JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

S.G.P. G.P.V. R.P.F.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

S.G.P. G.P.V. R.P.F.

OVER GODSDIENTSVRIJHEID

9 minuten leestijd

Wat is nu eigenlijk' het verschil tussen SGP en GPV? En waarom moet er zonodig een derde kleintje bijkomen: de RPF?

Twee vragen die niet alleen tegenover „buitenstaanders" moeilijk te beantwoorden zijn. Ik denk dat ook veel lezers van Daniël er moeite mee zouden hebben om voor zichzelf de verschillen ni principes op een rijtje te zetten. Natuurlijk, iedereen weet dat het GPV een echt vrijgemaakte partij is. En juist dit feit, dat niet-vrijgemaakten in het GPV bijna niet uit de voeten kunnen, is één van de duidelijkse verklaringen voor het ontstaan van de RPF. Een typering van de RPF zou misschien kunnen zijn: je treft er veel verontruste gereformeerden, meer EO-gezinden en oud-AR-aanhangers aan. Daarnaast treffen we in de SGP mensen aan uit de meer rechtse flank van de gereformeerde gezindte.

Het echte verschilpunt

Deze kenschets is uiteraard uiterst oppervlakkig. Er wordt immers alleen op de buitenkant gelet, en dan nog maar zeer gedeeltelijk.

Wanneer wij de echte verschillen zoeken, komen we terecht bij de begrippen gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid. De redaktie legde aan mij het verzoek voor iets te schrijven over de houding van SGP, GPV en RPF ten aanzien van deze twee vrijheden. Uiteraard gaat het hierbij om de taak van de overheid volgens de opvattingen van deze politieke partijen. Heel precies geformuleerd zal in dit artikeltje dus verder geschreven worden over: hoe zien SGP, GPV, RPF de taak van de overheid inzake gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid.

(Bijgevolg komen de vele punten van overeenkomst en verwantschap niet aan de orde.)

Gewetensvrijheid

Naar mijn gedachten liggen er op het punt van de gewetensvrijheid geen verschillen tussen drie genoemde partijen. Het geweten is een persoonlijk iets. De overheid mag niet over iemands geweten heersen. Alleen het Woord Gods oordeelt ieders geweten. En door de Heilige Geest, die door Zijn algemene werkingen het geweten beïnvloedt door Zijn bijzondere zaligmakende werkingen het geweten vernieuwt. Dan zijn we echter op het terrein van de Woordverkondiging, dus van de kerk. De boodschap van zonde en genade uitdragen is niet de taak van de overheid, maar van de gemeente Gods. De overheid heeft volgens

onze Nederlandse geloofsbelijdenis echter wel de taak deze verkondiging te maken. mogelijk

Met het voorgaande is lang niet alles gezegd wat samenhangt met overheidstaak en gewetensvrijheid. Zo is onder andere de vraag te stellen in hoeverre de overheid vrijheid moet laten voor gewetensbezwaren (tegen bijvoorbeeld verplichte verzekeringen, inentingen, het vervullen van de militaire dienstplicht, e.d.). Toch heb ik de indruk dat ook op dit punt geen grote, en zeker geen echt principiële, verschillen bestaan tussen de drie protestantse partijen.

Godsdienstvrijheid volgens de RPF

Bij lezing van de politieke programma's van de drie voor ons op dit moment interessante partijen, valt op dat zowel het GPV als de RPF de vrijheid van godsdienst met name noemen. In beide verkiezingsprogramma's wordt duidelijk omschreven wat in dezen de taak van de overheid is. Vrijheid van godsdienst moet voor iedere burger door de overheid beschermd worden.

De RPF volstaat eigenlijk met deze algemene stelling. Vervolgens gaat het programma van deze partij schrijven over de taak van de overheid om vrijheidsbei emmerende ontwikkelingen tegen te gaan. Zo wordt met name genoemd „een tendens de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus als een vorm van diskriminatie te beschouwen". De overheid moet zo'n ontwikkeling voorkomen.

