JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EN NU, NUNIA? (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EN NU, NUNIA? (3)

EEN VERHAAL UIT DE KERKGESCHIEDENIS

6 minuten leestijd

Plotseling denkt hij aan de God van Nunia, die zijn vrouw heeft genezen. In doodsangst klemt hij zijn handen in elkaar en smeekt om hulp. „O God van de christenen, help mij! Ik zal U dienen als U mij hieruit helpt!”

Als hij weer om zich heen kijkt, is het net of de nevel wat opgetrokken is. Achter zich ziet hij opeens een rotsachtige richel. Is dat een pad? Vlug stuurt hij zijn paard er heen. Ja, er is een uitweg! Het paard zoekt moeizaam zijn weg over de losse 'stenen. Maar het hos wordt dunner. En na een half uur gegaan te hebben, is hij weer op bekend terrein.

Mensen komen hem tegemoet. Het zijnzijn hovelingen, die hem overal gezocht hebben. Ze juichen, maar de koning zegt niet veel. Stil rijdt hij tussen hen in naar het paleis terug.

Zo vlug mogelijk stuurt hij een boodschap naar Bakar, dat Nunia moet komen. Als ze er is, vertelt hij tegen haar en zijn vrouw, wat er is gebeurd. Hij vertelt dat hij het besluit genomen heeft om haar God te dienen. „Maar iemand moet mij en mijn volk onderwijzen. En dat ben jij, Nunia!”

Nunia kijkt koningin Nino aan. Blijdschap overspoelt haar. Wat heeft God het goed gemaakt met haar. Nu mag zij het middel zijn, dat hier in Iberië het evangelie verkondigd zal worden. En zij had zich nog wel afgevraagd, hoe alles nu verder moest

Eindelijk 'stamelt ze: „Ik, heer koning? Maar dat kan ik niet, daar zijn leraars voor nodig.”

„Goed, ik zal keizer Constantijn verzoeken om leraars te sturen. Maar vertel mij vast wat je dan wél weet.”

Een glimlach kruipt om Nunia's mond. „Dat hoeft niet, heer koning, Ik ken iemand, die alles weet wat ik weet. Uw eigen vrouw... Laat die uw leermeesteres zijn!”

Hierna verandert veel in Iberië. Maar één is er, die niet met die veranderingen is ingenomen: generaal Bakar. Hoe meer mensen tot het geloof komen, hoe feller zijn haat wordt. Hij verbiedt Ghadani en Nunia het woord „Christus" uit te spreken in zijn huis. Hij verbiedt hen te bidden.

Als ze daar niet gehoorzaam aan kunnen zijn, 'straft hij hen. Tenslotte mishandelt hij hen zelfs en zet hen gevangen. Mevrouw Ghadani, die geen ontberingen gewend is, sterft. Maar zelfs dat kan hem niet vermurwen. Hij sluit Nunia op in een van de vunzigste kelders onder in zijn huis.

Een grote menigte mensen is samengepakt, in de nauwe straat voor het huis van Bakar, de generaal. Er klinkt ontevreden gemor, sommigen ballen hun vuisten. Allemaal kijken ze naar één punt, naar de kunstig gebeeldhouwde deur.

Het duurt lang. Zou het dan toch waar zijn, wat er gemompeld wordt? Dat Nunia, de christin, mishandeld wordt door de generaal? Zou het daarom zo lang duren — zou ze al dood zijn?

Soldaten van de koning doorzoeken nu het hele huis. De koningin had argwaan gekregen. Ze miste haar vriendinnen. Eindelijk hoorde ze, dat Ghadani was gestorven. Maar hoe? En waaraan? En telkens als ze een boodschap stuurde om Nunia, werd haar dienaar afgescheept met een of ander voorwendsel. De koning vertrouwde het niet. Hij liet Bakar bewaken. Nu wordt, zijn woning doorzocht.

Opeens rekken de mensen zich uit, De deur gaat open. Daar komt ze, Nunia! Gejuich zwelt aan, maar breekt even snel af als het begonnen is. Want is dat Nunia? Dat uitgeteerde meisje, dat wankelt tussen haar begeleiders? Een woedend gegrom klinkt steeds luider op. Enkelen dringen vooruit en willen in vervoering haar kleed kussen. Ze weert hen af met haar uitgemergelde handen. De koning laat Bakar halen. De woede van het volk laait fel tegen hem op.

„Dood aan Bakar! Dood aan Bakar!”

Bakar rilt. Hij begrijpt dat het afgelopen is. Hij probeert zich nog. te verdedigen, maar zijn argumenten maken het volk nog. bozer. Hoor, daar spreekt de koning het doodvonnis uit. Een scherprechter komt naar voren. Nu is er voor hem alleen nog maar de dood.

Nee, toch niet. Een tere gestalte buigt zich plotseling voor de koning neer. Het is Nunia. „Laat hem leven, heer koning! Geef hem genade, zoals Christus ons genade geeft...”

Ze richt zich op en zoekt steun tegen de muur. Een paar vrouwen schieten dichterbij en ondersteunen haar.

Bakar heft zijn hoofd op. Is er dan toch nog een kans? De: koning kijkt hem aan. „Goed dan", zegt hij. „Bakar, om wille van Nunia zal ik je sparen. Bid God dat Hij je vergeven wil.”

Na deze gebeurtenis heeft Bakar geen rust meer. Overal achtervolgen hem de zonden, die hij gedaan heeft. En hoe langer het duurt, hoe meer zonden hij ontdekt. Als hij tenslotte ziek wordt, vertroost Nunia hem iedere dag met het evangelie, totdat hij geloven mag, dat er bij Christus ook voor iemand1 als hij vergeving is te vinden.

Nunia zelf voelt zich echter langzamerhand zwakker worden. De folteringen zijn toch te veel voor haar geweest. Tenslotte kan ze niet meer opstaan van haar bed.

„Zo, Nunia, gaat. het nu een beetje beter met je? ”

Koningin Nino staat aan het bed van haar vriendinnetje en pakt haar hand. Nunia glimlacht en fluistert een groet. Ze is haast te zwak om te praten.

Zelf gaat de koningin na of Nunia goed verzorgd wordt. Of er vers fruit en fris drinkwater is. De beste geneesheren hebben haar al bezocht.

„Neem vooral goed je medicijnen in, Nunia", dringt de koningin aan. „Och..." zegt Nunia.

„Je moet toch beter worden!”

Nunia kijkt de koningin weemoedig aan. Ze is dankbaar dat ze zo goed verpleegd wordt. Maar zelf voelt ze dat ze sterven gaat. Ze heeft er viede mee. Haar taak hier op aarde is volbracht.

Koningin Nino huilt. Ze kan Nunia zo slecht missen.

„Kan ik dan niets meer voor je doen, kind? ”

„Toch wel Ik zou zo graag nog eenmaal het avondmaal vieren " „Maar dat kan, Nunia. Ik zal aan mijn man vragen dat zo vlug mogelijk in orde te laten maken.”

En zo gebeurt. Bisschop van Eustatius van Antiochië komt aan in het paleis. Daar doopt hij de koning en de koningin en leidt, aan Nunia's bed de viering van het Heilig Avondmaal. Nog eenmaal wordt ze vertroost door het eten van het brood en het drinken van de wijn.

Niet lang daarna sterft Nunia. Haar werk hier op aarde is voltooid. Ze is Zijn getuige geweest.

Dordrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1981

Daniel | 28 Pagina's

EN NU, NUNIA? (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1981

Daniel | 28 Pagina's