JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN BAAN VOOR RUUD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN BAAN VOOR RUUD

11 minuten leestijd

Half acht geweest. Ruud Westveer bemerkte het met schrik. Dom van hem om de tijd te vergeten. Hij klapte zijn boek dicht. De kamerdeur sloeg met een dreun achter hem dicht. Hij roetste de trap af. Langs vader heen, die hem met een gefronst voorhoofd dn de gang opwachtte, griste hij zijn jack van de kapstok.

„Kon dat niet zachter? Enne... waar is de reis naar toe? " klonk pa's stem. „Naar Bert", antwoordde Ruud stug, vaders eerste vraag negérend, , , 'k Had afgesproken om kwart voor acht bij hem te zijn. Zegt u even tegen ma dat ik weg ben? Nou, dag hoor.”

Tjonge, dat gezicht van pa! Wegwezen Ruud! Onzin toch eigenlijk om verantwoording af te moeten leggen waar je naar toe gaat. Zo lang je nog naar school gaat, nou ja, vooruit, maar Ruud Westveer is geen scholier meer. Heeft z'ri havodiploma op zak. Dat lijkt heel wat, maar wat heb je eraan, als je geen werk hebt. Zonder beroep, werkzoekende, dat klinkt altijd nog iets milder, iets positiever dan werkloze, hoewel het toch hetzelfde betekent. Hoewel, hetzelfde? Werkloos is hij, tevens werkzoekend? O ja, de eerste maanden wel. Toen was hij nog optimistisch gestemd. Als je je best maar deed, dan kon je heus wel aan een baan komen. De laatste tijd echter was hij er anders over gaan denken.

Fietsend naar het ouderlijk huis van zijn vriend Bert Rietveld, , waren zijn gedachten bij andere dingen dan bij het verkeer. En hoe dichter hij de plaats van bestemming naderde, des te langzamer wentelden z'n trappers. Hij zag als een berg tegen dat bezoekje op. Hoe lang was het al geleden dat hij Bert gesproken had? De jarenlange vriendschap met Bert was altijd fijn. De verwijdering dateerde pas van het laatste half jaar. Samen hadden ze plannen bemaakt. Bert zou gaan studeren. Ruud zou een baan zoeken. Bert had vastomlijnde plannen, dit in tegenstelling tot Ruud. Het enige wat Ruud wist, was dat hij een baan wilde waarin hij veel kontakt met mensen zou hebben.

En al vóór hij zijn eindexamen deed, waren de eerste sollicitatiebrieven de deur uitgegaan. De jongens beloofden elkaar, dat ze ook al zouden hun wegen nu niet meer zo parallel lopen als voorheen, toch kontakt met elkaar zouden blijven houden. De woordbreker werd Ruud. Bewust vermeed hij het om Berts ouderlijk huis te bezoeken. Toen moeder Westveer hem daarover een keer aansprak, zei hij: „Bert is bijna nooit thuis, hij heeft z'n studie, evenals ik."

En toen moeder niets antwoordde, maar hem blééf aankijken, werd hij kwaad en zei: „Een student en een werkloze, vind u dat een kombinatie? " en zonder moeder gelegenheid te geven op die vraag een antwoord te geven, was hij weggelopen. Hij wist dat hij ma verdriet deed door dit te zeggen. Hij wist ook dat moeder het met vader zou bespreken. En dan zou pa natuurlijk wel proberen eens een woordje met z'n zoon te wisselen. Nou, dat dat op een mislukking uit zou lopen, stond al van te voren vast. Vroeger „klikte" het altijd prima tussen hen. Tegenwoordig? Ze deden veel samen, maar leefden toch volkomen langs elkaar heen. Veel samen doen, ja, dat kón de laatste maanden. Sinds 1 augustus waren ze immers „kollega's”?

Vroeger, hoe lang was dat geleden? Nog niet zo erg lang. Langzaam, was de dreiging naderbijgeslopen. Datgene dat voorheen een ander bedrijf overkwam, werd toen realiteit voor hun eigen gezin. Ontslagen in het bedrijf waar vader werkte. Dreigende ontslagen voor nog tachtig werknemers, onder wie vader. Weken van angst, hoop, vrees, verwachting. Met Bert., voor wie hij nooit geheimen had, sprak hij er niet over. Dit was iets waar Bert volledig buiten

stond. Maar hoe had hij gebeden, de Heere gesmeekt om een wending ten goede, zodat vader zijn werk zou kunnen houden. Hoorde God niet? Per 1 augustus stond vader Westveer „op straat". Twee werklozen waren er nu in één gezin.

Tegenover de buitenwereld hield Ruud zich groot. „O, pa en ik vermaken ons wel. We timmeren samen een schuur, gaan samen naar 't arbeidsbureau, doen samen boodschappen en koken samen. Ma is er goed mee. Ze heeft nog nooit zoveel hulp gehad, 't Is bij ons thuis erg geëmancipeerd. Wij huismannen doen een gedeelte van de huishouding en ma gaat uit. Zieken-en bejaardenbezoek. Da's toch prachtig geregeld zo!" Zijn stem klonk opgewekt, maar als iemand in zijn hart had kunnen kijken, zou er iets anders te zien geweest zijn.

