VLAMIR VINDT EEN SCHUILPLAATS
Vervolgverhaal deel III
De winter is voorbij, Iwan staat weer gereed om naar de stad te varen. Opnieuw is zijn boot volgeladen en ligt diep in het water. „Tot over vier weken, Vlamir. Kazan, zul je goed op het baasje passen? "
Noeska krijgt nog een aai en na een laatste handdruk stapt Iwan aan boord, trekt .de motor aan en tuft weg. Vlamir en Kazan kijken hem na tot de grote bocht in de rivier hem aan hun ogen onttrekt.
„Woef", bast de hond. 't Is alsof hij zeggen wil: „Die is weg."
Langzaam draait Vlamir zich om. Jammer dat hij nog niet mee mag.
„’t Is echt nog niet verantwoord, Vlamir", had Iwan gezegd op zijn vraag of hij niet meekon. „Ik heb immers geen goede papieren voor je. Het is amper anderhalf jaar geleden dat je gevangen genomen werd. Je , bent wel veel veranderd sinds die tijd. Je eigen buren zouden je niet meer kennen denk ik. Zestien jaar ben je nu, maar je lijkt veel ouder. Toch vind ik het te gevaarlijk je nu al mee te nemen.”
Iwan was onverbiddelijk geweest zijn beslissing.
„Kazan blijft weer bij je. Ik zou hem trouwens niet eens mee kunnen nemen, want ik heb daarginds gezegd — en hij had bij deze woorden stroomopwaarts gewezen — dat hij dood was. De mensen met wie ik nu al jaren zaken doe, vonden het vreemd dat ik zonder Kazan kwam. Als we een jaartje verder zijn, zullen we wel zien, jongen.”
„Woef”, klinkt het voor de tweede keer. Vlamir legt zijn hand op de kop van de hond.
„Ik kom hoor, Iwan zal wel gelijk hebben. Maar Kazan, ik wil zo verschrikkelijk graag weten of mijn vader nog leeft. En Iwan heeft zoveel vrienden in de stad, mensen die het halve land afreizen voor hun zaken. Het zou best kunnen dat één van hen iets over vader weet. Misschien heeft hij alleen maar een paar jaar gevangenisstraf gekregen. Of — en hier aarzelt Vlamir even — misschien is hij al vrij. Vader was de beste monteur van ons dorp, Kazan. Het lukte hem altijd kapotte machines weer te herstellen en de oudste motoren weer op gang te krijgen. Daar heeft hij kort na de oorlog een onderscheiding voor gekregen. Het kan toch best zijn dat de rechter hem daarvoor vrijgesproken heeft.”
Kazan duwt zijn natte neus tegen Vlamirs hand en Noeska schuurt haar kopje tegen zijn been. 't Is alsof ze hem een beetje willen troosten, alsof ze zeggen willen „Toe nou Vlamir, houd maar moed, wat is nou een jaartje.”
De zon breekt door op Vlamirs gezicht. Hij zet met een zwaai het poesje op zijn schouder en neemt de kop van de trouwe viervoeter tussen zijn handen. „Kom", roept hij vrolijk, „we gaan een vreugdevuur maken van de ouwe kranten die Iwan van de herfst mee heeft gebracht, We hebben ze allemaal uitgelezen, het kan nou wel.”
En terwijl Vlamir met de kranten ook een heleboel rommel verbrandt en Kazan en Noeska samen stoeien op het jonge gras bij de hut, tuft Iwan stroomopwaarts in zijn boot, volgeladen met stapels huiden van het wild dat hij samen met Vlamir deze winter heeft ge-
vangen. De kostbaarste vacht ligt wat apart, onder de roeibank. Het is de dichtbehaarde huid van de beer, die even voorbij de bocht in de rivier geschoten werd.
De nieuwe hut
De dagen, weken en maanden vliegen voorbij. De seizoenen wisselen in een altijd durende regelmaat en nóg is Vlamir niet meegeweest op Iwans reizen naar de stad. Noeska is een grote poes geworden en baast over Kazan, die zich dat goedig laat welgevallen. De muizen die de grond onder en om: de hut al jarenlang als hun partikulier bezit hebben beschouwd, zijn al lang verdwenen, zo heeft Noeska huisgehouden onder haar aartsvijanden. Op een boomstomp bij de rivier zit Vlamir. De zon schijnt warm op zijn rug en tovert gouden ribbeltjes op het traag voorstromende water. Gisteren is Iwan vertrokken, zijn boot vol huiden.
„Nog één keer ga ik alleen Vlamir." Hij had van zijn vorige reis een fototoestel meegebracht en het rolletje dat erin zat volgeschoten met foto's van Vlamir.
„Er is er vast wel één die als pasfoto kan dienen", had hij gelachen. „Straks heb je prima papieren en kun je zonder narigheid met me mee. Maar eerst gaan we verhuizen joh."
