JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

SCHRIFTGEZAG EN SCHRIFTKRITIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTGEZAG EN SCHRIFTKRITIEK

VRAAGGESPREK MET DS. M. GOLVERDINGEN

15 minuten leestijd

Het vorig jaar verschenen gereformeerde synoderapport „God met ons" heeft heel wat stof doen opwaaien. In een bijlage voor de studerenden is er in ons blad al aandacht aan geschonken. Enkele weken daarna hield ds. Golverdingen op een bijeenkomst voor studerenden een lezing over het schriftgezag, toegespitst op de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. Met hem haden wij een gesprek, waarin we vooral ingingen op aspekten die nog niet aan de orde zijn geweest.

De pastorie van 's-Gravenzande bleek niet moeilijk te vinden. Wel kwamen we er achter dat dit dorp in het uiterste westen van ons land ligt. Als oud-redaktielid (we hebben zelfs nog een tijdje samen in de redaktie gezeten) draagt ds. Golverdingen ons blad nog steeds een warmi hart toe. We werden dan ook hartelijk ontvangen. Al gauw waren we op de studeerkamer in diep gesprek, waarbij de jongste zoon voor de nodige afwisseling zorgde.

Bedachtzaam formulerend en steeds naar betere antwoorden zoekend, ging ds. Golverdingen op onze vragen in. Ons viel de goed gevulde en gevarieerde bibliotheek op. Regelmatig trok onze gastheer ook een boek van de plank om iets na te kijken en te citeren. Dat typeert hem. Eiakele zeer konkrete, exegetische vragen zijn dan ook blijven liggen. Zijn motivering: dat moet ik eerst bestudeerd hebben; ik moet zeker weten dat het zo is.

Dominee, kunt u kort de kern van het gereformeerde synoderapport over de aard van het schriftgezag aangeven?

Tja, daar vraag je me wat. Er staat zoveel dn 'k Zie vooral twee elemensen. Het ene is, dat er een waarheidsbegrip gehanteerd wordt, dat beslist filosofisch van aard' is. Je proeft direkt de invloed van een man als de duitse wijsgeer Martin Heidegger. Met name daar waar het rapport spreekt over het relationele waarheidsbegrip (ziie „Daniël" nr, 15). Het rapport stelt dat de bijbelse waarheid is ontstaan vanuit de relatie (betrekking) tussen God en de bijbelschrijvers. De Schrift is volgens deze visie een „samenwerkingsboek": God en de feilbare mens werkten samen in he.t ontstaan

van de Bijbel. Daarom kunnen er historische onjuistheden en tegenstrijdigheden in de Schrift voorkomen. De bijbelverhalen zijn geen objektieve weergave van wat er historisch gebeurd is. Je staat hier dus voor een totale koersverandering in het belijden t.a.v. het Woord Gods. Gebroken wordt immers met de belijdenis, dat God Zichzelf eenzijdig, vrijmachtig openbaart. Leg art. 1, 2, 3 en 17 van de NGB maar naast het rapport. Dan zie je hoe groot de breuk met het verleden is.

En wat het tweede element betreft: het rapport laat een eigenaardige overaksentuering van het geloof zien. „Alleen de aanvaarding van Jezus als Heer — dat is gelóóf in de Schriften", lees ik op blz. 64 van het rapport. Dat klinkt orthodox, maar er schuilt een niet-gereformeerde gedachte achter. De waarheid van de Schrift wordt immers niet gelegd in het Woord Gods zelf, maar in de gelovende mens. Die gelovende mens aanvaardt alleen de Schrift als betrouwbaar t.a.v. Christus en het door Hem verworven heil. Anders gezegd: er staan in Gods Woord gedeelten die géén openbaringskarakter hebben, die historisch onbetrouwbaar en feilbaar zijn.

Achter de „gelovende-mens" van dit rapport zie ik de mondige mens, die zelf wel uitmaken zal welke schriftgedeelten over het heil spreken en welke niet. De woordelijke inspiratie wordt zo geloochend. Plaats tegenover deze gedachtengang nu eens het getuigénis van de Heere in Hebr. 4 : 12. Daar staat dat het gehele Woord van God lévend en krachtig is en dat het door de werking van de Heilige Geest onze overleggingen en gedachten oordeelt.

Houdt het rapport dan nog wel vast aan de inspiratie van de Bijbel?

