JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

IK BEN EEN VRIEND, IK BEN EEN METGEZEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IK BEN EEN VRIEND, IK BEN EEN METGEZEL

8 minuten leestijd

Het gezelschap (ook wel conventikel genoemd) heeft een veel langere geschiedenis dan men over het algemeen aanneemt. Vaak tref je de opvatting aan dat de gezelschappen ontstaan zijn in perioden dat de kerk in verval was. Niets is minder waar. Terecht schreef dr. Woelderink: „Integendeel, de gezelschappen zijn' geboren uit het leven der kerk en uit het besef, dat men voor elkander verantwoordelijk is in de verzorging van de plant des geloofs en der liefde”.

Bijbels gegeven

Het gezelschapsleven vindt haar grondslag in Gods Woord. In 1 Cor. 14 : 3 wordt gesproken over de „gave der profetie" tot stichting, vermaning en vertroosting.

De kanttekenaren merken hierbij op: „Dat is hetgeen dienen kan tot stichting of onderwijzing der onwetenden, vermaning der ongeregelden en vertroosting der bedroefden". En zij wijzen er dan op, dat dit gebeuren moet door „uitleggingen van Gods Woord". En deze uitleggingen kunnen andere vormen hebben dan een preek.

De tijd van de Reformatie

Op dit 14e hoofdstuk van 1 Cor. beriep Zwingli zich dan ook toen hij in 1525 in Zürich de „profetie" instelde. Wij zouden het wellicht een bijbellezing noemen. Er werd namelijk een doorlopende verklaring van de bijbelboeken gegeven. Eerst werd het te behandelen gedeelte in de grondtaal voorgelezen, vervolgens werd dit gedeelte verklaard (in het Latijn) en tot slot volgde er een korte preek in het duits.

Dit artikel is een overzicht van de geschiedenis van de gezelschappen. Het is een bewerking van een skriptie van ds. J. J. Tanis. Hij maakte deze in zijn laatste studiejaar aan onze theologische school. De skriptie was veel te lang om in ons blad te publiceren. Vandaar dat een van onze redaktieleden een samenvatting maakte.

Ook in de vluchtelingengemeenten in Londen kwam iets dergelijks tot ontwikkeling. Hier begon de bekende Joh. a Lasco met een bespreking en beoordeling (!) van de preek die 's zondags gehouden was. En bij de franse vluchtelingengemeenten besprak men weer niet de preek, maar een gedeelte uit Gods Woord. De profetie funktioneerde in het midden van de gemeente. Allen konden er deel aan nemen en ook het woord krijgen. Wel stond het geheel onder leiding van de kerkeraad en stond de bespreking van Gods Woord centraal.

De tijd van de Nadere Reformatie

Het hoogtepunt van het gezelschapsleven ligt in de 17e eeuw, de beginperiode van de Nadere Reformatie. Door middel van de gereformeerde theologen werd toen de nadruk gelegd op de „praxis piëtatis", de praktijk der godzaligheid. Beïnvloed door de Puriteinen ging het de mannen van de Nadere Reformatie — o.a. Teellinck, LJdemans, Koelman, Voetius en Lodenstein — niet alleen om het zuiver houden van de gereformeerde leer, maar vooral om de beleving ervan en, ook om een zuivere levenswandel. Rondom deze godvruchtige mannen ontstonden „vriendenkringen". Heel bekend was de utrechtse vriendenkring rond Lodenstein.

Langzamerhand ontstond echter het gevaar dat deze gezelschappen een min-

der zuiver karakter gingen vertonen. Met name gebeurde dit als zo'n gezelschap niet onder leiding van de kerk stond. Zo deden zich ontsporingen voor, vooral sinds het optreden van Jean de Labadie. Hij vond het verval in de kerk zo groot dat hij ermee brak.

Zijn ideaal was: een kerk van enkel wedergeborenen. De gezelschappen werden nu veel algemener, maar kwamen helaas vaak tegenover de kerk te staan.

Deze ontwikkeling noodzaakte de kerk nauwlettend(er) toe te zien. Temeer, omdat er twee soorten van conventikels ontstaan waren. Naast de „gewone" gezelschappen, waarin men een gedeelte van de Schrift besprak en elkaar zijn „bevindingen" meedeelde, ontstonden de „oefeningen". Deze hadden veel weg van een publieke predikdienst met voorafspraak, gebed en schriftverklaring. Naast predikanten en ouderlingen gingen hierin ook gewone lidmaten voor.

Juist deze oefenaars vormden vaak een kring tegenover de kerk. Zij stonden kritisch tegenover de „wetenschappelijke" uitleggingen van Gods Woord en kenden meer gezag toe aan de mannen die „rechtstreeks van God' geleerd waren”.

Kerkelijk optreden bleef dan ook niet uit. Menige synode ageerde tegen de conventikels. En al was het dat o.a. Voetius aan gewone lidmaten het recht om te oefenen had toegekend, toch werd dit recht in de 17e eeuw al meer in-gekort.

De achttiende eeuw

In de gezelschappen van de 18e eeuw kwam een krachtig verzet openbaar tegen de kerkelijke toestanden van die tijd, waarin vooral rationalisme en tolerantie hoogtij vierden. Met name in het noorden van ons land bloeiden de conventikels. Grote voorstanders waren o.a. Joh. Verschuir en Wilh. Schortinghuis. Vooral in deze-tijd werd het „inwendig licht" geprezen en sprak men veel van „letterknechterij". De brede maatschappelijke blik uit de begintijd van de Nadere Reformatie raakte echter meer en meer verloren. In toenemende mate ontstond er een lijdelijke inslag. Toch bleef er veel goeds. De bekende kerkhistorikus dr. O. de Jong schrijft: „Zowel Verschuir als Schortinghuis wezen hun lezers op de genademiddelen, wilden beslist schriftuurlijk blijven, waardeerden de theologie als wetenschap en toonden grote kennis van de zielservaringen. Daarmee waren zij bij uitstek schrijvers voor al degenen die het in de kerkdiensten te geleerd en te onpersoonlijk toe vonden gaan”.

