DE PELGRIM
Ik ben een vreemdeling, 'k Voel me hier niet thuis; 'k Ben zo ver van huis.
Men vindt me een zonderling, Omdat ik anders denk, En aan 't aardse weinig aandacht schenk.
Men noemt me een enkeling. Temidden van de mensen, Die geheel and're dingen wensen.
Och, mag ik zijn Uw gunsteling. Dat is mij meerder waard, O Heer', dan 't fijnste goud op aard’.
Dan reis ik als de kamerling, Met innerlijke blijdschap voort, Naar 't hemels, zalig oord.
Want 'k ben ook een sterveling, 'k Ca straks vanuit de tijd, Naar de eindeloze eeuwigheid.
Ben ik dan een hemeling? Wonder van gena, o Heer', En dan geen pelgrim meer!
(Uit de kerkbode van de Hoekse Waard)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1981
Daniel | 28 Pagina's