Ja, maar het geeft er een „nieuwe" interpretatie aan. In wezen wordt hier de opvatting van Geelkerken nieuw leven ingeblazen. (Geelkerken werd in 1926 door de Gereformeerde Kerken afgezet vanwege zijn uitleg van Genesis 3. Hij maakte namelijk onderscheid tussen de „goddelijke bekendmaking van een historisch feit" en de verwoording hiervan door de bijbelschrijvers , yin bewoordingen, aan onze tegenwoordige, aard'sche bedeeling ontleend"). Bij Geelkerken krijgen de bijbelschrijvers zoveel speelruimte dat ze weliswaar in de inhoud van de Schrift Gods stem met onfeilbaar gezag vernemen, maar dat de vorm waarin de Schrift tot ons komt altijd geïnspireerd is. In die vorm kunnen dus fouten zitten. De scheppingsgeschiedenis is dan niet in de eerste plaats een historisch verhaal, maar heilsgeschiedenis zonder betrouwbare feiten.

De bekende dr, Bavinck stelde in zijn dogmatiek dat de betrouwbaarheid van de Schrift (be)rust op haar inspiratie. Kun je daarom zeggen •— zoals het lezenswaardige boekje „De Bijbel in de beklaagdenbank", uitgegeven door de EO, doet — dat in de Gereformeerde Kerken nu definitief de wissel om is en dat daar de leervrijheid nu even groot is als in de Hervormde Kerk?

Ik ben geneigd om daar ja op te zeggen. Wel is het rapport niet zo radikaal als bijvoorbeeld Kuitert wel zou willen. Ik stem in met wat prof. Berkhof schreef: „Hier (in dit rapport) wordt niet verheeld dat er een aanzienlijke koerskorrektie in het beleid en zelfs in het belijden wordt beoogd. De hervormden kwamen steeds met lastige ontdekkingen uit de historische kritiek aan; de gereformeerden leverden achterhoedegevechten. De verhoudingen zijn nu omgedraaid." Het keerpunt in de Gereformeerde Kerken ligt echter al in 1967. Toen werd de uitspraak van de synode van Assen tegen dr. Geelker-

ken ingetrokken. Dit jaartal herinnert aan 1816 in de Hervormde Kerk, toen er ook een opening voor leervrijheid gegeven werd. Alleen is het opmerkelijk dat de Gereformeerde Synode unaniem met het rapport heeft ingestemd. Dat was ^ en is — in de Hervormde Kerk niet het geval.

Zou je kunnen zeggen dat de Gereformeerde Kerken de Hervormde Kerk links hebben ingehaald?

Ja, zo zou je dat kunnen zeggen, In de Hervormde Kerk is nog altijd een belangrijk deel dat volstrekt Schrift ge trouw is. „Waarheid en Eenheid", hoewel ik daar waardering voor heb, kun je — wat schriftuurlijk-bevindelijke prediking betreft en naar getalssterkte en invloed —• niet vergelijken met de Gereformeerde Bond. Daar staan wij veel dichter bij.

Hoe is dat verval in de Gereformeerde Kerken te verklaren?

Na 1906 — met z'n bekende uitspraken over doop en verbond — in het onderscheid tussen een historisch geloof en een waarzaligmakend geloof steeds meer weggevallen. Er kwam een sterk massieve verbondsopvatting en een kultuuroptimisme waardoor men met name sinds de 50'er jaren de verzoeking van de niet-schriftgetrouwe wetenschap niet meer kon weerstaan. En vooral is er steeds meer het zicht op het werk van de Heilige Geest in de toeëigening van het heil verloren gegaan. Het bevindelijke element is steeds meer weggevallen. Er werd vrijwel niet meer gepredikt hoe Christus funktioneert in de gelovige. En een dode orthodoxie is op de lange duur een huis waarvan de muren instorten.

Is de Gereformeerde Kerk door het unaniem aannemen van dit rapport een valse kerk geworden en zouden schriftgetrouwe christenen haar dus moeten verlaten?

Onder een valse kerk verstaan we een kerk die de drie kenmerken uit art. 29 van de NGB mist. De R.K.-kerk bijvoorbeeld is een valse kerk. De Gereformeerde Kerk is ernstig ziek. Men zal haar moeten verlaten als er geen plaats meer is voor het bijbelse getuigenis.

