JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

WAT ZEGT DE BIJBEL OVER ARBEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT ZEGT DE BIJBEL OVER ARBEID

10 minuten leestijd

Vooral in onze tijd is het nodig om ons te bezinnen op wat Gods Woord over arbeid zegt. Veel andere meningen vinden alom ingang, zoals bijvoorbeeld de gedachte dat arbeid' gezien moet worden als een middel om de kapitalistische samenleving dn stand te houden. De hedendaagse kritiek op de arbeid raakt de hele struktuur van de samenleving. Verder is er een radikale heroriëntering inzake allerlei ethische en zedelijke normen. Van dit proces maakt het denken over arbeid een wezenlijk deel uit.

Arbeid, een goddelijke opdracht, voor en na de val

Op grond van de Bijbel mogen we zeggen dat arbeid opdracht aan de mens, als schepsel en beelddrager Gods, is: en. 1 : 26-28: n God zeide: aat Ons mensen maken naar Ons beeld, Onze gelijkenis en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen.

De mens moet de aarde bewerken en bewaren. In Gen. 2 : 15 lezen we: o nam de Heere God de mens en zette hem in de hof van Eden om dien te bouwen en dien te bewaren. We lezen ook dat na de val God de mens wegzond uit de hof van Eden om de aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. In beide teksten wordt hetzelfde woord gebruikt. Reeds vóór de zondeval kreeg de mens dus bevel om zijn krachten te gebruiken voor de opdracht die God hem gaf. De inspanning is geen gevolg van de zonde. Wel is er door de zonde verandering gekomen in de relatie mens en aarde.

De mens stuit op de weerstand van de schepping: de arbeid' is nu zwoegen geworden: in het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten. Maar de inspanning zelf is een scheppingsgegeven. Ze is niet met de zonde gekomen. Ze ziet op de ijver en de toewijding die de Heere van de mens vraagt. De arbeid moet dan ook een ordening van God genoemd worden, die de mens als een opdracht heeft te aanvaarden. Het is een door God gewilde levensfunktie van de mens, een ordening die samenhangt met het feit dat de mens beelddrager Gods is. Daarom is arbeid ook een zegen te noemen.

Arbeid als dienst aan God

De arbeid van de mens is niet los te maken van zijn verhouding tot God. Ook' hierin moet de mens God eren. Op dit punt is er een wezenlijk verschil met de visie van het marxisme op de arbeid-. Volgens Marx verwerkelijkt de mens zichzelf in zijn werk. Zijn werken is tegelijk zijn menswording. Daar ontbreekt dus de vertikale komponent: de relatie mens •— Schepper en daarmee onverbrekelijk verbonden: de relatie tot de medemens!

De mens ontvangt de opdracht tot arbeid uit Gods hand, : Die hem ook onderricht: En God gaf Salomo wijsheid en

zeer veel verstand en een wijd begrip dés harten. In Jesaja 28 : 26 lezen we: En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem: ant men dorst de wikken niet met de dorswagen en men laat het wagenrad niet over het komijn gaan Zulks komt ook van de Heere der heirscharen. Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.”

De Heere schenkt ook de vruchten van de arbeid: eut. 8: ls ge dan gegeten zult hebben en verzadigd zijt, zo zult ge de Heere uw God loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. Gods Woord handhaaft de roeping tot arbeid: x. 20 : 9; Ex. 23 : 12. Ledigheid en luiheid wordt veroordeeld: pr. 20 : 4; Spr. 21 : 25; Spr. 26 : 14.

Omdat arbeid opdracht is, heeft arbeid geen doel in zichzelf. De mens staat met zijn arbeid in dienst van God, zijn Schepper. Daarom is hij ook verantwoording schuldig. Het staat de mens niet vrij om al of niet te arbeiden. Als schepsel is het zijn roeping te arbeiden. Die opdracht kan ook afgeleid worden uit het gebod om op de zevende d.ag te rusten. De mens moet rusten op Gods tijd. Dat kan alleen als gebod worden voorgeschreven als .de mens ook op Gods tijd moet ai"beiden. Aan dat moeten wordt een grens gesteld. Dat is de tijd van rust die God de mens geeft.

Arbeid en rust

De afwisseling van arbeid en rust ligt opgesloten in het vierde gebod: gedenkt de sabbatdag, dat gij dien heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods, dan zult gij geen. werk doen enz. Het volk was bevrijd uit. de slavernij: de dwangarbeid van Egypte is voorbij. Na de arbeid van zes dagen mag Israël rusten, Maar ook de rust is gericht op God. Hij rustte na zes scheppingsdagen en verlustigde Zich in Zijn werk.

De nieuwtestamentische kerk mag arbeiden vanuit de rust die Christus verwierf. Zoals doop en avondmaal in de plaats van besnijdenis en pascha zijn gekomen, zo is de zondag in plaats van de sabbat gekomen. Alle drie zijn het nieuwtestamentische grootheden, die haar wortel hebben in het Oude Testament, doch de kenmerken van de vervulling door Christus in zich dragen. Vandaar ook de verandering van plaats in de week: van de zevende naar de eerste dag der week.

De mens mag dus geen slaaf van de arbeid worden. In het rusten neemt hij er afstand van. Deze afwisseling van arbeid en rust past bij het ritme dat we in Pred, 3 aantreffen: er is een tijd om te arbeiden en een tijd om te rusten, mogen we zeggen. Ook de rust is opdracht van de Heere, ordening van God. Dit bijbels: gegeven doet de christelijke arbeidsethiek wezenlijk verschillen van het marxisme. Immers als de rust samen met de arbeid scheppingsordening moet heten, kan de arbeid niet het één en het al zijn.

