MIJN ZOON, GEEF MIJ UW HART . . .
O konden offers ooit Uw heiligheid behagen Gij had o Heer een trouwe knecht aan mij Maar geen geschenk heeft in Uw oog waardij Gij wilt ons hart, o God! Gij blijft het mijne vragen.
Gij wilt, dat dag aan dag Uw Woord mijn Gids zal wezen Mijn zielelicht, mijn hoogste Levenswet. Dat uur aan uur, met altijd vasten tred Het schaap de herder volg, uit allen uitgelezen.
Uw eis is recht, o God! De liefde moet me ontvonken. Gij wilt geen slaaf zien, maar een kind Dat willig dient, omdat het U bemint Deez offerand, o 'Heer! heb ik nog nooit geschonken!
Nee, Heere! ik wijdde U Nog mijn hart niet en mijn leven, De wereld ook maakt aanspraak op die twee Zo word ik als een bare van de zee in eindeloze strijd, al op en neer gedreven!
Breng Gij mijn ziel tot rust Gij God van vrede en orde! Neem heel mijn hart en al mijn wensen in! Voleindig Gij 't gezegende begin Opdat ik gans en al U heiige Tempel worde. . !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1981
Daniel | 28 Pagina's