Van Goghlaan 35, hij was er. Nog vóór hij zijn fiets op slot gezet had, ging de deur open. Bert. Een spontane begroeting volgde en Ruud voelde spijt dat hij zich de laatste maanden zo teruggetrokken had. Bert was toch een fijne vent en Ruud was toch blij om eindelijk weer eens bij te kunnen praten.

Bijpraten, dat deden ze op Berts kamer. Ruud liet Bert maar vertellen, stelde vragen en ontnam Bert zodoende de gelegenheid om hém vragen te stellen. Toen mevrouw Rietveld riep voor de koffie, voelde Ruud even een lichte huivering door zich heen gaan. Meneer en mevrouw Rietveld, alstublieft géén vragen, zou hij ze toe willen roepen. Natuurlijk kwamen die vragen wel. Ruud antwoordde beleefd, •— Nee, nog steeds geen werk — Ja, we proberen wel natuurlijk — Voor m'n ouders is het wel moeilijk, maar ze klagen of mopperen nooit — Nee, ik krijg nog geen uitkering. Dat gaat pas in per 1 januari, als ik dan tenminste nog geen werk heb — Vervelen? Nee hoor. Ik ben aan een boekhoudkursus begonnen. — O, die tegenstrijdigheid. Die vlakke, beleefde stem en dat wilde, bonzende, opstandige hart. Hij zou willen roepen, schreeuwen: „Jullie dénken misschien dat je er iets van begrijpt, maar jullie begrijpen er niets van, helemaal niets, 't Is goed bedoeld, jullie leven mee, maar voor jullie is het theorie, voor ons praktijk. We vermijden het thuis om erover te spreken. Dat ligt niet aan m'n ouders, maar aan mij. Het komt door mij dat pa's goedbedoelde pogingen om een gesprek erover te beginnen, steeds spaak lopen. Jullie hebben er geen idee van hoe moeilijk het is. Te willen werken, maar niet. te kunen werken. Vader, uitgeschakeld. Wie neemt een man van 58 nog in dienst? Ik zelfs nog niet in dat arbeidsproces opgenomen. En zal dat ooit wel gebeuren? Arbeid is toch een zegen? Leven wij dan onder de vloek? Arbeid een zegen, alle arbeid?

De kamer van de familie Rietveld vervaagde en Ruud zag zichzelf weer staan tussen een groepje jongens uit de straat waarin hij woonde. Toen één van hen opmerkte best tevreden te zijn met z'n W.W.-uitkering en er zelfs nog een behoorlijk „zakcentje" bijverdiende, was Ruud fel van leer getrokken over het gebruik, het misbruik van de sociale voorzieningen. „Zoek liever werk." De jongen had gelachen. „Datzelfde kan ik tegen jou zeggen. Jij trekt nog niet, maar je loopt óók mee in het leger van werklozen. Jij hebt je havodiploma, maar je neemt toch ook alles niet aan? Wil jij aan de lopende band staan? Nou Ruudje, geef es antwoord!”

Wat was het toch moeilijk. Zóveel vragen. Hoe had hij gebeden dat, pa zijn werk mocht houden. Maar pa kwam in de W.W. Hoe kon dat toch! Hoe dat kon? Wel, daar waren logische verklaringen voor. Dat wist Ruud ook wel. Maar dat andere. Gods wil, Gods weg. Pa, die nooit klaagde, nooit mopperde. Die zijn werkloosheid aksepteerde met een bewonderenswaardige kalmte. Bewonderenswaardig? Ja, zo bezagen anderen het misschien. Pa, die zweeg na elke afwijzende brief of teleurstellend sollicitatiegesprek. Dat was een houding die Ruud niet begrijpen kon. Kende pa dan geen opstand, geen moedeloosheid? Was het een gelatenheid of was pa een heilige? Hij schrok ervan toen dat' woord in zijn gedachten kwam. Met zijn vader praten? Dat kón, dat durfde hij niet.

Met verwaaide haren stapte Evelien, Berts zus, de kamer in. Een verraste uitroep: „Hé Ruud, jij hier? Dat treft, 'k Liep juist aan je te denken.”

„Zeer vereerd", grinnikte Ruud. „En wat is de reden van die belangstelling in mijn persoon? ”

En wat Ruud toen hoorde, deed z'n oren suizen. Evelien ratelde: „Marloes Jansen gaat trouwen enne nu zoeken ze een nieuwe verkoopster. O nee, nou weet je natuurlijk nog niks. Nou, Marloes werkt bij boekhandel Verkaik en per 1 december, misschien twee weken

eerder, zodat Marloes nog in kan werken, kan de nieuwe kracht beginnen.”

