IS GODS WOORD DUBBELZINNIG?
Misschien, is het wel eens een ontgoocheling voor je geweest, dat er onder bijbelgetrouwe Christenen zoveel verdeeldheid heerst. Dat zij, die Gods Woord bekritiseren (het moderne Christendom van onze tijd), of die er een gezagsinstantie naast gekreëerd hebben (Rome, de Mormonen e.a.) andere wegen gaan dan wij, is verdietig, maar ook begrijpelijk. Maar, dat zij, die samen willen vasthouden aan de Bijbel als het enige Woord van God, die-samen voor fundamentalisten gescholden worden en deze scheldnaam als erenaam aksepteren, dat zij onderling zo verdeeld zijn, waar komt dat toch door? Geeft de Bijbel hier aanleiding toe? Of ligt de oorzaak hiervan bij de mensen? Om de oorzaak van de kwaal van deze verdeeldheid op te sporen, moeten we proberen deze vragen te beantwoorden.
Woord van God of woord van mensen ?
Ja, zeg je misschien, deze vraag is voor ons afgedaan. Natuurlijk Gods Woord! Toch is het voortdurend nodig de draagwijdte van deze belijdenis op je in te laten werken. Want wat van God is, is volmaakt! En dat in de vorm, zoals de Heere het gegeven heeft. En waar mensen ermee gaan werken dreigt het mis te gaan; bij het overleveren, bij het vertalen, bij het onderzoeken en verklaren. Ook hierbij kan het alleen goed gaan bij Goddelijk licht, onder Goddelijke leiding! Onze Geloofsbelijdenis zegt in art. VII van de „Heilige Schrifturen": „zo blijkt daaruit wel, dat de leer daarvan zeer volmaakt en in alle manieren volkomen lis." Wel is er sprake van een. menselijke faktor: wij belijden een organische inspiratie. De mens was meer dan een dood instrument. Hij mocht in zijn eigen taal en kuituur de boodschap van de Schepper van hemel en aarde verwoorden. Maar dit. belijden mag aan het goddelijke karakter van de Heilige Schrift niet tekort doen! Sommigen maken in onze tijd van dit gegeven misbruik om er een invalspoort voor de schriftkritiek van te maken. Men spreekt dan van een gebrekkig kennen van de bijbelschrijvers en ze worden tenslotte als getuigen op één lijn gezet met de getuigen van onze tijd. Wie zo redeneert legt zeker de nadruk op het organische, maar hij zet een streep door de inspiratie (spiritus — Geest). Wij geloven, dat de Heilige Geest de bijbelschrijvers heeft geleid, hun verstand heeft verlicht en hun voor dwalingen heeft bewaard. „Wij belijden dat dit Woord Gods niet is gezonden, noch voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, heb-
ben het gesproken" (N.G.B. Art. III en 2 Petr. 1 : 21).
Wel kunnen wij in Gods Woord onderscheid maken tussen gedeelten met historisch gezag — geschiedenissen, waarin ook de taal van goddelozen wordt weergegeven •— en gedeelten met normatief gezag — waar het gaat om de klare openbaring van Gods wil. In gedeelten met historisch gezag komen wij woorden tegen, die als zodanig niet uit hun verband gerukt het „Woord van God" mogen heten! Farao zegt: ie is de Heere, dat ik Hem gehoorzamen zou. En van de Heere Jezus zei men wel, dat Hij een „vraat en wijnzuiper" was. David gebruikt bij Achis dubbelzinnige taal (1 Sam. 27) en de woorden van Kajafas worden door Johannes (11 : 50 en 51) dubbelzinnig uitgelegd. Maar dat betekent niet, dat de bedoeling, die de Heilige Geest, met deze schriftgegevens heeft, voor tweeërlei uitleg vatbaar is! Als Gods Woord volmaakt is, dan is de zin van dat Woord ook eenduidig en niet voor tweeërlei (tegenstrijdige) uitleg vatbaar.