Verder luidt bijvoorbeeld het eerste aktiepunt van de RPF: „In de grondwet moet tot uitdrukking komen, dat de overheid in dienst staat van God en aan Hem gezag, ontleent. Dat het, gaat om Hem te dienen."

Samenvattend zien we dat de RPF de overheid ziet als Gods dienares. Dat deze overheid de godsdienstvrijheid voor iedereen moet beschermen. Dat diskriminatie van het christendom moet worden voorkomen.

Godsdienstvrijheid volgens het GPV

Ten aanzien van de visie op de godsdienstvrijheid zien we geen wezenlijk verschil tussen GPV en RPF. Ook het GPV-program schrijft dat de overheid in dienst van God staat, en dat deze afhankelijkheid van God tot uitdrukking moet worden gebracht in de grondwet. Tegelijkertijd moet de overheid de vrijheid van godsdienstig belijden handhaven. De GPV-ers denken daarop dan konsekwent door en brengen tot uitdrukking dat ook belijders van de Islam gelegenheid moeten krijgen om hun religie te beoefenen. Daar wordt aan toegevoegd: „Het verlenen van financiële steun door de overheid behoort echter evenmin als de subsidiëring van de christelijke kerken tot de taak van de overheid".

Samenvattend zien we dat het GPV de overheid ziet als Gods dienares. Dat deze overheid de godsdienstvrijheid voor iedereen moet beschermen. Dat de overheid in dezen strikte neutraliteit in acht dient te nemen.

Godsdienstvrijheid volgens de SGP

Wanneer we de SGP-visie op de taak van de overheid ten aanzien van de godsdienstvrijheid te weten willen komen, moeten we niet zozeer in het verkiezingsprogramma zoeken, maar meer in het program van beginselen. En daar komen we dan een opvatting tegen die toch wel aanmerkelijk verschilt van die van GPV en RPF. Ook voor de SGP geldt dat de overheid Gods dienares is. En daarom moet de overheid, zo gaat het SGP-beginselprogram verder, zorg dragen voor de naleving van Gods wet. In de uitwerking van deze gedachte legt de SGP er de nadruk op dat het hierbij zowel gaat om de eerste als om de tweede tafel van Gods wet. Zo moet de overheid „in alle samenkomsten het verbreiden van

beginselen die de eer Gods aanranden verbieden". De konsekwentie hiervan lijkt mij te zijn, dat volgens de SGP-visie de overheid het uitoefenen van bijvoorbeeld de islamitische religie zou moeten verbieden.

Samenvattend zien we dat de SGP de overheid ziet als Gods dienares. Deze overheid moet de kerk van Christus beschermen en alle valse godsdienst verbieden (althans de openbare uitoefening ervan).

Hét verschil

Het punt, van verschil tussen enerzijds GPV en RPF en anderzijds de SGP is hiermee duidelijk geworden. Het GPV zegt dat de overheid op het punt van de openbare uitoefening van godsdiensten strikte neutraliteit in acht moet nemen. De RPF vindt dit blijkbaar ook, maar vindt het daarbij nodig erop te wijzen dat de overheid ervoor te zorgen heeft dat het christendom niet in haar vrijheid belemmerd word.

De SGP daarentegen vindt dat de overheid (godsdienstige) samenkomsten waarin de eer Gods wordt aangerand, moet verbieden.

De vraag kan gesteld worden of dit verschilpunt in de politieke praktijk ook gevolgen heeft. Allereerst zal, denk ik, verschil blijken bij de behandeling van een mogelijke aanvraag om een moskee te mogen bouwen. Ik vermoed dat GPV en RPF akkoord zullen gaan, met de motivering dat de beoefening van de godsdienst een privé-aangelegenheid is. Anderzijds denk ik dat de meeste SGP-vertegenwoordigers tegen zouden stemmen. Zij zullen aanvoeren dat de overheid door toestemming te geven niet Gods eer bevordert, maar het tegendeel juist mogelijk maakt. Wanneer de Islam in een huiskamer beleden wordt, ligt dat buiten de verantwoordelijkheid van de overheid. Maar de bouw van een moskee en de openbare verbreiding van de Islam, daaraan mag in deze SGP-gedaohtengang de overheid als Gods dienares niet meewerken. Een opmerkelijk gevolg van boven gesignaleerd verschil treffen we aan in de verschillende verkiezingsprogramma's onder het hoofdstuk onderwijs. Zowel GPV als RPF voert een warm pleidooi voor de vrijheid van onderwijs, en dan wel in het bijzonder voor de vrijheid en gelijkstelling, van het christelijk onderwijs. Het GPV merkt dan verder nog op dat het gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs een eigen plaats inneemt, hetgeen de overheid dient te erkennen.

