JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VLAMIR VINDT EEN SCHUILPLAATS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VLAMIR VINDT EEN SCHUILPLAATS

Vervolgverhaal deel II

7 minuten leestijd

Heb je de baas gevonden?

Twintig minuten varen stroomopwaarts van de vissershut ligt een tot aan de boorden volgeladen faoot. Zorgvuldig met zeildoek omwikkeld steekt de buitenboordmotor schuin als een stijve vlag boven de achtersteven uit. Op een rol touw ligt een poesje, het slaapt.

De eigenaar van de boot is nergens te bekennen. Het lijkt erop of hij met grote haast zijn scheepje heeft verlaten. De riemen zijn achteloos neergesmeten, één binnen-, één buitenboord. Op de roeibank ligt een half opgegeten homp brood en in de met een dun laagje rijp bedekte oever staan de voetstappen van iemand, die met grote sprongen in het dichte struikgewas is verdwenen.

Over de rivier valt in schuine stralen het licht van een nevelige herfstzon. Het wateroppervlak is glad als een spiegel, een flauwe windvlaag doet het af en toe even rimpelen en de bladeren van de bomen zacht ritselen. Dat laatste is het enige geluid in de stille ochtend.

Plotseling weerklinken kort na elkaar twee geweerschoten. Het poesje licht haar kopje op, twee helblauwe oogjes kijken wat verwonderd rond. Even lijkt het alsof het diertje op wil staan. Het rekt zich uit, geeuwt hartgrondig, maar rolt zich weer op en 'slaapt rustig verder

Nog geen tien minuten later komt een man dwars door de struiken naar de boot. Over zijn schouder draagt hij een dubbelloops jachtgeweer. Zijn gezicht staat vrolijk. „Ik heb hem Noeska, " roept hij, „nog geen driehonderd meter hier vandaan". Zijn grote hand streelt het poesje, dat genoegelijk gaat spinnen. „Hij stond zich vol te eten aan een bessenstruik. Als je niks zegt, , heeft Kazan de schoten gehoord, al's hij " De vrolijke stem zwijgt abrupt. Met woest geweld breekt er iets , door het struikgewas, een sprong in de boot... en een grote wolfshond zet zijn beide voorpoten op de schouders van de man.

Deze neemt de kop van de hond tussen zijn handen. „Kazan, ouwe jongen, heb je je baas gevonden? Waar is...”

De hond rukt zijn kop los, de haren in zijn nek staan overeind, zijn witte tanden blikkeren. De man begrijpt direkt wat er aan de hand is. Op de rol touw staat het poesje, de staart dik van boosheid, haar ruggetje gekromd, haar bekje wijd open.

Met een zwaai tilt Kazans baas haar van het touw en houdt het diertje vlak voor de grote hondekop.

„Dit is Noeska, Kazan. Ik heb haar meegebracht om op de hut te passen als wij op jacht zijn. Hoe vind je dat? " Kazan vindt het maar zo, zo en laat dat duidelijk blijken.

Plotseling schiet Noeska's voorpootje uit. De hond jankt en rent er als een pijl uit de boog vandoor.

Zijn baas lacht hem hartelijk uit en zet Noeska weer op het touw. Hij stoot de boot van de oever en roept: „Ga je mee Kazan? ”

De grote hond staat duidelijk in twee-

strijd. Hij ziet de strook water tussen de boot en de wal steeds groter worden. Nog even aarzelt hij. Maar als de baas hem voor de tweede keer aanspoort om mee te gaan, neemt hij een sprong en belandt voorin de boot, zover mogelijk van Noeska vandaan, die hem vanaf haar touwentroon hooghartig gadeslaat.

Had hij maar een Bijbel

Het is stil geworden in de vissershut. Tussen Kazans sterke poten ligt Noeska. Ze zijn al gauw goede vrienden geworden, de grote wolfshond en het vinnige poesje. Ook Iwan slaapt.

Maar Vlamir niet, hij heeft ook zoveel om over te denken. Vier lange' weken is Iwan weggeweest. De dagen zijn snel voorbijgegaan. Er was ook zoveel te doen.

De kleine roeiboot die ze samen gebouwd hebben, was nog lang niet klaar toen Iwan naar de stad ging om inkopen voor dé winter te doen.