Verhuizen! Vlamir gaat even verzitten. Niet zo heel ver van de oude hut hebben ze een nieuwe gebouwd. Alleen ingewijden kunnen hem vinden. Toch is hij een flink stuk groter en hoger dan de oude. Twee kamers heeft hij en een zoldertje. Vlamir fluit Kazan en maakt zijn boot los. Als hij nog maar net afgestoken is, komt Noeska aanrennen. Met een sierlijke sprong komt ze veilig in de boot terecht.
„De kapitein is aan boord, we kunnen varen", zegt Vlamir lachend. Iiij buigt zich over de riemen. „Op naar ons nieuwe huis, Kazan."
Gratie
Terwijl Iwan met zijn huiden op weg is naar zijn vrienden in de stad, wordt in kamp 404 een gevangene vrijgelaten. Met zijn schamele bezittingen in een oud kussensloop geknoopt, verlaat Peter Willimowitsch de poort. Vrij!
Buiten het hek staat een vrachtwagen met ronkende motor te wachten. Peter stapt achterin de bak. Met een schok trekt de wagen op.
Dat heeft Maria niet gedaan
„Dat, was het Vlamir." Naast elkaar, op een stevige houten bank zitten Iwan en Vlamir met hun rug tegen één van de zijwanden van de nieuwe hut. Vlamir heeft zijn vingers zó vast om de rand van de bank geklemd, dat de knokkels wit zien. Zijn gezicht wordt beurtelings rood en bleek. „Ik, ik is het echt waar, Iwan? ”
In zijn stem klinken de tranen door die hij snel met zijn hand wegveegt. Iwan doet alsof hij niets merkt. Hij stopt rustig zijn pijp en steekt er de brand in. Een dichte rookwolk uitblazend zegt hij: , , 't Is echt waar jongen en ik heb hem gesproken.”
Vlamir staat op en blijft even als in gedachten staan. Dan zegt hij kort: „Ik moet even weg.”
Iwan kijkt hem na als hij het smalle paadje afgaat dat van de hut naar het dichte bos loopt. Hij puft opnieuw een rookwolk uit en Staart die na tot hij tussen de takken van , de bomen verdwijnt. In gedachten beleeft hij weer die onverwachte ontmoeting in het huis van Joseph Brokov, de huidenkoper. Hij was langer in de stad gebleven dan het plan was en zou de laatste nacht bij zijn vriend doorbrengen. Toen hij tegen acht uur bij Joseph binnenstapte was er bezoek. Een magere man met een donkere volle baard, die al flink begon te grijzen, zat tafel te eten. „Dit is een vriend van me, Iwan. Peter Willimowitsch.”
Iwan klopt zijn pijp uit tegen de hakVan zijn laars en gaat even verzitten.
„Peter Willimowitsch!" Hij voelt weer de schok die door hem heenging bij het horen van die naam. De man wa's gaan staan en had hem zijn hand toegestoken. Maar hij had niet gereageerd op dat gebaar.
„Hebt u een zoon die Vlamir heet? "
had hij abrupt gevraagd. Direkt daarop had-hij spijt van zijn ondoordachte vraag, 't Leek even alsof de man flauw zou vallen, zo bleek werd hij, maar hij herstelde zich wonderlijkvlug.
„Ja, wat weet u van hem? ”
Het was al ver na middernacht eer ze naar bed gingen en de klok sloeg vier uur toen hij in een onrustige slaap viel. Om zeven uur was hij weggevaren, zijn boot tot aan de rand toe geladen met alles wat maar nodig was voor het komende half jaar.
„We komen je na drie dagen achterop,
Iwan”, had Joseph gezegd. „Bereid de jongen eerst maar langzaam voor.”
Iwan loopt het smalle paadje af, het dichte bos in. Ieder ander zou verdwalen in het naar 't 'schijnt ondoordringbare woud, maar Iwan loopt zonder aarzelen door. Onverwacht staat hij aan het water. Zijn volgeladen boot ligt er nog net eender als toen hij een anderhalf uur geleden aankwam. Kazan komt hem kwispelstaartend tegemoet. Met een glimlach ziet Iwan hoe Noeska ineengerold ligt op een dikke streng touw. Ze wordt niet wakker als hij de boot begint uit te laden. Met een grote baal meel op zijn schouder loopt hij terug, op zijn hielen gevolgd door Kazan, die af en toe niet begrijpend omkijkt naar Noeska die rustig doorslaapt. Als ze bij de hut aankomen, zit Vlamir weer op de bank. Hij helpt Iwan de zware zak meel op het zoldertje te brengen. Als ze achter elkaar het smalle laddertje afdalen, zegt hij: „God heeft vader bevrijd, Iwan. Dat kan Maria niet gedaan hebben, want ik heb het haar nooit gevraagd.”
Wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1981
Daniel | 28 Pagina's