Deze. visie waarin het recht van vrijheid voor allen en dus ook voor eigene, c.q. christelijke wordt bepleit, treffen we zo bij de SGP niet aan. De SGP kiest als uitgangspunt dat de overheid heeft zorg te dragen voor bijbels onderwijs. Ook in het onderwijsbeleid moet de overheid dienares Gods zijn tot heil van het gehele volk. Vandaar het principiële pleidooi voor de openbare school met de Bijbel. „Nu dit, helaaas wordt nagelaten, en de openbare school niet meer onder het gezag, van dat Woord staat, moet er alle vrijheid zijn voor onderwijs dat zich op de Bijbel en de reformatorische belijdenisgeschriften baseert", zo vervolgt het SGP-verkiezingsprogram. En dan komt verder een pleidooi voor de vrijheid voor het christelijk onderwijs.

Beoordeling

Hoe moeten wij nu tegen dit verschilpunt aankijken? Twee overwegingen zou ik als afsluiting neer willen schrijven.

Allereerst moet. opgemerkt worden dat de positiekeus van GPV enRPF eigenlijkniet erg konsekwent is. Als men. schrijft over abortus, huwelijk en alternatieve samenlevingsvormen, kraken, milieubeheer kiest men stelling niet op basis van demokratische of menselijke overwegingen, maar vanuit het vaste uitgangspunt: de Bijbel. Zelfs in ekonomische en aanverwante problemen tracht men een beleid uit te stippelen dat aan de norm van Gods Woord voldoet. In allerhande zaken wijst men de overheid erop Gods dienares te zijn en dus naar Zijn normen en wetten te moeten regeren. Alleen op het punt van de godsdienst en de opvoeding (het onderwijs) verlangt men zulk een beleid niet van de overheid. Dan moet de overheid, neutraal zijn en ieder mens optimale vrijheid geven. De vraag naar konsekwentie lijkt mij in deze aan GPV en RPF gesteld te mogen worden.

Vervolgens, en dat vind ik de belangrijkste overweging bij mijn keuze, geloof ik met onze Nederlandse Geloofsbelijdenis (lees vooral art. 36 — onverkort! — er maar eens op na) dat het de taak van de overheid is alles wat God onteert tegen te gaan. De overheid moet het dienares van God zijn op alle levensterreinen tot uitdrukking brengen. Daarbij moet zij niet over gewetens gaan heersen. Ook niet de taak van

de kerk ter hand gaan nemen: de kerk moet Gods Woord verkondigen. Maar de overheid is er wel verantwoordelijk voor dat het openbare leven (en daaronder valt Ook het onderwijs en de uitoefening van allerlei goedsdiensten) tot Gods eer wordt ingericht. Want dan eerst wordt, het welzijn van mensen ech gediend.

Dat Gods Woord het hoogste gezag over alle mensen heeft geloven we wèl als we zending en evangelisatie bedrijven. Ook daardoor worden mensen van hun vrijheid en opvattingen afgemaand. Uit, kracht van Gods bevel en tot hun (eeuwig) welzijn. Zo ligt het ook (al betreft het dan alleen het uitwendige, publieke leven) met de taak van de overheid. Afhouden van de zonde is Gods opdracht en is tevens echt tot heil van het volk, want in het houden van Gods geboden ligt grote loon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1981

Daniel | 32 Pagina's

S.G.P. G.P.V. R.P.F.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1981

Daniel | 32 Pagina's