Ik kom weer terug op het rapport. Daarin wordt ons verweten feitelijk een mechanische inspiratieleer te hanteren, waarin voor het eigene van de bijbelschrijvers geen plaats is. Wij staan toch een organische inspiratieleer voor, volgens welke de bijbelschrijvers als mens voUedig bij het schrijven van de tekst zijn ingeschakeld, met al hun eigen ervaringen en overwegingen?

De mechanische inspiratieleer komt in zijn zuivere vorm alleen bij de joodse rabbijnen voor. Zij geloofden dat de bijbelschrijvers in een soort extase raakten, In deze „bewusteloze" toestand schreven zij letterlijk het diktaat van de Heilige Geest op. Zij waren dus feitelijk niet meer dan blinde schrijfmachines. Bij onze gereformeerde vaderen vinden we nergens zo'n opvatting. Wel is het zo dat de term organische inspiratie pas in de 19e eeuw opduikt. Voor 't eerst bij Charles Hodge en bij ons bij Kuyper en Bavinck.

Toch lees ik in , , Fundamenteel Belijden" van ds. C. den Boer: „De oude kerkvaders en de reformatoren spreken herhaaldelijk van een diktaat van de Heilige Geest, van klerken, griffiers, bezworen notarissen, handlangers van de Heilige Geest, enz. Alles, tot in de woorden toe, is aan de Geest als eerste Auteur te danken.”

Dat is volstrekt juist. Maar zij hebben daarmee stelling genomen tegen de socinianen. Zij wilden de Goddelijke en woordelijke inspiratie van de Schrift benadrukken. Maar zij hebben nooit ontkend dat de Heilige Geest mensen met hun gehele persoonlijkheid in dienst genomen heeft. Dat kan ik bewijzen vanuit Synopsis purioris theologiae, hèt Gereformeerde leerboek van de 17e eeuw. Daarin schrijft prof. Thysius, die nog les heeft gehad van Beza: De wijze van opschrijven is deze geweest: omtijds is God degene geweest, die ingeeft en dikteert, en de schrijvers de sekretarissen, namelijk mensen die naar een zeker model schrijven (Ex. 34 : 27, 28; Openb. 2 : 1 enz.). Dan weer is Hij degene die bijstaat en leidt (Hebr. 1 : 1) en zijn. zij de navorsers en auteurs (Luk. 1 : 1, 3). Want zij hebben zich niet altijd slechts passief, maar ook aktief gedragen, als mensen die hun verstand en gemoedsbeweging' en redenering en geheugen, hun verdeling en ordening en stijl (vandaar hun verscheidenheid in schrijfwijze) hebben gebruikt, onder voortdurende besturing echter van de Heilige Geest, die hen zo geleid en geregeerd heeft, dat zij van alle dwaling van geest, van geheugen, van spraak en pen overal gevrijwaard bleven (2 Sam. 23 : 1, 2; 1 Cor. 7 : 25, 39).”

Kunt u ook een voorbeeld geven van dat organische karakter, dus dat de bijbelschrijvers echt ingeschakeld werden?

Ik denk bijvoorbeeld aan Arnos. Hij was een herder. Dat bleef hij ook. Hij heeft het over: „Gij koeien van Bazan" als hij de voorname vrouwen van Samaria bestraft. Jesaja zou dat nooit zo gezegd hebben. J'esaja had een verfijnder taalgebruik. Waarschijnlijk stamde hij uit het koninklijk huis. Amos bleef de herder die hij altijd geweest was en Jesaja de begaafde geleerde.

Volgens het rapport kunnen er tientallen fouten in de Bijbel staan, enerzijds omdat de schrijvers feilbare mensen waren en anderzijds omdat er bij het overschrijven van de Bijbel in de loop der eeuwen fouten zijn gemaakt. Het eerste wijzen wij af, maar zijn die overschrijffouten echt uitgesloten?

Wij bezitten inderdaad alleen maar afschriften van de oorspronkelijke bijbelrollen en in die afschriften komen vele kleine verschillen voor. De bestudering daarvan is een vak apart. De Zuidafrikanen spreken over „tekstvaststellings wetenskap". Dat is mooier dan het onder ons gebruikelijke begrip tekstkritiek. Dat levert soms misverstand op. Deze taalgeleerden houden zich bezig met het vergelijken van allerlei bijbelhandschriften om; zo te komen tot de meest betrouwbare tekst. De verschillen betreffen het verwisselen of weglaten van een letter of lettergreep. Soms gaat het om enkele woorden, maar nooit komt daardoor de wezenlijke inhoud van de Schrift in het geding. Ook de Statenvertalers houden in de kanttekeningen rekening met deze zogenaamde varianten. Een sprekend voorbeeld vind je in 2 Petrus 1 : 10. Daar zeggen de kanttekenaren dat er ook handschriften zijn die achter de zinsnede „om uw roeping en verkiezing vast te maken" nog hebben staan: door de goede werken”.

