JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN ANDER GEBED EN EEN „ANDER” LAND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN ANDER GEBED EN EEN „ANDER” LAND

BONDSDAGVERHAAL

8 minuten leestijd

Neachom zit op een trapje voor zijn huis. Het is nog vroeg in de morgen. Het is een prachtige morgen. Van over de bergen komen de eerste zonnestralen juist tevoorschijn. Vanaf het trapje kijkt Neachom naar de tuinen die voor zijn huis liggen.

„Hè”, denkt Neachom, „wat zien de tuinen er weer mooi uit. Ik hoop toch, dat ik morgen op de markt weer eens wat meer verkoop”.

Neachom woont in een heel klein dorpje in de bergen. Hij gaat bijna elke dag naar de markt om. groenten te verkopen uit zijn tuin. Vader gaat soms ook mee. Hij werkt veel in de tuin. Veel geld hebben de ouders van Neachom niet.

Neachom heeft een klein houten raampje in zijn handen, met daarop wat stukjes blik vastgemaakt; hij heeft ook een grote spijker vast.

„Tang-ting, tang-ting". „Hee, dat klinkt eigenlijk best leuk", denkt Neachom. Af en toe laat hij alleen het geluid van de spijker op het blik horen en soms zingt hij zelf ook mee.

Als Neachom niet in de tuin werkt en hij ook niet naar de markt is, moet hij zich alleen vermaken. Hoe komt dat dan? Wel, de vrienden van Neachom zijn verdwenen. Met hun vaders, hun moeders en hun familie.

„Jammer hoor", vindt Neachom. In het dorpje dat toch al zo klein is, staan nu hier en daar lege huisjes. De mensen hebben de ramen en deuren dichtgeslagen. Ze hebben hun belangrijkste spulletjes meegenomen en ze zijn weggegaan. Waarom dan?

Weet je, vaak hoor je 's avonds als het donker wordt in het dorpje van Neachom hele nare geluiden. Het komt van ver. Het zijn geluiden van geweren en kanonnen. Je ziet niets, maar je hoort het goed. Nou als je dan in je bed' ligt en je hoort die geluiden van ver, dan ril je. En omdat die geluiden steeds dichter bij het dorpje kwamen, zijn er al veel mensen weggegaan.

Ze hebben hun spulletjes, en het geld dat ze verdiend' hadden, meegenomen. Ze zeiden: „Het gevaar van oorlog komt hier ook in de bergen, het wordt hier te gevaarlijk, we gaan weg. Wanneer ze hier komen, zijn we niet veilig meer. Of we moeten doen Vi'at de vijand zegt óf ze zullen ons doden.”

Maar de vader van Neachom had nog steeds niet gezegd: „Zullen we ook gaan? ”

Neachom durft het niet aan vader te vragen. Hij begrijpt veel dingen niet goed. Zou het komen omdat oma ook bij hen woont?

Neachom woont bij zijn vader en moeder en zijn oude oma. Zij kan toch niet meer vluchten! Lopen van dorp tot dorp! En dan de rivier, die m^oet je ook over! Over de rivier heen zul je pas in een vrij land zijn. Daar zul je geen last meer hebben van soldaten met hun lawaai.

Nee, Neachom weet niet v/at vader van plan is. Wel weet Neachom, dat in hun huis, in de eenvoudige kamer, boven op de plank een doosje staat. Vader heeft het zelf gemaakt van hout. En iedere keer als er geld gekomen is van de markt, stopt hij dat in het doosje. Hij zegt verder niets. Neachom wil wel eens graag in het doosje kijken, maar dat wil zijn vader niet. En als vader zegt, : „Dat gebeurt niet!", denk dan maar niet, dat Neachom nog iets vraagt.

„Hé”, denkt Neachom weer, „ik hoop echt dat ik morgen weer wat meer verkoop op de markt, want de verdiensten daar worden minder. Ook uit het grote dorp, beneden aan d.e berg, zijn al veel mensen verdwenen. Ook die zijn weggetrokken over de rivier." „Ach", denkt Neachom, „laat ik er nu maar niet meer aan denken. Ik ga maar weer naar mijn tuin, dan word ik weer blij.”

’s Avonds , dan vindt Neachom-het ook gezellig. Het gezin zit dan bij elkaar in het kleine huisje. In het eenvoudige kamertje op een houten bank, dichtbij het open vuur. Boven het vuur hangt een ijzeren pot, daarin maakt moeder altijdi maispap. Af en toe roert ze er door met een grote houten lepel en het ruikt zo lekker!

Ja, het eten van die lekkere pap vindt Neachom fijn, maar er is dan nog iets fijns. Want dan, zo zittend bij elkaar, gaat oma vertellen. En die oma kan vertellen!

De laatste tijd vertelt ze veel over vroeger. „Weet je, Neachom", zegt ze dan, „vroeger was het bij ons anders.

