VRAGEN.... EEN UNTWOORD
In Amerika en Canada zijn ook verschillende jeugdverenigingen van onze gemeenten. Deze verenigingen hebben een eigen blaadje: „Insight into " Wij hebben daaruit het volgende artikel in het nederlands bewerkt. Het administratieadres van het blad is: Miss M. van Wyk, P.O. Box 42, Norwich, Ontario, Canad, NOJ IPO.
In onze dagelijkse gesprekken stellen wij veel vragen. Een kleuter stelt reeds de bekende „waarom-vragen". En hoe ouder we worden, hoe meer vragen we hebben. Ik zou durven zeggen dat vragen stellen iets „natuurlijks" is. Maar laat de Bijbel vragen van jonge mensen toe? Mogen wij vragen stellen?
Bij de instelling van het Pascha in Ex. 12 kreeg het volk via Mozes de opdracht om het Pascha te onderhouden ook nadat ze in het beloofde land zouden zijn gekomen (vers 25). Mozes zegt dan verder in vers 26: „En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst? " Er werd dus een vraag verwacht. Mozes zegt niet: „Als zij het durven wagen om te vragen", maar „zij zullen vragen”.
In Jozua 4 : 6 vinden we een soortgelijke vraag. Toen de twaalf gedenkstenen opgericht werden, zei Jozua: Opdat dit een teken zij onder ulieden, wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: at zijn u deze stenen? " Ook hier is dus sprake van een vraag die verwacht werd. Samen met deze vragen werd ook een antwoord gegeven.
Verkeerde vragen
Het is dus duidelijk dat we volgens de Bijbel vragen mogen stellen. Sluit dit alle vragen in? Zijn er verkeerde vragen of vragen die niet toelaatbaar zijn?
Wat was de eerste vraag in de Bijbel? We kunnen die vinden in Gen. 3:1: Is het ook, dat God gezegd heeft: ijlieden zult niet eten van alle boom van deze hof? " Het was de vraag van de slang aan Eva. Nog een voorbeeld lezen we in Matth. 22 ; 35. Daar lezen we dat een wetgeleerde Jezus een vraag stelde, „Hem verzoekende". Wat was het doel van deze twee vragen? In het eerste voorbeeld wil de slang twijfel zaaien in Eva's hart, dus Gods woorden in twijfel trekken. In het tweede voorbeeld is het doel van de vraag Jezus te verzoeken. Zulke vragen mogen niet gesteld worden. Denk daaraan als je vragen stelt.
Laten we ook eens kijken naar de vraag van Dclila in Richteren 16 : 15: Hoe zult gij zeggen: k heb u lief, daar uw hart niet met mij is? " Delila had Sim.son al vele malen gevraagd om het grote geheim van zijn kracht te vertellen, want zij zou veel geld krijgen als zij dat te weten zou komen. Telkens was het tevergeefs. Ze vroeg naar het bewijs van zijn liefde. Maar dat was niet de werkelijke reden. In deze vraag bedoelde ze zichzelf en Simsons ondergang. Stel jij ook wel eens zulke vragen?
Waarom worden er vragen gesteld?
De koningin van Scheba ging naar Salomo met veel vragen. Ze wilde inlichtingen hebben. Jozef vroeg aan zijn broers hoe het met hun vader en familie ging; ook hij wilde bepaalde informatie hebben. De Catechismus onderwijst ons door middel van vragen en antwoorden. Vragen kunnen en mogen gesteld worden om kennis te verzamelen of om onderwezen te worden.
Aan wie kunnen wij vragen stellen?
Het is duidelijk dat we verkeerde inlichtingen krijgen als we met onze vragen naar de verkeerde persoon of plaats gaan. De mensen in Jeruzalem vroegen op de Pinksterdag: „Wat zullen we doen mannenbroeders? " Wat zou er gebeurd zijn als ze met deze vraag naar de farizeeërs zouden zijn gegaan? De stokbewaarder had ook een vraag: „Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? " Wat zou er gebeurd zijn als deze man naar een wetgeleerde zou gegaan zijn met deze vraag? Nlcodemus had ook een vraag toen hij in de nacht naar de Heere Jezus ging. Zou hij een goed antwoord gekregen hebben, als hij naar Kajafas, de hogepriesters, was gegaan? Het is dus een groot verschil naar wie we gaan met onze vragen.
Toen Rehabeam koning werd in de plaats van zijn vader Salomo, had hij raad nodig. Hij ging naar de oudsten en vroeg: „Hoe raadt gijlieden., dat men dit volk antwoorden zal? " Nadat de oudsten hem raad hadden gegeven, ging hij naar de jongelingen. Die gaven hem ook raad (1 Kon. 12). Rehabeam volgde de verkeerde raad op en wat gebeurde er? Zijn problemen werden steeds groter. Gaan wij ook met onze vragen naar onze vrienden zoals Rehabeam? Dat is niet verkeerd, maar het is wel belangrijk dat we weten wie onze vrienden zijn. Zijn ze bezorgd over onze welstand? Zijn het vrienden die in nood helpen?
