bruidegom. „Toen mijn Bruidegom vertrokken was, duurde het niet lang, of ik dacht dat alles inbeelding was, en dat heb ik sedert wel honderdmaal gedacht en werd dan zeer benauwd. Maar in zulke benauwdheden riep ik om Hem, en dat doe ik nog." Recht-uit denkt als bruid van Christus niet hoog van zichzelf: „Ik kom mij dikwijls als zulk een ongevoelige, wanstaltige vleeschklomp voor; ja, als een groot beest bij Hem.”

Als Vraag-vrij echter opmerkt dat hij eens een afbeelding van de Bruidegom gezien heeft, waaronder stond: „De allerverachtste en onwaardigste", dan antwoordt Recht-uit zo ontroerend eenvoudig: „O, dan hebt gij Hem met mijne zonden gezien; zóó is Hij mij het liefst. Zóó aanbid ik Hem. hier op den weg en zing van Hem..”

Als Vraag-vrij naar de kleding van Recht-uit vraagt, antwoordt ze dat één kleed haar niet meer van het lijf komt, en dat is de rok der gerechtigheid. De andere kleren legt .ze, zo moet ze tot; haar schande bekennen, nog wel eens af en dan doet ze haar oude weer aan. „Maar ik heb ze pas aan, of ik krijg hartkloppingen en dan klopt Hij tegelijk bij mij aan." Even later ontdekt de vrijmoedige Vraag-vrij een uniform onder de bestofte en bemodderde reismantel. Recht-uit legt daarop uit, dat de gordel Waarheid de gehele opdringende Leugenbende verschrikt en verblindt; het harnas Gerechtigheid zal al de listige aanrandingen kunnen voorkomen; het schild Geloof vangt de vuurpijlen op van een vreselijke reus, die niets anders doet dan honen en vloeken. Op de Helm der zaligheid breekt elk vijandelijk zwaard in stukken. Maar Recht-uit hoefde dan ook zelf niet te vechten: „Mijn Koning heeft alle slagen voor mij gewonnen." Toch is ze een enkele keer geheel onder de voet gelopen door de vijand. Hij brulde dan alle vloeken uit en zei dat de Koning toornig op haar was, dat ze Zijn Naam. niet meer mocht uitspreken. Maar op het ogenblik dat de vijand haar wilde verworgen, pakte ze een kleine priem die ze in haar gordel droeg, en die heet Nochtans!

„Daarmee steek ik hem steeds ter rechter tijd recht in zijn hart.”

Kohlbrugge en de heiligmaking

Het is gemakkelijk te begrijpen dat ook Kohlbrugges houding tegenover de heiligmaking ter sprake komt. De beschuldiging van antinomianisme, o.a. van zijn vroegere Reveilvrienden zoals Da Costa, heeft hem diep gegriefd. Als Vraag-vrij op een gegeven ogenblik vraagt, wat Recht-uits liefste bezigheid is, antwoordt ze: „In niets te doen." En ze legt verder uit, dat haar handen overal verkeerd voor staan. Haar koning zal alles voor haar doen als zij maar niet werkt en Hem het werk overlaat en Hem. op Zijn Woord vertrouwt dat Hij haar al Zijn werken toerekent als had zij ze zelf verricht! Haar bezigheid kan niets anders zijn dan de naam van haar Koning inroepen en uitroepen; vertellen wat Hij aan haar ziel gedaan heeft; en van Hem zingen en zeggen: Hij is mijn Koning, mijn God en mijn hoogste Goed. In een volgend gedeelte van het tweegesprek deelt Recht-uit mee hoe zij eenS op de verkeerde weg is terechtgekomen. Ze kwam toen in allerlei tuintjes terecht, waar de ene mens zei dat ze nog te weinig angst had en de ander opmerkte dat ze teveel angst vertoonde. Maar zij kon in die tuintjes de rust maar niet vinden, waarop allen boos werden! Bovendien werden daar magere mensen vet gemaakt; men mat er de mensen met de el, en die krom getrokken waren, trok men er met machines recht, zodat zij voor een ogenblik zeiden, dat zij de maat hadden. Trokken zij dan weer opnieuw krom, dan hadden ze toch de maat gehad. Mensen die voor hen te lang wa-

ren, leerden zij zich krom houden. Kortom, zij kon het daar onmogelijk uithouden! Ze is dan ook innerlijk verheugd als ze door middel van het touw Hoop daaruit kon ontsnappen.

Heel duidelijk blijkt uit een paissage als deze, dat Kohlbrugge niets moet hebben van alle „geestelijk" gemanoeuvreer om zich als „vrome" maar op de been te houden!

Tenslotte stelt Vraag-vrij een vraag tot zijn eigen troost: „Waaraan kan ik weten dat ik uit den dood in het leven ben overgegaan? " Dan antwoord Recht-uit: „Een doode leeft niet, een doode klaagt niet, vraagt niet en zoekt den Koning niet en zoekt niet bij Hem de toevlucht." Dat is weer zo'n kenmerkende opmerking van Kohlbrugge, zoals hij er zo talloos velen tot vertroosting en bestraffing gemaakt heeft.

Ik hoop dat de korte weergave van dit boekje doet smaken naar méér. Kohlbrugge wist zich met al zijn vrome vlees verkocht onder de zonde, maar vrijgekocht door zijn Koning. Hij is een getuige geweest die de waarheid Gods heeft verkondigd. Ik hoop dat je in het talrijke koor der Godsgezanten ook zijn stem mag opmerken. Dan gaat het niet om Kohlbrugge, maar wel om zijn grote Meester, Die ook jou en mij toeroept om ons te wenden tot Hem Wiens juk zacht en Wiens last licht is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1981

Daniel | 28 Pagina's

DE TAAL KUNnäNS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1981

Daniel | 28 Pagina's