DE OPENING VAN HET ZESDE ZEGEL
(OPENBARING 6 : 12-17)
Bij de opening van het zesde zegel worden ons rampen getoond die de wereld zullen teisteren (vers 12, 13, 14). „En ik zag, toen I-Iei het zesde zegel geopend had, en zie, daar toerei een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een harren zak, en de maan werd als bloed. En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een grote wind geschud wordt. En de hemel is losggewsken, als een boek, dat toegerold loordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
Hier krijgen wij dus te doen met een reeks geweldige natuurrampen. Er wordt hier gesproken over grote aardbevingen. Deze aardbevingen zijn al voorzegd door Amos, Ezechiël en ook door Joël.
Behalve aardbevingen zullen er ook zonsverduisteringen (vers 12b) en sterregens zijn (vers 13). Als de Heere Jezus spreekt over de tekenen van Zijn wederkomst noemt Hij ook deze aardbevingen en zonsverduisteringen. Daarom, moeten wij deze tekenen, die bij de opening van het zesde zegel geopenbaard worden, zien als een laatste waarschuwing aan ons. Het is een voorteken van het ontzettende onheil dat komende is op de dag van het oordeel. Met deze tekenen wil de Heere de mens zijn nameloze onmacht doen gevoelen. Tegenwoordig is de macht van de mens enorm groot en is de mens doorgedrongen tot in de allerdiepste geheimen van het heelal. De mens heeft de ontembare krachten in de natuur in zijn bezit genomen, zoals bijvoorbeeld met de atoomenergie, Maar door deze tekenen wordt de mens gekonfronteerd met zijn nameloze machteloosheid.
Als deze angstwekkende tekenen over de aarde zullen trekken en de bloedrode maan onheilspellend aan de hemel hangt, dan begint de mens die zich zo machtig waant te sidderen. Zeker, het K.N.M.I. zal alles kunnen verklaren en de seismografen zeggen precies waar de kernpunten van de aardbevingen zijn, maar ondanks dat alles begrijpelijk gemaakt wordt, zal de mens aangegrepen-worden door een waanzinnige angst. Het zal lijken alsof alle krachten van de natuur tegen hem in opstand komen. Zijn zelfverzekerdheid zal het begeven. De redelijke verklaringen van de natuurrampen zullen niet kunnen vertroosten. Wat zal er dan gebeuren als de aarde beeft en de zon verduisterd wordt? Vers 15: „En de koningen der aarde, en de groten en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken en in de steenrotsen der bergen.”
Er zal dus een massale vlucht zijn uit de flats en de volgepakte steden. Zover mogelijk weg in de veilige schuilplaatsen van de holen in de bergen waar ze wegkruipen voor zichzelf, voor hun geweten, voor God.
Door al deze natuurverschijnselen worden al die sterke mensen weer aan God, herinnerd. Onder die mensen zullen atheïsten zijn die hebben, gezegd: , , Ik gelo-of niet in God." Ze hebben gelachen en gesmaald maar - dan als de tekenen komen, zullen ze de zekerheid voelen dat God er is. Alle redeneringen helpen niet meer en de radio en t.v. kan niet meer aangezet worden om vergetelheid te zoeken want alles zwijgt door dit natuurgebeuren. Het is niet meer mogelijk een nevelgordijn te leggen tussen hen en God. Dan kruipt dia geweldige mens weg als een klein kind en zal zich verbergen in de holen zoals Adam zich verborg, achter de 'struiken van de hof. In die spelonken en holen zal die machteloze mens een vreselijke bidstond houden.
Wie bidden er? In de eerste plaats de koningen der aarde, d.w.z. die aan de top van de volkeren staan. Maar ook de groten, dat zijn de ministers; de rijken, dat is; de geldadel, d.w.z. de industrieën die het. ekonomische leven beheersen; de oversten over duizend,
dat is de militaire macht; de machtigen, op welk, gebied ook, op het gebied van de wetenschap en de sport. Daar zullen ook d.e zelfbewuste mensen zijn, bij wie geen spoor van aarzeling, te bespeuren was, naar wie iedereen luisterde en die grote beslissingen durfden nemen. Op die vreselijke bidstond zijn ook alle dienstknechten en vrijen: de ontzetting, die de mensheid aangrijpt slaat door alle klassen en tegenstellingen heen.