Toen was er in ons dorp een man en die vertelde ons hele mooie dingen. Hij vertelde vaak over een tuin en in die tuin was alles goed en mooi. Prachtige bomen waren er, groot, en klein, mooie bloemen in allerlei kleuren. En heel veel beesten. En weet je, Neachom, wat heel wonderlijk was in die tuin? Ja, ik begreep het eigenlijk ook niet goed, maar die man vertelde het ons en ik geloofde het. Daar liepen allerlei beesten, grote en kleine, gevaarlijke en. niet gevaarlijke beesten, maar het leek wel of ze allemaal vrienden van elkaar waren. Ze deden elkaar niets. En er waren ook mensen in die tuin en die mensen dienden ook iemand, een God. Ja, ik vond het altijd erg mooi Neachom, maar goed, goed begrijp ik het nog niet. En ook had die man het vaak over een ander land, waar we een plekje moesten krijgen. „Dit land", zei hij dan, „gaat voorbij, dit land waar we nu wonen blijft niet altijd ons land”.

Als oma zo vertelde, dan zag Neachom. het al, een ander land met mooie planten, met dieren, die elkaar niets deden. Waar niet dat nare oorlogsgeluid was, dat moest een fijn land zijn. En vaak clacht Neachom daarover na.

Maar Neachom wist ook dat die man die dat allemaal vertelde, verdwenen was. Gevlucht was hij, omdat de soldaten hem gevangen wilden nemen, toen hij een keer op een andere plaats was, wat verder weg.

Ook vertelde oma, dat de mensen van het dorp vaak bij elkaar kwamen.

„Ze gingen dan bidden en zingen en luisterden naar de vele verhalen. Toen de man weg was, hebben we het nog zonder hem gedaan. Maar het werd toen al vlug anders. De mensen wisten de verhalen niet goed meer en ook werd het bidden zo anders. De mensen gingen vragen om veel spullen en geluk in ons dorp. Dat moest God ons dan geven. Ik geloof niet, dat dat goed was. De verdwenen man deed het zo anders. Ik vind het zo jammer dat we niet meer weten, hoe het moet. Nu weet bijna niemand er meer iets van en ik ben al oud.”

Dan zwijgt oma en stil blijft ze een poosje staren in het vuur.

Zo gaan de dagen voorbij. Er gebeurt niet zoveel in het wereldje van Neachom.

Dan op een avonds als oma ook weer wat verteld heeft, zegt moeder: „We gaan maar naar bed.”

„Maar vader dan? " vraagt Neachom. „Moet hij niet naar bed? " „Nee, vader is even weggegaan", zegt moeder.

„Waarom? " vraagt Neachom. „Ik weet het niet precies. Hij is weggegaan om te kijken of hij zijn vrienden nog kan vinden, hier wat verder de bergen in."

Moeder zegt het wat ernstig en Neachom begrijpt wel dat er iets bijzonders aan de hand is. Maar hij vraagt niet verder.

Als Neachom-in bed ligt, hoort hij even dat nare geluid. „Boem-r—boemerder— boem". Dat schalt door de bergen heen. „Hè, wat naar", denkt Neachom.

’s Morgens is Neachom. al heel vroeg wakker en hij ziet dat moeder ook al uit bed is. „Hé, die is er ook vroeg bij, vanmorgen. Het is nog niet eens goed licht. Dan kan moeder toch nog bijna niets doen? ”

Neachom ziet dat ze steeds heen en weer loopt voor het raam en vaak probeert buiten iets t.e zien. Ha, maar even later kijkt ze blij als ze hoort dat vader binnenkomt.

„Gelukkig, man. Wat heb ik over je ingezeten. Je bent de hele nacht weggeweest!”

„Ja, ja", zegt vader. „Maar luister goed, wij moeten hiér ook niet meer blijven. Het kan niet meer boor, we moeten ook weg. Want ik heb het, gehoord vannacht, in de grote stad is opstand gekomen. De regering is weg, er zijn veel soldaten, er is oproer! Nee, dit gaat niet goed. Het zal nu niet lang meer duren of de soldaten zullen overal komen, ook hier in de kleine bergdorpjes. Ons huisje zullen ze ook niet voorbijgaan. Nu is het niet verstandig meer om hier te blijven." „Maar oma dan? ”

„Ja, we moeten haar meenemen. Laten we doen, wat we kunnen.”

Die dag is alles in rep en roer. Alles moet klaargemaakt, wat meegenomen kan worden. Voedsel dat een poosje bewaard kan blijven, moet mee. Vader vergeet ook het doosje niet dat op de plank staat.

En aan oma wordt het ook verteld. „Ach", zegt ze, „moet dat nou? Laat mij toch hier alleen.”

„Nee, oma, dat kan niet, u moet mee." „En", zegt Neachom, „ik kan u niet missen. Onderweg, als we overal moeten slapen, dan moet u ons blijven vertellen. Dan vergeten we wat van het nare om ons heen.”

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1981

Daniel | 28 Pagina's

EEN ANDER GEBED EN EEN „ANDER” LAND

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1981

Daniel | 28 Pagina's