„De wet des Heeren is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des Heeren is gewis, de slechten wijsheid gevende; de bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen" (Ps. 19 : 8 en 9).
Moeilijkheden bij het vertalen
Wie wel eens vertalingen gemaakt heeft, weet, dat het vaak moeite kost om voor een buitenlands woord een goed nederlands woord te vinden dat de betekenis van het vreemde woord helemaal dekt. Dikwijls lukt dat niet, omdat ieder woord zijn eigen (gegroeide) betekenisveld heeft. Hoe verder kuituren uit elkaar liggen, hoe moeilijker vertaalwerk is. Met deze moeilijkheden hebben onze bijbelvertalers geworsteld. Ze wilden de geïnspireerde grondtekst nauwkeurig weergeven en hoe dat te doen als de woorden elkaar niet dekken? Ze hebben daarvoor een oplossing gevonden in „kanttekeningen" bij hun vertaling, met zo nodig uitvoerige omschrijvingen van de betekenis van het grondwoord. Deze kanttekeningen zijn daarom van groot belang, en het is jammer, dat ze ulit de gangbare Bijbels zijn verdwenen. Bij nauwgezet bijbelonderzoek heeft men behoefte aan de geïnspireerde tekst en dus ook aan de kanttekeningen of aan de grondtekst. Nu zitten aan vertaalwerk meer haken en ogen, die het. vaststellen van een juiste vertaling bemoeilijken. Onze statenvertalers kwamen hieraan tegemoet door dikwijls in de kanttekeningen ook alternatieve vertalingen te vermelden. Als bijvoorbeeld in 1 Sam. 21 : 9 staat, dat het zwaard van Goliath achter de efod was, rijst de vraag wat we daarbij moeten denken. In de grondtekst staat het woord „achter" (of „na") en „efod". Men zou kunnen vertalen: adat hij de efod aangedaan had", maar dan houdt men zich niet zo strak aan de letterlijke grondtekst. Onze statenvertalers vertaalden letterlijk, maar geven de tweede mogelijkheid nu in de kanttekeningen. Zo handelden ze duizenden malen!
We mogen nu niet zeggen, dat de grondtaal verschillende betekenissen heeft, maar onze vermogens om de rechte zin te verstaan zijn zo gebrekkig, dat we biddend moeten zoeken naar een recht verstaan van de zin en mening van de schrijver, ja van de Heilige Geest, die de schrijver dreef en inspireerde. Daarvoor is niet alleen talenkennis, kennis van de historie, de kuituur, enz. enz. nodig, maar bovenal een „geestelijk verstaan", een verlichting door de Heilige Geest.. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, zegt Paulus, ze zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan omdat ze geestelijk onderscheiden worden (1 Kor. 2 : 14). Wie zal dan de zin des Heeren kennen als God hem niet onderricht?
Vrijheid van exegese
Het werk van God de Heilige Geest kent geen gebreken en daarom is de Schrift volmaakt. Ons kennen van die Heilige Schrift blijft echter gebrekkig en het blijft een worsteling, om de zin en mening van de Heilige Geest te verstaan. Zeker, de Heere kan een onmiddellijke verlichting over een tekst geven, maar toch is ook hier de gewone weg de middellijke!
We mogen niet, zoals de wederdopers en andere geestdrijvers deze verwachten buiten het Woord! Biddend de Schrift te onderzoeken, dat is de weg, die de Heere Jezus wees (Joh. 5 : 39) en die ook onze vaderen wezen. „Gij hebt het profetisch woord dat zeer vast is", schrijft Petrus, „en gij doet. wel, dat gij daarop acht hebt als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte...”
Nooit is het de bedoeling van de Heili-
De statenvertalers ge Geest geweest om door het geschrevene de nieuwsgierigheid te bevredigen van mensen van later tijd. Helaas worden veel geschiedenissen wel zo gelezen en nageplozen (ook op jouw vereniging? ) Ze zijn echter opgetekend om de boodschap, de goddelijke lering, die erin ligt. Daarnaar moeten we zoeken om de geschiedenis recht te verstaan; dan worden we bewaard om ons te buiten te gaan aan het zoeken naar niet opgetekende bijzonderheden, zoals: Was Elimelech nu bekeerd of niet toen hij naar Moab ging?