Onder die ontelbare bidders zullen mensen zijn die tijdens hun leven nog nooit hebben gebeden. Sommigen hadden het te druk om te bidden, anderen wilden niet bidden of hebben ermee gespot. De Heere had tot het gebed aangespoord en verzekerd dat om het bloed1 van Zijn Zoon het armste tollenaars-gebed verhoord zou worden, maar ze hebben niet gebeden en wellicht ermee gespot. Maar nu spot er niemand meer en niemand' vraagt of er tijd of gelegenheid is om te bidden. De spotters zullen dan het ernstigste zijn en die in de genadetijd niet wilden bidden, roepen nu het hardst.
Tot wie bidden deze mensen? Ze bidden niet tot God, maar ze bidden tot de bergen en de steenrotsen die allang zelf aan het wankelen zijn. In hun uiterste nood roepen die mensen tot de bergen en de rotsen om hen te helpen tegen die almachtige God die zo duidelijk spreekt in de tekenen. Normaal bidt een mens of God hem voor de steenrotsen wil bewaren maar hier wordt het omgekeerde gebeden. Hier worden de steenrotsen aanbeden om te bewaren tegen God, alsof die dode schepping uit Gods hand de mens kan bijstaan. Deze mensen voelen dat het te laat is om tot God te bidden. Hun geweten zegt hun dat ze God tevergeefs zullen zoeken, daarom horen wij uit die holen geen gebed tot Hem. Wiens liefste wens het is Zich over zondaars te ontfermen. Nu kunnen jullie nog tot I-Iem bidden en roepen: „Gij Zone Davids, ontferm U mijner." Zullen jullie straks tot deze mensen behoren: of staan in die grote schare, die niemand' tellen kan?
Waarom bidden die mensen of de steenrotsen hun zullen bedekken? Niet voor de vlammen van de hel, maar voor het aangezicht van Hem. die op de troon zit. Ze hebben eerst niet geloofd dat God' hen zag, maar nu voelen ze het als iets ondragelijks om door God gezien te worden. In het licht van dat Aangezicht zullen we zien wie ze zelf zijn. Dat Aangezicht had voor hen een hemel op aarde kunnen zijn, om te verkeren in Zijn gemeenschap, wordt nu een hel. In het licht van dat Aangezicht zullen ze zien dat ze Zijn Wet hebben vertreden en dat ze Gods Zoon door ongeloof hebben versmaad.
Ze roepen: „Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, die op de troon zit, en van de toorn des Lams; want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan" (vers 16 en 17)?
Is dat niet tegenstrijdig: de toorn des Lams? Het volle mysterie ligt. in deze twee woorden begrepen. Men kan Christus aan het kruis nagelen, , maar zelfs in Zijn ondergang is Hij overwinnaar. Wie tegen Christus in slaat, slaat Zijn voeten in d.e prikkels. Je kunt in dit leven met de Heere Jezus alles doen en alles over Hem zeggen, maar alles wat je tegen Christus doet, keert weer naar je terug. In die paar woorden: „de toorn van het Lam", is alles aangegeven wat ons; leven zo verantwoordelijk maakt. We kunnen hier langs Christus heen leven en we kunnen Hem op een wereldse of vrome manier verwerpen, we kunnen onszelf onder de klem van het Woord' uitwerken, maar denk eraan: er is de toorn van het Lam. Laat de schrik des Iieeren bewegen tot geloof. Jullie kunnen nu nog bidden tot, de Heere. Doe dat. Het-is echt het belangrijkste. Hij wil het armste tollenaarsgebed nog verhoren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1981
Daniel | 28 Pagina's