Arbeid als levensonderhoud

Dat God de mens schiep om Gods medearbeider te zijn in de schepping, om de schepping tot de staat der volkomenheid te brengen, neemt niet weg, dat er nog meer aspekten zijn aan de ordening van de arbeid. Eén van die aspekten is het verband tussen arbeid en het voorzien in eigen levensonderhoud. Aan de opdracht wordt toegevoegd dat de mens het recht krijgt van alle bomen in de hof te eten, behalve van de boom der kennis, des goeds en des kwaads. Er is dus een samenhang tussen de opdracht om de

hof te bewerken en te bewaren én het eten van de vruchten van de hof. In de weg van werken komt de mens aan zijn brood. Denk ook aan 2 Thess. 3 : 10: Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. Want wij horen sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende maar ij dele dingen doende. Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onze Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten." Als iemand niet kan werken door ziekte/gedwongen werkloosheid, is deze tekst niet van toepassing. Men kan deze tekst uiteraard ook niet aanvoeren tegen pensionering op een bepaalde leeftijd. De kosten van het levensonderhoud daarna worden immers verdiend en weggelegd' in de periode ervoor.

In het beroep kan de mens door God voor een raadsel worden gesteld, wanneer zijn verlangens noch zijn aanleg in de arbeid waarin hij werkzaam is, worden bevredigd. Naar het, oordeel van Calvijn moet dan de mens in zijn arbeid blijven totdat God hem nieuwe wegen opent. Hij wijst met betrekking tot die situatie op het lot van de Joden in Egypte, die tot de meest geestdodende arbeid werden gedwongen. „Laten wij gedenken", aldus Calvijn; dat zij die in eenvoudigheid doen wat God hun beveelt, nimmer verstoken zijn van Zijn hulp. Moge aldus in alle omstandigheden die ons kunnen te boven gaan, deze bede ons bemoedigen: „Heere geef ons de kracht te doen wat Gij beveelt, en beveel ons te doen wat Gij wilt.”

Arbeid als dienst aan de naaste

Onze arbeid is echter niet alleen dienst aan God maar ook aan de naaste. Er is geen arbeid waarbij we niet aan de naaste hebben te denken. Het leven is ondenkbaar zonder de arbeid die wij voor anderen en die anderen voor ons doen. We zullen dus altijd de naaste op het oog moeten hebben met onze arbeid. Er zijn beroepen waarbij de relatie tot de naaste heel direkt is: denk aan de verzorgende en dienstverlenende beroepen. Daarnaast zijn er beroepen die veel minder direkte relaties met de naaste hebben: de produkten zijn onpersoonlijk, ze kunnen het karakter dragen van een massa-produkt. Toch zal men ook bij zulke procedé's en produkten de naaste nooit uit het oog mogen verliezen.

De Heere vraagt niet alleen liefde voor Hem Zelf, maar ook voor de naaste. En wie dat is, leert de Heere Jezus Zelf in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Nu behoort het doel van onze arbeid de eer van God te zijn en het welzijn, het belang van onze naaste te dienen. Denk aan vraag 111 van de Heidelbergse Catechismus: Wat gebiedt u God in het achtste gebod (niet alleen: verboden te stelen): „dat ik mijns naasten nut waar ik kan en mag bevorder, met hem alzo handel, als ik wilde, dat men met mij handelde; daarenboven ook dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik de nooddruftige helpen moge." Ook daarin werkt de zegen van de arbeid door.

Uit het geciteerde gedeelte van Matth. 22, dat de hoofdsom van de wet bevat, blijkt dat het tweede gedeelte namelijk de liefde tot de naaste, van even centrale betekenis en met het eerste onafscheidelijk verbonden is. Er is wel een volgorde, maar geen rangorde! Dit is ook goed te begrijpen, de naaste is ook een schepsel Gods voor wie d.e Heere hetzelfde vraagt als voor Zichzelf namelijk liefde, al is het tot de Heere: boven alles! Onze relatie met de naaste is ook door God Zelf bepaald! We ontmoeten hier een driehoeksrelatie: God, de naaste en onszelf. Dat bepaalt ons bij het allesomvattende van Gods relatie tot ons.

Deze relatie omvat alle andere verhoudingen en verbanden in ons leven. De Heere heeft het over alles in ons leven te zeggen. En door het geloof, dat door de liefde werkt, wordt ook alles onder Zijn gezag, onder Zijn Woord en wet gesteld. Dan weten we dat Zijn zeggenschap en gezag over alles reikt: ook onze relatie tot onze medemens dn de arbeid is door de wet van God bepaald.

Dat heeft uiteraard konsekwenties. Het brengt een rechte harmonie tussen rechten en plichten.

De arbeid die we mogen verrichten, vraagt onze totale inzet. Nadat de handen zijn gevouwen, mogen en behoren ze aan te pakken. Het zal tot de jongste dag mogelijk zijn zinvol te kunnen werken, mits dit alles wordt verricht in afhankelijkheid van Hem, Die nooit een opdracht heeft gegeven, die met Zijn hulp en door Zijn kracht niet kan worden verricht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1981

Daniel | 28 Pagina's

WAT ZEGT DE BIJBEL OVER ARBEID

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1981

Daniel | 28 Pagina's