„Ja sorry hoor, maar ik voel er weinig voor om me als verkoopster aan te melden", reageerde Ruud. Ze lachten, maar Evelien zei nuchter: „En waarom zou .die nieuwe kracht, persé een meisje moeten zijn? Heb je interesse? Probeer het. Nee heb je, ja kun je krijgen. Mij heb je als vaste klant, als m'n zakgeld het tenminste toelaat.”

„Wat dus betekent, dat je Evelien nooit in de winkel zult zien", antwoordde Bert droog.

Een telefoontje naar boekhandel Verkalk op een moment dat vader en moeder niet thuis waren. Het aanvankelijke enthousiasme was volledig weggeëbd. Het aan vader en moeder vertellen? Waarom hen weer in spanning laten zitten? 't Zou toch wel weer op niets uitlopen. Er werd geen verkoper, maar een verkoopster gevraagd. Dan maakte hij toch geen kans. Waarom zou hij er een telefoontje aan wagen? Niet bellen? Dat bespaarde hem ook de zoveelste teleurstelling. Toch draaiden z'n vingers langzaam' het nummer. Wat beduusd zat hij enkele minuten later voor zich uit te kijken. Over een kwartiertje een gesprek met de heer Verkaik. Die man sloeg spijkers met koppen. Ruud inspekteerde z'n kleding. Kon het er mee door? Nee, even iets „nets" aantrekken en een doek over z'n schoenen halen. Hij grinnikte zachtjes. Ma moest hem1 zo eens bezig zien!

Precies op tijd stapte hij de winkel in en een drie kwartier later stond hij weer buiten. Met van vreugde glazende ogen en een beetje de bibber in z'n benen. Baldadig schopte hij naar een bos opgehoopte bladeren. De herfstbodes zweefden de lucht in, meegenomen door de wind. Ja, vliegen jullie maar weg, ga het overal maar rondbazuinen dat Ruud. Westveer werk heeft. Verkoper bij boekhandel Verkaik. Het feit dat hij begonnen was aan een boekhoudkursus bleek een pluspuntje te zijn, daar hij ook een klein gedeelte van de administratie zou moeten verzorgen. Hij hoorde in gedachten moeders stem: „Toe, ga nu die kursus maar volgen, 't Is nooit weg." Onwillig had hij toegestemd. En nu Hij kneep zichzelf in de arm. Je droomt toch niet Ruud?

Dicht bij huis, aan de ingang van het park, zag hij hem lopen. Langzaam, wat gebogen.

„Pa!!", de jongensstem schalde door de najaarsmorgen. En hij vertelde, soms schoot z'n stem. even uit, een stem waarin de vreugde doorklonk. Maar tenslotte zweeg hij. Stelde toen z'n verwonderde vraag: „Waarom zegt u niets? Bent u er niet blij mee? ”

En plotseling zag hij de ogen van z'n vader. Ogen waarin hij iets las waar hij geen weg mee wist. Opstand, jaloersheid. Was dit zijn. vader? Die kalme man, tevreden met de plaats die God hem toeschikte? Ruud omklemde het stuur van zijn fiets steeds vaster. Vader! En opeens voelde hij zich volstromen met een warm gevoel, voor die ontredderde man daar voor hem, die vocht met zichzelf.

„Pa...", de schorre jongensstem, wat ruw om z'n ontroering niet te laten blijken, „kom, laten we even naar die bank lopen.”

Het was Ruud gebleken dat zijn vader geen „heilige" was, maar een mens, een zondig mens. En voor het eerst sinds maanden was er kontakt, een open gesprek. Ruud vertelde, van al de vragen, z'n opstandigheid, z'n moedeloosheid.

Maar ook vader Westveer vertelde. Over strijd, gebalde vuisten. Vaders woorden: „Jongen, ik gun je het zo van harte om werk te hebben. Maar m'n eerste reaktie was: Heere, waarom ik niet? Ik heb een gezin om. voor te zorgen. Ruud staat nog alleen. Zo is een mens Ruud. Het niet eens zijn m.et de weg die de Heere met je houdt. Gebalde vuisten, ontevredenheid.”

Ruud keek naar vaders verweerde handen. Gebalde vuisten? Nee, gevouwen handen. Strijd en overgave. Ruud wist dat vader met z'n zorgen en noden naar het juiste Adres ging, ook als de strijd weer oplaaide.

En aan de vreugde over z'n baan werd nog iets toegevoegd: verwondering. Het weten, ik heb het niet verdiénd. En wéér was er een vraag: waarom vader niet en ik wel?

Vader Westveer stond op.

„Kom Ruud, we gaan naar huis. Moeder zal ook dankbaar en blij zijn als ze hoort dat haar jongen werk heeft."

Vader zei: óók. En Ruud keek naar dat rustige gezicht, naar de ogen die blijdschap uitstraalden.

En zo liepen daar op die zonnige najaarsmorgen vader en zoon, op weg naar huis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1981

Daniel | 28 Pagina's

EEN BAAN VOOR RUUD

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1981

Daniel | 28 Pagina's