In deze tijd kwam ook de „tale kanaans" in gebruik. Men hoorde een geijkte terminologie en las die ook in boeken en brieven van leraars en vrienden die men vertrouwde en liefhad. In deze eeuw van verval is veel goeds behouden gebleven door de conventikels en oefenaars. Enkele van die oefenaars zijn ook nu nog heel bekend. We .denken dan bijvoorbeeld aan mr. Justus Vermeer — wiens catechismusverklaring nog steeds gelezen wordt — en ook aan Lambertus Myseras — wiens boek „Het kabinet des genade Verbonds" nog onlangs herdrukt is.

In deze 18e eeuw kwamen duidelijke kerkelijke uitspraken over deze gezelschappen en oefenaars tot stand. Vooral de Partikuliere Synode van Groningen zag zich voor deze taak gesteld.

Deze synode besloot:

- dat partikuliere oefeningen alleen toegestaan waren als de plaatselijke predikant(en) toegang had(den) en er niets onschriftuurlijks geleerd werd;

— dat oefeningen waar niets tegen de ware leer geleerd werd en men elkaar aanspoorde tot de praktijk der godzaligheid door de predikanten aangemoedigd (!) moesten worden.

Deze besluiten ontvingen in latere tijden bijna de kracht van een „grond-

wet”. Telkens werd er op deze besluiten teruggegrepen.

De negentiende eeuw

Ook in de eeuw van de Afscheiding zijn de conventikels en oefenaars van grote betekenis geweest. Veel plaatselijke kerken van de Afscheiding vinden hun oorsprong in de gezelschappen. Het aantal oefenaars was groot, omdat er maar weinig predikanten met de Afscheiding waren meegegaan. De „vader van de Afscheiding", ds. De Cock, was in de gegeven omstandigheden dan ook een voorstander van het oefenen.

Wel sprak reeds de eerste synode (1836) uit, dat eigenlijk een orde van dienaren buiten de geordende herders en leraars niet mocht bestaan. De praktijk was echter sterker dan de leer. Vaak werd zo'n oefenaar zelfs min of meer officieel tot predikant bevestigd vanwege de grote nood en de voortgaande afsplitsing in afgescheiden kring.

Kerkrechtelijk ging er wel eens wat fout. En soms hebben eerzucht en het. „kerkje willen spelen" ook een rol gespeeld. Maar sterker toch heeft de gedachte geleefd, dat God eenvoudige mannen heeft willen gebruiken om in de nood van Zijn volk te voorzien.

Dr. Woelderink stelt — en er zit helaas een kern van waarheid in — dat de splitgeest in de kerk van de 19e: eeuw ook gewoekerd heeft in het gezelschapsleven.. Ook daar kwam onderling wantrouwen. Centraal stond vaak de vraag „wie het meest begenadigd was, het diepst was ingeleid in Gods heilgeheimen en — want dat volgde eruit — wie de leiding op het gezelschap toekwam". Zo ontstonden verschillende liggingen, waarbij „een vaststaand eigen schema van de bekering" in gebruik kwam. Aldus dr. Woelderink.

De twintigste eeuw

Als we ons beperken tot de Ger. Gem., dan kunnen we zeggen dat binnen ons kerkverband de oefenaars beslist geen onbekenden zijn. We denken in dit verband aan oefenaars als H. van Schothorst, J. Vader, L. Wijting, terwijl ook ds. G. H. Kersten als oefenaar begonnen is. Het werd deze oefenaars niet gemakkelijk gemaakt. Men ging er vanuit dat ze singuliere gaven moesten bezitten. Zo schrijft drs. H. A. Hofman: „Een preekschets mocht de oefenaar niet meenemen naar de kansel. Sommigen namen op de galerij zelfs zodanig positie in, dat zij op de lessenaar konden zien of hij een velletje papier bij zich had.”

Wat de jaren na de Tweede Wereldoorlog betreft, tekent dezelfde schrijver aan: „Geleidelijk aan heeft zich, vooral na 1945, de ontwikkeling voorgedaan dat het gezelschap naar de achtergrond van het kerkelijk leven 'schoof. Aangezien het gezelschap, en daarmee het bevindelijke leven, ten grondslag lag aan het ontstaan van de Ger. Gem., dreigt hiermee een levensader van de gemeenten doorgesneden te worden.”

Konklusie

Dit historisch overzicht overziend, moeten we konkluderen: „De gezelschappen zijn geboren uit de Reformatie en hun geboorte is eigenlijk even legitiem als die van de kerkorganisatie zelf." In de ontstaansgeschiedenis van onze gemeenten speelden ze zelfs een bijzondere rol.

Soms kwamen er ontsporingen voor, met name als er onvoldoende kerkelijke leiding was. Vaak bloeiden de gezelschappen, naarmate „de boom op de kansel verdord was." Overigens bleek ook dat er verschillende vormen in de loop .der geschiedenis zijn geweest. Centraal behoort te staan het onderzoeken en bespreken van Gods Woord. Zo kunnen ook vormen als bijbellezing, lidmatenkring, preekbespreking en zelfs jeugdwerk — mits alles onder goede leiding (plicht van de kerk!) — dienstbaar zijn aan het bewaren van de schriftuurlijk-bevindelijke waarheid in onze gemeenten, maar bovenal aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1981

Daniel | 28 Pagina's

IK BEN EEN VRIEND, IK BEN EEN METGEZEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1981

Daniel | 28 Pagina's