TOEN EN NU
Ons vervolgverhaal DEEL I
Met de mand onder zijn arm liep Joost door de smalle straten. Aan twee kanten keken de hoge huizen deftig en strak op hem neer. Zijn schoenen kletsten tegen de hobbelige keien, die nog nat v/aren van de regen. Hij snoof eens. Uit zijn mand kwam een heerlijke geur. De bollen voor de vrouw van , , Het Hooghe Huys" waren nog warm. De mand was helemaal vol.
„Het Hooghe - Huys" was een goede klant. Maar wie kon er ook zulke lekkere bollen bakken als de bakker van „De gulden aar"? Joost was trots op zijn vader, die in zijn witte kiel en met de witte muts op zulke heerlijke dingen tevoorschijn kon toveren in de geheimzinnig-duistere bakkerij, waar de gloeiend hete oven een rossig licht verspreidde, als het deurtje openging.
Het rook er ook altijd zo apart, vond Joost. Soms mocht hij een poosje helpen. Trots was hij dan. Hij wilde net zo'n goede bakker worden als zijn vader. Maar meestal moest hij de boodschappen wegbrengen. Dat was ook leuk. Onderweg was er altijd wel wat te zien.
Daar was „Het Hooghe Huys" al. Eerst moest hij de brede, 'statige stoep op. Toen liet hij de klopper vallen.
In de keuken pakte hij zijn bollen uit, heel voorzichtig. Het dienstmeisje telde ze precies.
Ineens ging de deur open. Daar was de vrouw zelf! Vlug trok Joost de pet van zijn hoofd.
„Ben jij de zoon van de bakker uit „De gulden aar”? ”
Joost knikte.
„Wil je dan tegen je vader zeggen, dat ik voortaan een andere bakker neem? " Niet-begrijpend keek Joost haar aan. Maar de vrouw wachtte geen antwoord af. Ze verdween even statig als ze gekomen was. De deur zoefde zacht dicht. Het dienstmeisje rammelde wat met vaatwerk. Toen keek ze de jongen aan, die daar nog steeds verslagen naar de deur stond te kijken en zei: „Ik zal je betalen, Joost, en: je hebt het gehoord." Ja, Joost had het gehoord, maar hij had er niets van begrepen. Weg was zijn blijdschap, zijn trots. En met een hoofd vol gedachten liep hij naar huis.
Wat vreemd was dat. En wat zou vader het erg vinden. En er waren nog niet zo lang geleden nog een paar klanten weggebleven. En vader had niets gezegd Wat was dat toch Net, alsof hij; het helemaal niet vreemd vond. En als hij eerlijk was... waren er niet meer vreemde dingen de laatste tijd?
’s Avonds laat. kwam. er nog wel eens bezoek, als de kinderen in bed lagen. Maar vader en moeder vertelden nooit, wie er geweest waren. En naar de kerk gingen ze niet meer. Wat was dat toch?
Over een stille weg door het vlakke land1 van Noord-Holland rijdt een auto. Het is pikdonker, maar de twee felle koplampen verlichten hel de witte strepen op de weg. Het is al laat. Hier en daar, in de verte, pinkelt nog een licht, als een verdwaalde ster.
Student Van Ham rijdt met een flinke gang naar huis. Zijn gedachten zijn nog in het kleine kerkje, waar hij die avond heeft gepreekt. Het ging. De Heere gaf nog opening. Ja, het was nog goed om daar te zijn, al was het maar een heel klein groepje. En. wat een aandacht was er.
Opnieuw gaat de preek, in gedachten, aan hem voorbij. Daar had hij wel wat meer van kunnen zeggen, en daar... Er
bleef altijd maar weer een tekort. Hij schrikt ineens op... luistert...
Wat doet die motor raar, wat een vreemd geluid. Vlug kijkt hij naar de lampjes. Brandt er wat? Hij ziet niets. De motor raast zo... Nu gaat er toch een rood lampje branden. Hij zal maar direkt stoppen. Daar is al een „P". Hij rijdt de auto naar de kant van de weg. De motor slaat af. Wat stil is het nu ineens...
