JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN ANDER GEBED EN EEN „ANDER” LAND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN ANDER GEBED EN EEN „ANDER” LAND

BONDSDAGVERHAAL DEEL 2

11 minuten leestijd

En zo gaat na enkele dagen het kleine gezinnetje op reis. Lopend, zoveel mogelijk bepakt en gezakt. Vanuit de bergen, eerst naar beneden, naar vrienden in het dorp waar ze de eerste nacht zullen blijven.

Daarna gaat de reis weer verder, iedere dag een eindje. Ver kan oma per dag niet volbrengen. Steeds vinden ze gelukkig een plekje cm te slapen. Soms een huisje, waaruit ook al mensen weggevlucht zijn.

Neachom heeft zijn pijl en boog ook meegenomen en af en toe trekt hij met vader het bös in. Ze proberen dan beesten te schieten die ze eten kunnen. En zo komen ze na enkele weken aan bij de grote rivier. Soldaten zijn ze niet tegengekomen.

Neachom heeft onder de reis vaak nagedacht. „Waar zullen we toch heengaan? " Soms denkt hij: „Misschien wel naar het andere land, waar oma vaak van verteld: heeft. Misschien kom ik daar nu wel terecht. Wat zal het daar mooi zijn!" En Neachom bedenkt allerlei dingen die hij misschien zien zal. Daardoor krijgt Neachom steeds meer

zin in deze vreemde, lange reis. Bij d'e grote rivier vinden ze ook een plekje. Een huisje dat leeg staat. En vader merkt al spoedig bij een looptocht je langs de rivier dat er veel huisjes leeg staan. Dus ook van hier zijn er al veel mensen weggevlucht. Vader kijkt verder rond maar ziet. nergens mensen. Is hier zelfs niemand meer? Toch vindt vader één oud baasje in één van de huisjes. Iiij zit stil alleen binnen.

„Ja man, ik ben hier ook vreemd. Ik ben ook weggevlucht", zegt hij. „Ik kom ook uit de bergen. Maar hoe nu verder? Ik kan de rivier niet overzwemmen. En het is gevaarlijk ook. Er zwemmen niet alleen vissen maar er zijn ook krokodillen met hun grote bekken. Ik kan de rivier niet in.”

„Blijf bij ons", zegt vader. „Misschien kunnen wij iets vinden om aan de overkant te komen.”

Maar de volgende dagen gebeurt er niets. Geen boot wordt er gezien. Maar Neachom vertrekt elke morgen naar het water. Prachtig vindt hij het, die grote brede rivier. In de bergen waren ook wel rivieren, maar die waren veel smaller. Deze is zo breed! De ene morgen is hij stil en een andere morgen zie je golven over de grote stenen heen. Er is altijd wel iets te doen. Neachom verveelt zich niet. En als Neachom weer op een morgen langs het water loopt, denkt hij opeens:

„Ik kan toch wel de rivier over. Ik kan het best. Ja, zwemmen is wel gevaarlijk, maar ik ga op zoek naar een oude boot." En warempel, Neachom vindt een boomstam die al wat uitgehold is. Hij gaat er mee aan het werk. Er behoeft niet veel meer uit, dan kan Neachom er al in zitten. En wat stokken weet Neachom wel te gebruiken als roeispanen. Hij is wel wat gewend.

En die dag nog gaat Neachom in z'n eentje de rivier over. Het water is heel rustig. Neachom dobbert voort in zijn bootje.

„Weet je, ik heb zin om even mijn benen over boord te steken", denkt Neachom. Heerlijk even bengelen met je benen in het water. Maar even daarna ziet Neachom opeens wat bruins. Een oude boomstam, zeker. Maar dan hij ziet opeens de bek van een krokodil. „Snel mijn benen naar binnen", denkt Neachom. „Dit is veel te gevaarlijk. Voor zo'n beest is het maar een wipje of mijn benen zijn verdwenen." Daarna probeert Neachom snel de overkant te bereiken.

Wanneer hij aankomt, ziet hij een man staan met een groot net. Hee, dat moet een visser zijn. Neachom loopt direkt naar hem-toe.

„Meneer, ik wil u wat vragen, mag dat? Is het hier het andere land? Het land van God? ”

De man kijkt de jongen verbaasd aan. Het andere land? Het land van God?

