VADERS BRIEF
Ons vervolgverhaal DEEL II
Op een prachtige avond komt vader iets vroeger dan gewoonlijk uit zijn schuilplaats. Samen met moeder gaat hij weer naar buiten voor een wandeling. Het is heel stil buiten; vader en moeder spreken niet.
Opeens zien ze vlakbij licht. Beiden schrikken. Er is brand! Bij een huis, een klein eindje van de weg gelegen, slaan er vlammen uit het dak. Het is bij de oude Ivona's.
„Hier moeten we helpen", zegt vader. Zo snel ze kunnen gaan beiden naar het brandende huis.
„Laat mij alleen gaan", zegt moeder nog. „Vader, je weet nooit.”
„Nee, ik help”, zegt vader kort.
O, gelukkig daar komen de twee oudjes al naar buiten.
„Wat fijn, daar zijn ze", zegt moeder. Maar dan schrikken vader en moeder erg. Direkt achter de beide oude mensen lopen kerels van groot formaat. Vader ziet direkt de petten.
„De geheime politie", bromt hij in zichzelf. En op hetzelfde moment wordt vader beetgepakt. Luidschreeuwend klinkt het: „Dit moet de brandstichter zijn." De politie neemt vader mee. Moeder blijft bij de oude mensen. Achter hen gloeit een brandend huis in de donkere nacht.
Vader wordt weggeleid naar een politiebureau; daar wordt hij direkt herkend.
„Geweldig", roept een agent. „Wat hebben jullie dit goed gedaan. Deze kerel werd al gezocht. We sluiten hem hier op achter slot en grendel en zullen de zaken voor een rechterlijk verhoor klaar maken.”
Vader krijgt een klein hok tot. zijn beschikking en ontvangt de komende dag wat water en brood als voeding.
Wat een thuiskomt voor moeder. De twee oude mensen neemt ze mee. Ze kunnen bij haar blijven wonen. De kinderen worden wakker gemaakt. Met groot verdriet vertelt moeder wat er gebeurd is. Daarna gaan ze allen weer naar hetzelfde plekje van de kamer. Ze knielen neer en komen met hun verdriet en vragen opnieuw bij de Heere.
De komende dagen zijn erg moeilijk voor het hele gezin. Elke .dag hopen ze iets van vader te horen, maar dit gebeurt niet.
De dagen worden weken en het gezin moet verder zonder hun vader. Ze weten niet eens waar hij is. Ze weten zelfs niet of hij nog leeft.
Het verblijf van vader op het politiebureau duurt voort. Werken mag hij niet, dagenlang zit hij stil. Soms kan hij denken, bidden, soms zegt hij delen van de Bijbel op die hij uit zijn hoofd leerde. Maar dan weer is hij moe, vreselijk moe en voelt zich alleen.
Eén ding vindt vader opmerkelijk. De agenten zijn in hun spreken tegen hem erg lelijk en ruw. Eén is er anders. Die zegt weinig tegen vader' maar spreekt eigenlijk met zijn ogen. Vader gelooft dat deze man erkennen wil dat er hier een onschuldige opgesloten zit.
Op een dag durft vader iets te doen waarover hij lang heeft nagedacht. „Zeg agent, wilt u iets voor me doen? Laat mijn vrouw en kinderen weten, dat ik hier zit in goede gezondheid en zorg dat ik' hier een Bijbel krijg!”
De agent geeft geen antwoord, maar loopt langzaam bij vader weg. Na enkele dagen verschijnt hij weer. Hij komt dit keer wat dichter bij vader met zijn eten. In één hand houdt hij een stuk brood. Hij geeft dit aan vader en kijkt hem met trouwe ogen aan. Dan ver-
trekt hij weer zonder iets te zeggen. Vader zegt nog: „Dank je wel.”
In het stuk brood vindt vader een pen en papier. En tot zijn vreugde ook nog een opgerold blaadje met stukjes tekst uit de Hebreeënbrief. Vader begint direkt te lezen: Gedenkt der gevangenen als gij medegevangen waart; gedenkt uwer voorgangeren die u het Woord Gods gesproken hebben, volgt hun geloof na. Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Jezus Christus is heden dezelfde. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Laat ons dan door Hem de tijd Gode opofferen een offerande des lofs. Onze Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk opdat gij Zijn wil moogt doen.
Vader knikt en vouwt een poosje zijn handen. Dan begint hij te schrijven aan moeder, Nikolaj en Lev. Vader schrijft zo klein als hij kan. Voor hij iets opschrijft denkt hij erg goed na. Het papiertje is niet groot en hij wil het z.o goed mogelijk benutten.
„Lieve moeder, Nikolaj en Lev. Ik leef nog, krijg te eten en ben gezond. Ik denk veel aan jullie en vergeet jullie niet één keer in mijn gebed. Ik weet dat jullie dat ook doen voor mij. Voor Gods troon mogen we elkaar ontmoeten.
Wat er gaat gebeuren weet ik niet. Wat God doet is goed. Jullie lieve man en vader.”
Het briefje is vol. Vader vouwt het zo klein als mogelijk op.
Na enkele dagen komt de agent weer bij hem. Vader haalt het papiertje te voorschijn uit een opening bij een van zijn losse schoenzolen. Daar heeft hij het verstopt.
De agent kijkt stil naar vader. Hij neemt het briefje zwijgend aan en loopt weer weg. Vader denkt na. Zou deze man een gelovige zijn of worden?
Na enkele dagen wordt het briefje van vader door moeder gevonden in de tuin. Wat een blijdschap, wanneer ze het leest en nog eens leest. Eerst kan ze het bijna niet geloven dat vader dit briefje zelf schreef. Maar ze weet, het. Het is zijn eigen handschrift.
Die avond laat leest moeder het nog eens voor ze naar bed gaat. Wanneer ze klaar is, bidt ze hardop: „Heere, help ons allen in wat er komen gaat en geef dat we U geen oneer aandoen in ons leven.”
Dit briefje is het enige en laatste wat moeder Kovaj en de kinderen van hun vader horen.....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1981
Daniel | 28 Pagina's