SCHEPPING EN VOORZIENIGHEID
Hel gaat in dit korte artikel niet over de schepping en, ook niet over de voorzienigheid, maar over het verband tussen schepping en voorzienigheid.. Schepping en voorzienigheid zijn namelijk twee werken Gods, die met elkaar in nauw en onlosmakelijk verband staan. Beide zijn geloofsstukken. Dat wil zeggen dat wij d.e schepping en de voorzienigheid: ooit kunnen verstaan door slechts gebruik te maken van ons verstand; immers: Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden" (Hebreeën 11 : 3). Overigens is het opmerkelijk, dat in de Apostolische Geloofsbelijdenis (de Twaalf Artikelen) wél gesproken wordt over de schepping („Ik geloof in God, , de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde"), maar niet over de voorzienigheid. In de Geloofsbelijdenis van Nicea ligt dat net zo: Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper des hemels en der aarde, aller zienlijke en onzienlijke dingen". Toch hebben Ursinus en Olevianus, de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, in hun verklaring over het eerste artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis opgemerkt: Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert . . ." Zij gaven dus de leer van de voorzienigheid een plaats in het leerstuk van de schepping. Guido de Brés heeft evenzo in de Nederlandse Geloofsbelijdenis de schepping in direkt verband gebracht met de goddelijke voorzienigheid (art. 12 en 13). En ook Johannes Calvijn behandelt, in zijn Institutie eerst de leer van de schepping (I, 14, 15) en vervolgens die van de voorzienigheid (I, 16-18). In vrijwel alle belangrijke dogmatische handboeken, die sinds .de tijd van de Reformatie door rechtzinnige theologen geschreven zijn, worden schepping en voorzienigheid in nauw verband met elkaar besproken.
Niet hetzelfde!
De vraag zou daarom kunnen rijzen: zijn schepping en voorzienigheid soms twee woorden voor een en dezelfde zaak? Het antwoord op die vraag m; oet ontkennend zijn. De schepping immers is dat onbevattelijke feit, dat „de Vader door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon, de hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen wanneer het. Hem heeft goedgedacht" (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 12).
Die schepping is geschied:
— Op Gods tijd. Die tijd is in de Heilige Schrift aangeduid met dat zo geheimvolle woord „in den beginne". Vóór dat begin was er niets. En dan moeten wij dat „niets" niet zó opvatten (zoals sommige wijsgeren deden) alsof het een bepaalde stof of substantie was, nee, vóór het begin was er geen enkele geschapen stof. Om die reden spreken wij — om alle misverstanden te vermijden — dan ook liever over de schepping „uit niet". Vóór het „in den beginne" was alleen God er, de Ongeschapene, de eeuwig Zijnde. Hij schiep in den beginne niet alleen de hemel en de aarde, maar ook de tijd. Die tijd werd geschapen toen de wereld tot aanzijn kwam, die tijd zal ophouden bij de jongste dag (zie Openbaring' 10 : 6).
— Door de drieënige God. De Vader immers wordt genoemd1 als de Persoon „uit Welke alle dingen zijn" (1 Korinthe 8:6). Van de Zoon wordt gezegd: door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn" (Kolossenzen 1 : 16). Van de Heilige Geest lezen wij: En de Geest Gods zweefde op de wateren" (Gen. 1 : 2). Toch wordt de schepping bijzonder toegeschreven aan God de Vader, zoals de verlossing wordt toegeschreven aan de Zoon en d: heiligmaking aan de Heilige Geest.
— Primair en sekundair. Met deze onderscheiding bedoelen wij, dat de Heere de hemel en de aarde in één .ogenblik schiep (de primaire schepping en dat Hij de woeste en ledige aarde daarna in zes dagen verder ordende (de sekundaire schepping).
Niet losgelaten
En wat is nu de voorzienigheid? In de eerste plaats willen wij erop wijzen, dat wij het woord voorzienigheid niet met een hoofdletter schrijven, als zou het een soort andere naam voor God. Zélf zijn. De voorzienigheid is een wérk van God, maar niet God Zelf. In bepaalde kringen heerst de gewoonte te spreken over de „Voorzienigheid" die iets besloten of gewild zou hebben. Die gewoonte is niet schriftuurlijk; als men zich realiseert, dat Adolf Hitier dit dikwijls deed moet het ons wel dubbel voorzichtig maken. Treffend en schriftuurlijk hebben Ursinus en Olevianus onder woorden gebracht in Zondag 10, wat zij verstonden onder de voorzienigheid Gods:
„De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, waardoor Hij hemel en aarde, mitsgaders alle 'schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, .dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.”
En in Guido de Brés' Geloofsbelijdenis lezen wij in artikel 13:
„Wij geloven dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar ze naar Zijn heilige wil alzo stiert en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt, zonder Zijn ordinantie.”
