VRAGENBEANTWOORDING REFERAAT BONDSDAG (vervolg)
We besluiten in dit nummer de vragenbeantwoording naar' aanleiding van het referaat over: „Het werk van de Heilige Geest", dat in mei j.1. op de bondsdag werdi gehouden. De eerste vragen werden beantwoord in „Daniël" van 26 juni. Er zijn nog enkele vragen overgebleven, die we nu willen behandelen.
Verschillende keren werd de vraag gesteld: „Wat is de! zonde tegen de Heilige Geest en hoe ktm je weten of je die zonde hebt gedaan? ”
Bij velen van Gods volk is die vraag ook niet onbekend. De vorst der duisternis kan hiermee krachtige aanvallen doen en in grote benauwdheid doen verkeren. „Voor mij is er geen vergeving meer", zegt zo'n aangevallene, „want ik heb tegen de Heilige Geest gezondigd." Welk een ontzaglijke vrees en angst kan er zijn deze zonde bedreven te hebben. En hoe voorzichtig moet hierin gehandeld worden. We willen uit zijn „Maandagse Catechisatiën" lezen wat Smytegelt hierover zegt:
„Vraag: Daar een sukkelend gemoed dikwijls bekommerd is of hij de zonde tegen de Heilige Geest ook begaan heeft, wat zoudt gij zulke sukkelenden antwoorden? Antwoord: Ie. Een generaal (algemeen) woord: gij zijt er bekommerd over; het kan dus niet zijn, dat gij het begaan hebt. 2e. Gij erkent ze niet; dat is er ook een bewij's' van. 3e. Het zou u zo bedroeven als gij wist, dat gij ze begaan had.
Ge kunt er wel strijd over hebben wegens godslasterlijke gedachten en pijlen van de duivel en dat gij toch die onvergeeflijke zonde niet zondigt. Een kind van God kan zo ver komen, als Petrus, dat hij nadat hij genade verkregen heeft, gruwelijk zondigt. Dit zeggen wij nu niet, opdat iemand te meer zou zondigen, maar om te onderwijzen.
Vraag: Welke is die onvergefelijke zonde?
Antwoord: Ie Dat iemand willens en wetens, vrij en frank van God afgaat, het Woord verzaakt, de religie afzweert, en dat, daar hij weet dat het de rechte en ware religie alleen is. 2e Dat zo een de Heere Jezus Christus gaat beliegen, belasteren, te schande maken en schelden, en dat vrij en frank. 3e Zo een gaat dan vervolgen hen, van wie hij weet, dat ze beter zijn dan hij. Zo een gaat dan haat en alle smarten aandoen degenen, die God vrezen. Kon hij ze uit de weg doen, gelijk Haman Mordechai, uit duivelse boosheid, hij liet het niet na. 4e Zo een is blijde, dat hij dat gedaan heeft. Zij waren blijde, toen zij Jezus-ter dood hadden gebracht. Dan gaan dezulken onberouwelijk verhard leven tot hun dood toe. Sukkelende zielen! wat maakt de duivel u toch al wijs! Zijt gij voor die zonde bevreesd? 't Is een bewijs dat gij ze niet begaan hebt, maar wacht u nu, dat gij het werk des Geestes niet bespot of voor geveinsdheid rekent. Dit wordt zo dikwijls gedaan. Men houdt de vromen voor farizeeën, en hun werk voor een werk des duivels. Maar de anderen, de goddelozen worden gestijfd en gesterkt. Wacht u, dat gij de Geest niet bedroeft, leeft naar dat Woord en zegt: „Naar dat Woord wil ik leven!” Uw banden zullen haast verbroken worden.”
Laten we, ook bij zeer verharde goddelozen, voorzichtig zijn in ons oordeel. Zouden wij niet geneigd geweest zijn te zeggen, dat bijvoorbeeld Manasse die zonde wei eens gedaan zou kunnen hebben? Hij werd echter nog een boetvaardige smekeling en God liet Zich van hem verbidden. Er moet echter wel nagegaan worden hoe het komt als iemand bevreesd is die zonde bedreven te hebben. Het kan bijvoorbeeld ook een psychische Oorzaak hébben. Na genezing boort men ze dan niet meer over die vrees spre-
ken. Maar, zoals gezegd, ook waar de Heere gaat werken, kan de duivel de-overtuigde in deze 'strikken doen verkeren. God moge de banden van die bestredenen verbreken.
Er was nog een vraag over de bekommerde en de verder geleiden, of „dit bijvoorbeeld in een huwelijk als de man een bevestigde en de vrouw een gekrookt riet is geen sanningen geven kan, doordat men elkaar niet zo verstaan zal.”
Zeker kan een gelovige die verder geleid is zó groot worden, dat hij de lammeren in de kudde niet meer ziet en ze spoedig vertrapt zouden worden. Maar als het recht is, zal d'e Heere die bevestigde juist zo-arm maken, als ze zien hun onbekwaamheid om na alle weldaden vruchten der dankbaarheid voort te brengen, dat ze wel eens jaloers zijn op de pas bekeerden die zo teer zijn, zo hartelijk kunnen schreien, zo oprecht hun keuze tonen in het willen dienen van de Heere.
Tenslotte werd nog gevraagd of u> e Gods werk niet te kort doen, als bijvoorbeeld in het gebed wordt gevraagd of de Heere nog zondaars zou willen bekeren, al was het ermaair één. Bij de Heere is immers een vólheid van genade?
Och of al het volk des Heeren profeten waren Als er een weinig liefde mag zijn in het hart, gunnen we allen de zaligheid. Als er wat geloof geoefend mag worden, zien we ook de ruimte voor de grootste der zondaren. We zijn verplicht voor allen te bidden, voor de ganse gemeente, maar ziende op onze schuld en onwaardigheid' zou het een wonder zijn als er nog één bekeerd! werd. Dat zal de bedoeling zijn als die uitdrukking wordt gebruikt.
Geve de Heere maar veel gebed om die krachtige, onwederstandelijke werking van de I-Ieiiige Geest onder ons, opdat Hij „water zou gieten op de dorstigen en stromen op het droge en Hij Zijn Geest op ons zaad zou gieten en Zijn zegen op onze nakomelingen." Moge hetgeen gesproken en geschreven is daartoe nog dienstbaar gesteld zijn, opdat de Heere erin verheerlijkt zou worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1981
Daniel | 29 Pagina's