Schriftkritici wijzen op tegenstrijdigheden in de Bijbel. Soms verklaren schriftgetrouwe theologen die tegenstrijdigheden als overschrijffouten. Zo vond ik dat bijvoorbeeld voor Jozua 8 : 3 en 12, waar in het ene vers gesproken wordt over een hinderlaag van 30.000 man en in het andere van 5000 man. Bekend is ook de tegenstrijdigheid wie nu eigenlijk Goliath verslagen heeft, David of Elhanan

(zie 1 Kron. 20 : 5 en 2 Sarn. 21 : 19). Kunnen dat inderdaad overschrijf fouten zijn?

Met al dat soort tegenstrijdigheden ben ik uiterst voorzichtig. Ik sluit de mogelijkheid van een overschrijffout in die gevallen niet geheel uit. Ik wil er echter allereerst op wijzen, dat dit soort moeilijkheden al in de vroege kerk bekend waren en echt niet door de moderne theologen ontdekt zijn. Het grote verschil is echter, dat de oude theologen naar een goede exegetische oplossing zochten, binnen de grenzen van Schrift en Belijdenis, terwijl moderne theologen deze moeilijkheden direkt als bewijs aandragen dat de Schrift niet woordelijk betrouwbaar is en zulke geschiedenissen als volksverhalen bestempelen. In de loop der eeuwen zijn tientallen van deze problemen zo-door bijbelgetrouwe exegeten bevredigend opgelost. Vooral de bekende „Korte Verklaring", die grotendeels berust op de „Bottenburg-kommentaar", acht ik in dit opzicht hoog. Lees ook de kommentaren van Calvijn en dan zie je hoe hij door zeer nauwkeurige exegese mogelijke oplossingen aandraagt. Augustinus heeft eens gezegd: „Zulk een waardigheid ken ik aan de Schrift toe, dat ik vast geloof, dat geen enkele van haar schrijvers zich vergist heeft bij het schrijven. En als er enige stukken in voorkomen, die met de waarheid schijnen te strijden, dan oordeel ik hiervan, óf, dat er een fout in het handschrift insloop, óf, dat de vertaling minder juist is, óf, dat ik het niet goed begrijp." Zo moet onze houding en omgang met het Woord van God zijn. Wie de autoriteit van , de Schrift alleen geloven wil, als hij alle moeilijkheden opgelost heeft, zal inderdaad omkomen, 't Gaat er om dat we hartelijk en onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van de Schrift. Als de oudvaders iets niet helemaal duidelijk was, schreven zij: non liquet. Dat betekende, dat zij over een bepaalde zaak te weinig licht hadden. Daarbij vergeleken zijn moderne theologen tamelijk hoogmoedig. Zij verheffen zich boven de Schrift in plaats van eronder te buigen.

De Bijbel heeft geloofwaardigheid in zichzelf en dit wordt verzegeld door de Heilige Geest in de harten van Gods kinderen. Calvijn schreef zo mooi in zijn Institutie: „Dan geloven wij niet meer op grond van ons eigen of anderer oordeel, dat de Schrift van God1 is, maar boven het menselijk oordeel uit stellen wij als zekerder dan zeker vast (even alsof wij daar de Godheid van God zelf aanschouwden), dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is." (Inst. I, VII, 5).

Een ander punt waar moderne theologen veel moeite mee hebben, namelijk met allerlei ethische uitspraken. In het gereformeerde synoderapport is er zelfs een aparte paragraaf aan gewijd. Zijn al deze leefregels en uitspraken — bijvoorbeeld die over de positie van de vrouw — ook nu nog zondermeer van kracht?