Het is zonder meer duidelijk, wat onze oude Gereformeerde theologen met de leer van de voorzienigheid' hebben willen belijden. God heeft Zijn schepping niet losgelaten! Dit bedoelde ook de Heere Jezus, toen Hij zei: Mijn Vader werkt tot nu toe" (Johannes 5 : 17). Wij weten op grond van de Heilige Schrift (hoewel elke catechisant wel weten zal, dat het wóórd voorzienigheid in de Schrift niet voorkomt), dat de Heere Zijn schepsel na de zesde dag niet heeft losgelaten, maar dat Hij met Zijn aanbiddelijke voorzienigheid alle dingen nog steeds onderhoudt, dat Hij door Zijn medewerking elk schepsel voortdurend de kracht schenkt voor elke daad die verricht moet worden, en dat Hij in Zijn wijze regering alle dingen leidt en bestuurt naar het doel dat Hij heeft bepaald. Met de drie gekursiveerde woorden in de zin hierboven hebben wij dan tegelijk: e drie daden van de goddelijke voorzienigheid aangestipt.
Gods vinger?
De schriftuurlijke gedachte dat God Zijn schepping nooit heeft losgelaten, dat er een hechte band1 is tussen schepping en voorzienigheid, heeft door de eeuwen heen onder het zware spervuur gelegen van vele wijsgerige of pseudowijsgerige stromingen. Toen Paulus eens op de Areopagus stond tegenover Epicureïsche en Stoïcijnse wijsgeren, bevond hij zich tegenover mensen die totaal afkerig waren van de gedachte dat God Zijn schepping nog onderhoudt. Epicurus immers (341—270 v. Chr.) had geleerd, dat de goden (als ze al bestaan) niet de minste bemoeienis hebben met het aardse leven van de mensen en dat dood dood is. Bij het sterven zou de mens naar ziel en lichaam voor eeuwig te gronde gaan. En Zeno, de stichter van de wijsgerige sekte van de Stoïcijnen had gezegd dat alles wat hier op aarde gebeurt, geleid en bestuurd wordt door een onpersoonlijke „wereldrede", en dat het hoogste ideaal van de mens is, dat hij , zich in volkomen gemoedsrust onderwerpt aan al de lotgevallen die de „wereldrede" over hem doet komen. In feite een leer van het blinde noodlot. De gedachten van deze oude Grieken, Epicurus en Zeno, zijn in de loop der eeuwen veelvuldig opgedoken, telkens in een nieuwe jas en onder een andere naam. Zo ontstond bijvoorbeeld in de achttiende eeuw in Engeland het Deïsme, met als belangrijkste woordvoerders Toland, Tindal en Locke. Het Deïsme had zeer hoge gedachten van de menselijke waardigheid en de menselijke rede. Het erkende weliswaar het bestaan van God, maar het achtte de mogelijkheid dat die God Zich bezig zou houden met de dagelijkse gang van zaken op deze wereld slechts in hoge uitzonderingen denkbaar. De mens is immers „mondig" genoeg, zélf zijn leven te sturen! Hoewel het Deïsme niet atheïstische wilde zijn, ligt het moderne atheïsme in feite in haar verlengde.
Tegenover deze oude en nieuwe opvattingen staat de schriftuurlijke belijdenis, dat God Zijn schepping niet losliet. Hij draagt alle dingen door het Woord Zijner kracht en onderhoudt Zijn 'schepping niet alleen, maar regeert haar ook. Oók de algemene, de wereld-en de vaderlandse geschiedenis bestuurt Hij. Met Zijn vinger schreef Hij ook de geschiedenis van onze natie. Het is de verdienste van mr. G. Groen van Prinsterer, dat hij dat in de vorige eeuw met zijn „Handboek der Geschiedenis van het Vaderland" op indrukwekkende wijze heeft aangetoond.
Tróóst biedt de gedachte aan de voorzienigheid Gods slechts, indien wij in meerdere of mindere mate iets mogen kennen van hetgeen Ur'sinus en Olevianus beleden aan het eind van het hierboven reeds aangehaalde antwoord uit Zondag 10: dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen". Als de Heere onze Vader is, wil dat zeggen dat wij kinderen zijn. En kind word ik alleen door geboorte; kind van God' alleen door wedergeboorte. Daarom beleden onze oude theologen ook, dat er een algemene voorzienigheid is die gaat over al het geschapene, een bijzondere voorzienigheid die gaat over de redelijke schepselen, en tenslotte een zeer bijzondere voorzienigheid', die gaat over de uitverkorenen. De laatsten mogen als rijke bate: van het geloof in Gods voorzienigheid hebben, dat zij bij ogenblikken in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar en voor het toekomende vertrouwend mogen zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1981
Daniel | 28 Pagina's