Hij zal eens opnieuw proberen te starten. Maar wat hij ook probeert, de motor slaat niet meer aan.
Dat is ook wat Hij kijkt om zich heen. Overal is het donker. Hier en daar staat een huis, verdwaald. En daarginds, ja, daar brandt nog een lamp. Daar zal hij maar eens naar toe lopen. Hij kan hier toch niet de hele nacht blijven staan? En wat hij met die auto moet? Hij weet het niet.
Ze zaten 's avonds met z'n drieën in de kamer aan tafel: vader, moeder en Joost. De kleintjes waren naar bed. Joost mocht nog even opblijven,
Hij schrok op. Vader keek hem ineens aan.
„Joost? ”
„Ja, vader? ”
„Joost, je bent onze oudste en we willen toch eens met je praten. Je zult de laatste tijd wel eens dingen vreemd hebben gevonden. En je merkt ook wel: we raken klanten kwijt. Je zult wel eens denken: hoe komt dat toch? Wel, dat kan ik je heel vlug vertellen: omdat we niet. meer naar de kerk gaan.”
Vader wachtte even, dacht diep na, een zorgelijke rimpel boven zijn neus.
Joost zou willen vragen: „Maar waaróm gaan we dan niet meer naar de kerk? Dat hebben we toch altijd gedaan? En toen was alles toch goed? ”
Maar vader ging al verder: „Je weet, wat op 31 oktober 1517, nu 50 jaar geleden, in Duitsland is gebeurd. De naam van de monnik Luther ken je ook. Hij heeft daar op de deur van de kerk in Wittenberg een papier opgehangen, waar hij alles, wat, hij in de kerk verkeerd vond, op geschreven had. Je weet ook, hoe er steeds meer mensen die „nije leer" belijden en niet meer in de kerk komen. En je hebt ook wel gemerkt, dat wij niets van die „nije leer" moesten hebben en het wel goed vonden als onze heilige Kerk die mensen in de gevangenis liet gooien. Ze moesten toch terugkeren in de schoot van de alleenzaligmakende Moederkerk? Dat dachten we En... dat zouden we nog denken ... zo blind waren we..... ”
Joost keek zijn vader met grote ogen aan. Een angstig vermoeden kwam in hem op. Razendsnel gingen zijn gedachten. ou... maar dat kon toch niet.....
Maar vader, ernstig, ging al verder: „Totdat, ja, totdat deHeere ervoor zorgde, dat we een paar bladzijden van de Bijbel in huis kregen. Schrik niet, jongen. De Bijbel is geen: ketters Boek hoor, maar het is het Woord van God. Maar nog nooit hadden we dat Woord gelezen. Dat mocht immers niet? Maar we lazen dat Woord toch en... we voelden, dat dat de Waarheid was. Er stond een uitleg bij, zó helder, zó duidelijk. Ik wil daar nu verder niet over praten. Maar één ding, Joost. Elke avond lezen we uit dat Woord. Daar mag jij nu voortaan bij zijn en je mag vragen, zoveel je wilt. En we bidden, of de Heere het gebruiken wil, ook voor onze kinderen. Ik hoop, dat Gods Geest je dan ook zal laten zien, jongen, dat we de zaligheid nooit zullen kunnen verdienen door ons kerkgaan, ons biechten en... ons betalen. Alleen door een waar geloof in de Heere Jezus kunnen we zalig worden. Daar hoeft, maar daar mag ook helemaal niets meer van ons bij. Wat is dat een les, jongen. Maar dat hopen we je nog wel verder uit te leggen. Alleen nog één ding, Joost, en dan moet je nodig naar bed: beloof je, dat je nóóit, nóóit zult laten merken, dat we een Bijbel hebben? Je hebt al gemerkt, dat de mensen wat denken, ómdat we niet meer in de kerk komen. Zul je voorzichtig zijn, Joost? Zul je om vader en moeder en de kinderen denken? ”
„Ja vader." Meer kon Joost niet zeggen, maar hij kneep hard in vader hand, die op de tafel lag.
Wat zou de toekomst brengen?
wordt vervolgd
Benthuizen
A. Vogelaar-van Amersfoort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1981
Daniel | 28 Pagina's