Salomo zegt: „... bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet." Hij plaatst je ouders hoog op de lijst van mensen naar wie je kunt gaan met je vragen. Naast je ouders kunnen we je grootouders en je leraren noemen, mensen die het goede voor je zoeken, niet alleen voor het tijdelijke, maar ook voor het eeuwige leven.
Aan wie moeten wij vragen stellen?
De Heere Jezus zegt: „Ziet toe, en wacht u voor de zuurdesem van de farizeeën en Sadduceeën." Wat bedoelt Hij met „zuurdesem"? Jezus bedoelt de leer van de farizeeën. Ze waren vormelijk en zochten zichzelf te rechtvaardigen in hun godsdienst. Het is dus erg belangrijk naar wie je gaat met je problemen en vragen.
In alles wat tot nu toe gezegd is, hoop ik dat jullie iets missen. We hebben gezien naar wie je niet moet gaan en naar wie je wel kunt gaan. Maar naar wie moet je gaan? Het antwoord is duidelijk: En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere" (Jac. 1 : 5). Daar stopt de tekst niet: Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.”
Gods Woord geeft ons aanwijzingen hoe wij moeten leven. Als we dat niet zien, laten we dan naar Hem gaan en God vragen om wijsheid. Paulu's vroeg: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? " De Psalmdichter vroeg telkens weer: „Heere, leer mij." Misschien zeg je wel: „Mijn vragen liggen niet op geestelijk terrein, of niet alleen op geestelijk terrein.”
Dan zou ik je willen vragen: Wie onderwees Gideon in het oorlog voeren? Wie heeft No ach de kennis gegeven en het vermogen om een ark te bouwen? Wie gaf Daniël de kennis en inzicht om de dromen van de koning uit te leggen? Wie leidde de knecht van Abraham omi een vrouw te zoeken voor Izak? Salomo zegt: „Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.”
De antwoorden
Dit waren de vragen, nu de antwoorden. Als er vrienden naar jou toekomen met vragen, heb jij dan een goed antwoord? Vragen als: Wat geloof jij van de Bijbel? Wat van een leven na dit leven? Wat is zonde? Zo zijn er heel veel vragen. Heb jij een antwoord op zulke vragen? Als er vragen komen waarin jij verzocht wordt om aan de zonde mee te doen, k.un je dan antwoorden? Jozef kwam ook in zo'n situatie en zijn antwoord was: „... hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God." Je hebt antwoorden nodig en daarom moet je wel vragen stellen. Je leraar stelt vragen om te bepalen of je de besproken stof begrijpt en kent.
Je ouders stellen vragen. Ze zijn bezorgd over je, wat je gaat doen en waar je heen gaat. Je moet begrijpen dat je ouders een verantwoordelijkheid hebben aanvaard bij je geboorte en toen je gedoopt werd.
Kun jij antwoorden geven waardoor ze niet gegriefd worden?
Als je belijdenis des geloofs aflegt, worden er vragen gesteld. Besef je de ernst van deze vragen? Besef je de betekenis ervan en ook de verantwoordelijkheid zodra je een antwoord hebt gegeven?
Als je trouwt, worden er vragen gesteld: Belooft gij ? Deze vragen met de antwoorden worden zo gauw vergeten of de schuld wordt op anderen geschoven: hij zij het is gevolg van... ja, maar Vragen die gesteld worden bij de belijdenis of het huwelijk kunnen en mogen niet met een ja voor vandaag en een nee voor morgen beantwoord worden.
Jezelf vragen stellen
We mogen ook aan onszelf vragen stellen. Ik wil jullie wijzen op drie vragen: Wie ben ik? Waarom ben ik hier? Waar ga ik naar toe? Wanneer deze vragen met ernst beantwoord worden, met behulp van Gods Woord, dan zijn ze van grote waarde en blijven het vragen die we telkens weer moeten stellen.
God stelt ook vragen
In Zijn Woord stelt God vragen aan mensen, dus ook aan ons.
Aan Adam vroeg Hij: Waar zijt gij? " Aan Elia vroeg God: Wat maakt gij hier, Elia? " (1 Kon. 19 : 9). Aan Eva vroeg God: Vi^at is dit, dat gij gedaan hebt? ”
Kunnen wij een eerlijk antwoord gevenals God deze vragen aan ons stelt?
Jongens en meisjes, besef dat God ons deze vragen zal stellen als Hij rekenscliap gaat vragen van al onze daden. Ik hoop dat ik jullie stof gegeven heb om na te denken. Stel je vragen die je hebt. Geef eerlijke antwoorden en houd altijd in gedachten dat God je hoort en ook dat Hij weet wat er in je omgaat. Alle problemen mag je bij Hem brengen door het gebed. Vraag Hem om licht en verstand op je levensweg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1981
Daniel | 28 Pagina's