Toch vraagt een goede schriftuitleg soms wel naar een invullen van wat verzwegen wordt. Het wordt in een bijbelvertelling maar ook in de prediking daarom dikwijls gedaan. Men zoekt dan een antwoord op vragen als: oe zat Zacheus in die vijgeboom, of Levi in zijn tolhuis? Bij het beantwoorden van die vragen is er een vrijheid van de verklaarder, maar binnen bepaalde grenzen. Men zal moeten vragen naar de mening van de Geest, naar de wijze van Zijn werking. Ook bij moeilijke teksten zijn er grenzen aan de vrijheid van de uitlegger. Deze worden bepaald door wat de Schrift op andere plaatsen zegt. Petrus schrijft nadrukkelijk, dat geen profetie van de Schrift is van eigen uitlegging (2 Petr. 1 : 20) en Paulus zegt, dat de Heilige Geest leert geestelijke dingen met geestelijke samen te voegen (1 Kor. 2 : 13). Hierop berust het reformatorische beginsel om bij de exegese Schrift met Schrift te vergelijken.
Is men niet in strijd met de Schrift, dan is er een vrijheid voor de verklaarder, een vrijheid, die echter wel goed gebruikt moet worden!
Inlegkunde of uitlegkunde
Sommigen hebben diepzinnige beschouwingen ten beste gegeven over Schriftgedeelten, die andere in verbazing deden uitroepen: at heeft hij er veel uitgehaald! Ze bemerken echter niet, dat hij het er eerst zelf had ingestopt... Zeker, Gods Woord is niet altijd eenvoudig te verstaan. Petrus schrijft, dat sommige dingen zwaar zijn om te verstaan (2 Petr. 3 : 16) en David zegt, dat Gods gebod — ziende op de openbaring van Gods wil — zeer wijd is (Ps. 119 : 96). Maar dat betekent niet, dat we nu alle ruimte krijgen om er onze opvattingen in te stoppen! Zo zoeken sommigen hier een invalshoek voor hun vleselijk denken die welhaast net zo gevaarlijk is als de schriftkritiek, (denk aan de Jehovahs Getuigen). Eigen opvattingen indragen, een sterk gekleurde bril opzetten bij het lezen, alles in een vooropgesteld menselijk schema zetten, dat alles is de mening van de Geest verduisteren! Niet dat alle schema's verkeerd zijn, denk aan de orde des heils! Maar schema's die louter in onze denkwereld zijn ontstaan en iedere bijbelse grondslag missen, doen de Schrift geweld aan. Zo wilde Origenes in iedere tekst drie betekenissen vinden: en letterlijke, een zedelijke en een allegori-
sche. Dit brengt een gewrongen schrift - uitleg met zich mee, die kunstmatig aandoet en van de verklaarder vooral fantasie vraagt.