Hij heeft er hard aan gewerkt, het is een praehtboot geworden.

Iedere dag heeft hij meer dan een uur geoefend met de boog die Iwan voor hem gesneden heeft. Nu schiet hij een vogel neer in de vlucht en mist nog maar zelden. Vele kilo's vis heeft hij gevangen en vakkundig gedroogd.

Hij heeft een grote voorraad houtblokken gekapt en — netjes opgestapeld onder de hut —• liggen ze te wachten op de winter. De dagen, ja dié zijn omgevlogen. Maar de al langer wordende avonden in de stille hut hebben erg lang geduurd. Hij is vaak vroeg naar bed gegaan, maar lang niet altijd direkt ingeslapen. Geluiden om de hut, waar hij nooit aandacht aan besteedde, hielden hem klaar wakker.

Dan was hij tegen Kazan gaan praten, die dicht tegen hem aan, al lang sliep. Hij vertelde hem over het dorpje waar hij gewoond had, over de school, over zijn vader en moeder, over de verborgen Bijbel.

Maar over de trein en de boot, over zijn verdriet en eenzaamheid en over de onzekerheid waar zijn vader zou zijn, daarover heeft hij Kazan nooit verteld. Dat heeft hij stilletjes aan de Heere gezegd, Die alles ziet en alles weet. Toen vanmorgen de schoten weerklonken en Kazan als een haas in de richting waar het geluid vandaan kwam, verdween, wist hij dat Iwan dichtbij moest zijn. Hij had gauw de boot losgemaakt en was hem tegemoet, gevaren. Voor de zoveelste keer gooit Vlamir zich op zijn andere zij. Ongelooflijk wat er uit. Iwans boot te voorschijn kwam. Meel, olie, zout, een braadpan, twee broeken en een dikke winterjas voor hem, tientallen blikjes melk, kogels, spijkers, lucifers, potten jam, een stapel oude kranten. „Hebben we 's avonds wat te lezen, " had Iwan gelachen. Toen de boot leeg was, zijn ze naar de beer gegaan. „Dat Kazan hem niet geroken heeft, begrijp ik niet, Vlamir. Ik denk dat hij teveel haast had om bij de baas te komen.”

Vlamir moet even lachen als hij aan het toneeltje denkt bij de gedode beer. Kazans nekharen stonden recht overeind toen hij lucht van het dier kreeg. Met een woedend gegrom schoot hij er op af en vloog het beest naar de keel. Ze hadden lachend toegekeken. Het duurde even eer Kazan in de gaten kreeg dat de beer dood was. 't Was alsof hij zich schaamde, zo droop hij af, z'n staart tussen de poten.

Het villen was een heel karwei, maar je kon zien dat Iwan het niet voor het eerst deed. De prachtige dikke huid hangt nu te drogen, uitgespannen tussen een paar berkeboompjes. Grote stukken vlees, boven het vuur gebraden, hebben ze onder het zorgvuldig opgevangen vet, in grote blikken bussen gedaan, die Iwan al jaren voor dat doel bewaart. Morgen zullen ze de beste delen die nog over zijn, roken. Vlamir legt de handen onder zijn hoofd, , , 't Is fijn bij Iwan", denkt hij, wat doezelig geworden, „als... als hij nou die ikoon maar wegdeed”.

Hij zucht, ’t Is zo moeilijk om het uit te leggen. Had hij maar een Bijbel, dan zou hij er Iwan elke avond uit voorlezen. Maar hij heeft niets dan het verkreukelde, bijna onleesbare blaadje dat hij ongezien opgeraapt heeft toen de soldaten hun Bijbel vertrapten en verscheurden. Het is te donker in de hut om iets aan de wand te kunnen ontdekken. Maar hij weet precies waar de ikoon hangt, hij weet nauwkeurig wat er op staat: Maria, die haar sluier boven de in een kerk verzamelde gelovigen houdt. Maria als voorspraak, Maria die beschermt.

Ja, had hij maar een Bijbel, dan zou hij, dan... kon... hij. Vlamirs ogen worden zwaar, zijn gedachten ebben weg. Had... hij... maar..., dan

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1981

Daniel | 28 Pagina's

VLAMIR VINDT EEN SCHUILPLAATS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1981

Daniel | 28 Pagina's