Kuytert moet eens zijn eigen synode voorgehouden hebben, dat zij de vrouw in het ambt had toegelaten, ondanks duidelijke uitspraken van de Schrift hierover. Wel, zou hij toen gezegd hebben, in uw lijn ga ik alleen maar verder. Op deze wijze worden allerlei bijbelse uitspraken tijdgebonden geacht, bijvoorbeeld de schriftgegevens over homosexualiteit. Ik wijs dat beroep op tijdgebondenheid volstrekt af. Bijbelse uitspraken over echtscheiding, homosexualiteit, de vrouw in het ambt enz. blijven zondermeer van kracht. De Schrift zelf geeft geen enkele aanleiding ertoe daar anders over te denken.

Hoe ziet u de betekenis van de ceremoniële en burgerlijke wetten?

De ceremoniële wetten gelden, naar het getuigenis van de Schrift zelf, nu niet meer, al hebben ze wel een blijvende betekenis, want hun inhoud is: Christus en Zijn werk. En wat de burgerlijke wetten betreft, ook die gelden niet meer. Ze golden voor Israël als theokratische staat en die heeft opgehouden te bestaan. Toch zijn ze niet zonder betekenis voor onze tijd. Neem bijvoorbeeld de oorlogswetten in Deut, 20. In het zevende vers staat, dat de man die een vrouw ondertrouwd heeft, naar huis gestuurd moet worden. Dat zegt ons ook voor vandaag, dat de Heere het huwelijk zeer hoog schat. En als er in het tiende vers wordt gesproken, dat men de vijand eerst de vrede moet aanbieden, dan kunnen we toch wel zeggen, dat onderhandelen een schriftuurlijke zaak is en dat de gerichtheid van een land vredelievend behoort te zijn. En — om nog een aktuele zaak te noemen — als ik in vers 19 lees dat de vruchtbomen in het vijandige land niet omgehakt mochten worden, dan heb ik moeite met het amerikaanse optreden in Vietnam toen daar op grote schaal ontbladeringsmiddelen gebruikt werden. En zou je ook niet moeten zeggen, dat het internationale verbod van chemische en bacteriologische wapens een bijbels gebod is? En wat denk je van het offensieve gebruik van kernwapens? De burgerlijke wetten geven ons dus wel tal van ethische richtlijnen voor problemen van vandaag. Wel moeten we deze wetten lezen vanuit het Nieuwe Testament.

Wat raadt u jongeren aan die bij hun studie te maken krijgen met godsdienstlessen die doordrenkt zijn van die moderne theologie en de schriftkritiek?

’k Zou zeggen: hou vast aan het volstrekte gezag van Gods Woord en probeer goed te luisteren naar de vóóronderstellingen waar men vanuit gaat. En kom eerlijk, maar vooral bescheiden voor je mening uit, zeker als men daar om vraagt. Ga echter niet steeds opzettelijk met je medestudenten en leraren in de clinch. Je mag ook nooit de indruk vestigen dat je iemands goede bedoelingen in twijfel trekt, ook al dwaalt hij kennelijk. Doe je werk zo getrouw mogelijk. De wijze waarop je studeert, kan op zichzelf al een getuigenis zijn. Stel je wel, vanaf het begin, duidelijk op. Vraag, maar in 't gebed om wijsheid en kracht daarvoor. Maak je ook onze gereformeerde geloofsleer eigen, want het is wel zo: mensen zonder overtuiging blijven niet staan.-Ze gaan een konfrontatie uit de weg of ze passen zich aan.

Hebt u nog een slotopmerking?

Laten we goed voor ogen houden, dat we allen de verlichting van de Geest nodig hebben. Kijk naar psalm, 119. Dat is één gebed om verlichting. Als David nu die verlichting nodig heeft, en steeds weer opnieuw, hoeveel te meer wij. Niemand is er die mag rusten vóór hij met z'n gehele hart de belijdenis van de NGB kan na zeggen dat hij Gods Woord gelooft, „omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij (= de verschillende boeken van de Bijbel) van God zijn". Ook van ons wordt een onvoorwaardelijk buigen voor Gods Woord geëist. Gods kinderen krijgen het héle Woord lief. Dat Woord getuigt van zonde, maar ook van genade. Het predikt de Wet, maar ook het Evangelie.

Dominee, hartelijk dank voor dit interview. En ook voor uw waarderende woorden over ons blad. Wij vinden het fijn, dat u als oud-redaktielid ons blad nog steeds een warm hart toedraagt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1981

Daniel | 28 Pagina's

SCHRIFTGEZAG EN SCHRIFTKRITIEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1981

Daniel | 28 Pagina's