„Nee, jongen, daarvan heb ik nooit gehorod." Neachom kijkt verder rond. Hij ziet niets bijzonders. En dan vraagt Neachom: „Wij willen hier heen, mijn vader en mijn moeder. Weet u ook of er een bootje is? ”

„Heeft je vader geld? ”

„Ja”, zegt Neachom. „Heel veel! Het zit in een kistje. Dus hij kan de overtocht betalen." „Goed, dan kan ik wel zorgen voor een bootje."

Dan wordt Neachom blij en snel vertrekt hij weer met zijn boot, terug over de rivier. I-Iij maakt weer hetzelfde tochtje. Maar aan spelen met zijn boot, denkt Neachom nu niet meer. Nu zo snel mogelijk terug naar vader en moeder om te vertellen dat er een boot is. Dat is ook fijn voor oma!

Vader en moeder zijn erg blij wanneer ze horen wat Neachom. gedaan heeft. Dan wordt spoedig alles klaargemaakt. Een boot komt om het kleine gezinnetje te halen. De oude meneer mag ook mee. Oma zit af en toe stil te kijken. Ach ze heeft zo lang in dit land gewoond. Moet ze er nu echt uit? Als vader haar zo ziet, zegt hij: „Kom moeder, niet te verdrietig. Het is goed dat we gaan. Hier kunnen we niet blijven wonen en terug naar de bergen kan ook niet."

Zo wordt de tocht gemaakt per boot over de rivier. Allen komen veilig aan de kant. Daar zoeken ze ook weer een huisje. Neachom heeft al wel begrepen, dat hier aan de overkant niet het mooie land begint waarover oma heeft verteld. Hij begrijpt dat dat toch iets anders is geweest.

Na een poosje weer gewoond te hebben in zo'n eenvoudig huisje aan de kant van de rivier, gemaakt van hout en bladeren, gaat vader op een dag op reis. Waar moeten ze nu blijven? Hier in dit huisje wonen, dat kan niet lang duren. Ook zullen ze spoedig geen eten meer hebben. En vader moet, toch ook wat verdienen? Wel merkt vader dat het

hier over de rivier niet gemakkelijk is, een goede woonplaats te vinden.

Dan komt vader een man tegen. Hij draagt een mooi pak, heeft een echte pet op. Vader denkt direkt: „Dat moet een belangrijke man zijn. Die weet vast wel iets over dit land."

Vader vertelt hem wat er gebeurd is. Hoe ze gevlucht zijn van boven uit de bergen. Dat ze niet meer in hun dorpje bleven vanwege de vijand.

Dan zegt d; e man: „Ja, ik weet hier wel een plaats, waar jullie kunnen wonen, maar daar wonen al veel mensen, dicht bij elkaar. Het is een groot kamp. Wél kan ik er voor zorgen, dat je daar heen kunt en je zult er eten krijgen. In dit land krijg je zomaar geen huis en werk. Wel ben je hier vrij van de 'soldaten, zoals die bij jullie zijn. Maar verder zal het hier voor jullie ook niet gemakkelijk zijn."

Met dit bericht komt vader thuis. Alle mooie gedachten van Neachom vallen in duigen. Het prachtige land waar oma van vertelde is hier helemaal niet, begrijpt 'hij.

En zo komt het kleine gezinnetje in een groot kamp. Het is een groot veld met een groot hek erom heen en daarin vele kleine huisjes. Wat een vreemde mensen, zo dicht bij elkaar! En kleine kinderen die huilen. En moeders die druk heen en weer lopen.

„O”, denkt Neachom. „Moeten we hier nu wonen? " Even denkt hij weer terug aan hun eigen dorpje, hoog in de bergen. Waar je de zon zo prachtig zag, waar je zo lekker kon spelen. En toen zijn vriendjes er nog waren, wat hadden ze toen vaak een plezier. Ja, dat is nu voorbij. Maar Neachom denkt ook weer aan de nachten, wanneer hij zo bang was voor het geluid van de soldaten. „Nee", denkt Neachom, „dan ben ik toch liever hier."

Al spoedig komt er een meneer op bezoek bij Neachoms huisje. Hij zegt: „Ik ben hier de dominee." Neachoms vader kijkt wat verbaasd, maar Neachom ziet, dat oma direkt een blij gezicht laat zien. „Nou", denkt Neachom, „dan zal het. goed zijn, want oma is verstandig en weet veel."

De dominee vertelt wat er zoal gebeurt in het kamp. „Neachom kan hier wel naar school. Dan kan hij leren lezen en schrijven. Er zijn veel jongetjes op school. En ook zijn er samenkomsten hier waar ik vertel uit een groot Boek.