Toch is het niet eenvoudig om de grens aan te geven tussen „inlegkunde" en „uitlegkunde". Als een juffrouw op school vertelt, dat de zon scheen, toen Abraham over de uitgebreide steppen trok, of een predikant zegt, dat Levi's geld in zijn handen brandde, dan staat dit niet in de Bijbel; toch kan het niet onschriftuurlijk genoemd worden. Alleen als men de Schrift geweld aandoet, er zaken bij doet, die niet verklarend zijn voor wat er staat, maar er iets aan toe voegen dat geen enkele grond in de Bijbel vindt, overschrijdt men grenzen. Nergens staat bijvoorbeeld dat de twee penningen van de barmhartige Samaritaan wet en evangelie beduidden, en als een predikant de noodzakelijkheid van de kennis van beide wil leren, kan hij beter een andere tekst nemen! Zulke gewilde verklaringen kunnen van een vindingrijkheid getuigen, maar het zijn eigen vindingen, het is eigen wijsheid. Allegoriseren is alleen geoorloofd als de Bijbel er zelf in voorgaat; denk bijvoorbeeld aan de woestijnreis van het volk Israël en aan sommige gelijkenissen. De grens van het geoorloofde wordt echter nogal eens verschillend gelegd. Luther, Spurgeon, Kohlbrugge durfden bijvoorbeeld veel verder te gaan dan Calvijn. Zolang hier echter geen verkeerde zaken worden geleerd is het minder gevaarlijk als het indragen van eigen opvattingen over goddelijke zaken. Dan doet men alle moeite om de Bijbel te laten zeggen, wat men zelf vindt. En ik denk, dat hier dè grote oorzaak ligt voor veel verdeeldheid onder hen die de Bijbel als Gods Woord willen handhaven. Zo kan men met teksten manipuleren als stukjes van een puzzel, om zo een toekomstbeeld te tekenen... naar eigen ontwerp. Zo kan men ook teksten bijeenzoeken om zichzelf te troosten, zonder dat God van ons afweet Dan hebben we de Heere niet nodig, bidden niet om licht en leiding, want we weten niet, dat we blind zijn. Er wordt in onze dagen een vorm van inlegkunde gehanteerd in de omgang met de Heilige Schrift die alleen kenbaar is aan het feit, dat men de Heilige Geest voor een recht verstaan niet nodig heeft.
Zo zegt de Heere
Is de Bijbel dubbelzinnig? Eigenlijk bedoelt deze vraag te zeggen: Kun je met de Bijbel alle kanten uit? Het schijnt van wel. Zo' lang wij de Bijbel gezeggen, laten zeggen wat wij willen, op welke wijze ook; dan vervolgen wij onze weg, een weg des doods. We blijven ons best doen om die weg goed te praten, als recht voor te stellen en we hebben de Bijbel daarbij in de hand. Zo zwaaien veel mensen met hun Bijbels. Gods Woord dient hen, menen ze. En ze zien niet, dat zo het Woord voor hen moet buigen, maar dat, zij nooit gebogen hebben onder het Woord van God, noch voor de God van Zijn Woord.
En dat is noodzakelijk om de eenduidige zin van het Woord te leren verstaan, de enige zin. En daar wordt pas iets van verstaan als we met de (ook geestelijk blinde) Saulus leren bidden: Heere, wat wilt U, dat ik doen zal. Hij kende het Woord welhaast van achteren naar voren, was bestudeerd meer dan anderen, maar hij miste licht en leiding. En wie daarom verlegen is, die zoekt het Woord, Gods Woord.
En dan gaat het ook om het goddelijke van die leiding, dan kan men met mensenwijsheid niet meer toe. Daarom gaat men dan om het Woord van God naar de kerk en is de honger niet minder als er leesdienst is... En omdat Gods Woord alleen levend en krachtig is als een tweesnijdend scherp zwaard zoeken Gods knechten ook niet meer en minder te zijn dan dienaren van dat Woord. Daar de zuivere zin en mening van te mogen vertolken, dat is hun begeerte, maar daarom is het ook hun behoefte dat Gods Geest hen verlicht, om in eenduidige zin te mogen zeggen: o zegt de Heere! Daarom wordt gebeden om de werking van Gods Geest ook in de hoorders, opdat het hun onmogelijk gemaakt zou worden met de waarheid in de hand, maar niet in het hart, hun wegen des doods te vervolgen. Want als het Woord met het geloof niet gemengd is, doet het rijkste Evangelie geen nut (Hebr. 4:2). Maar waar de Heilige Geest door het Woord het geloof werkt, daar wordt een dwaze, blinde zondaar op een enige wijze op een enige plaats gebracht: an de voeten van Hem, Die alleen uit genade zaligmaakt. Nergens wordt de eenduidigheid van Gods Woord beter verstaan en de eenheid meer beleefd, dan waar het Sola Scriptura samengaat met het Sola Fide en brengt tot het Sola Gratia.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1981
Daniel | 28 Pagina's