Er wordt verteld' over een God die alles gemaakt heeft. Komen jullie ook? " Neachom ziet al dat oma er wel zin in heeft. Ook denkt hij weer aan haar mooie en soms vreemde verhalen.

Maar vader zegt: „Nee, voor de samenkomsten voel ik niets. Neachom mag wel naar school, laat hem maar wat leren. Misschien krijgt hij dan later wel werk in een grote stad. Ik voel niet voor nieuwe dingen en moeder, wil jij eens gaan luisteren daar? ”

„Nee”, zegt moeder, „ik ga er ook niet heen."

„Maar ik ga wel", zegt oma tegen de dominee.

Het wordt zondag en al vroeg in de morgen wordt er klokkengeluid! in het kamp gehoord. Neachom heeft al gehoord' van jongetjes in het kamp, dat dat betekent dat er kerk is. Een groep mensen komt dan bij elkaar in een grote tent. Neachom weet van oma, dat het zo vroeger ook gebeurde in haar dorp. En Neachom weet dat het na de vlucht van de zendeling anders geworden was. De mensen gingen veel vergeten en oma vond hun bidden niet goed. De mensen vroegen alleen om mooie spullen, bijlen en schoppen, mooie huizen en boten. „En", denkt Neachom, „hoe zou het hier zijn? Wat zouden ze hier horen in het kamp? ”

Oma wil hier weer naar de kerk en Neachom vindt het leuk om met oma mee te gaan. Ook denkt hij dat het goed is wat oma doet.

Er komen veel mensen bij elkaar. Oude mensen, vaders en moeders maar ook veel kinderen net zoals Neachom. De mensen gaan zingen, er wordt gebeden en ook wordt er verteld. Neachom luistert heel goed. En oma ook. De dominee vertelt over een ander land. Hij zegt: „Jullie zijn weg uit jullie eigen land. Je bent nu in een vreemd land. Jullie dachten misschien wel, in dat land zal het fijn zijn. Daar kun je veel kopen, daar is veel te zien.”

„Meneer”, denkt Neachom, „u zegt precies wat ik dacht. Ik dacht dat het hier een ander, een prachtig goed land zou zijn!"

Maar dan zegt de dominee: „Mensen, denk dat maar niet hoor. Je bent hier wel vrij en we hopen dat de vijand hier niet komt. Toch zal het hier moeilijk zijn voor jullie. Maar er bestaat wel een ander land, een goed land. En naar dat land' moeten we op reis gaan!"

Neachom luistert. „Toch een ander land? Hier is het niet, maar waar zal het dan zijn? ”

De dominee zegt: „Dat land maken wij niet met onze handen en voeten. In dat land zijn wij niet de baas. In dat land is één de baas, er is één Koning en dat is de Heere. En Hem moeten we leren liefhebben en dienen. Maar dan moeten we zelf niet meer de baas willen blijven. We moeten dan heel veel afleren. En je kan niet zomaar in dat andere land binnenstappen, je kan er niet zomaar heen op reis gaan.”

Dan vertelt de dominee hoe je toch inwoner kunt worden van dat andere land. Eén is er die je kan leren over dat land. Hij wil je na het sterven voor altijd een plekje geven. En weet je wat wij moeten doen? Er om bidden tot de Heere, de Koning van dat andere land. Wij moeten leren bidden niet om wat wij graag willen, maar of Hij ons hart zo wil maken, dat we gaan verlangen naar dat andere land. Dan is het land waar je nu naar toe gevlucht bent, niet meer het goede land. Dan bid je ook niet meer om mooie spullen. Maar dan is er een ander gebed.

„Heere, mag ik U eren, hier al en straks voor altijd in een ander land? " Over dat land, dat hemelse land, dat God gemaakt heeft, zullen we nog vaker nadenken met elkaar. Zullen we met elkaar hiervoor bidden? zei de dominee. Na de dienst loopt oma stil naast Neachom. Voor het huisje wachten ze even. „Neachom, wat we hier gehoord hebben was goed. Ik voel het. En het gebed was ook goed. Zo was het ook lang geleden in ons dorp. Geen gebed om allerlei mooie dingen. Nee Neachom, dit is een ander gebed. Vraag jij ook veel of God' ons dat ook wil leren.”

„Ja”, zegt Neachom en even kijkt hij oma aan. Dan gaan ze samen naar binnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1981

Daniel | 29 Pagina's

EEN ANDER GEBED EN EEN „ANDER” LAND

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1981

Daniel | 29 Pagina's