PAS OP... GEVAAR
Vol spanning, zitten de jongens en meisjes te luisteren naar mijnheer Renshorst. Wat is er aan de hand? Luister,
„Jongelui", zegt mijnheer, „vandaag geef ik jullie een bijzondere opdracht tijdens onze tekenles. Kijk, hier heb ik een vierkleurenpotlood. 'k Wil het graag aan één van jullie geven, maar 'k vind het moeilijk om een keuze te maken. Het kan ook op een andere manier, 'k Weet dat jullie graag tekenen. Nou, teken allemaal een ooievaar. We hebben de ooievaar pas uitvoerig besproken tijdens de biologieles. Jullie weten dus hoe de vogel eruit ziet. Wie van jullie de mooiste ooievaar tekent, krijgt het potlood. Ik hoop dat jullie het eerlijk doen. Niet bij elkaar kijken. Niet jaloers worden als straks je vriend of vriendin het krijgt. Jaloezie i's een groot kwaad, dat veel narigheid veroorzaakt. Probeer blij te zijn met degene die het straks in handen krijgt. Doe je best. Teken zo goed je kunt en wees blij met de blijden."
De tekenbladen en potloden worden uitgedeeld. Al gauw is iedereen ingespannen bezig. Ook Wouter. Hé, hij zou het vierkleurenpotlood zo graag willen hebben. Met dunne lijnen begint hij te tekenen.
Z'n snavel. Even wachten. Moet hij lang of kort? Hij weet het niet meer. Ook lastig. Maar wacht eens, hij heeft toch een plaatje van een ooievaar in zijn tas? Zal hij voorzichtig kijken? De verleiding is zo groot. Voorzichtig tast hij met z'n handen naar de plaats waar de tas staat. Ja, hij voelt het voorste vak. Het zit in het middelste. Voelen... voelen... Ja, hij heeft het. Wouter krijgt er een kleur van. Eigenlijk weet hij dat het niet mag. 't Is niet eerlijk. Even maar, denkt Wouter. Kijkt mijnheer niet? Nee, hij kijkt net de andere kant. Wouter kijkt vlug naar het plaatje. Hij ziet een lange snavel. Gelukkig, hij weet het. Z'n hart klopt vlugger dan normaal. Natuurlijk, zijn geweten waarschuwt. Wouter probeert tegen te spreken. Ach, toch niet erg om even te kijken. De leraar ziet het toch niet. Houdt Wouter geen rekening met de Heere? Met Hem, Die alles ziet? Die al onze gedachten kent? Denkt Wouter niet aan de woorden uit psalm. 139? „Wat ik beraad of wil betrachten, Gij kent van verre mijn gedachten "
Nee.
Mijnheer Renshorst kijkt, de klas in. Hij geniet als hij het stel zo intensief bezig ziet. Z'n ogen blijven rusten op Wouter. Wat ziet dat joch rood. Zou hij zo zijn best doen?
„Mijnheer, ik ben klaar."
„Zo Joanne", zegt mijnheer, „laat me eens zien, jij bent de eerste." Joanne brengt haar tekening bij mijnheer Renshorst. Het ziet er keurig uit. Al gauw volgen er meer. Wouter is ook klaar. Met een kloppend hart geeft hij hem ook aan mijnheer.
„Goed je best gedaan jongelui", zegt mijnheer met opgewekte stem. „Ik ga ze bekijken. Leren jullie de aardrijkskundeles vast. Straks hoor je de uitslag."
De boeken komen, op tafel. Toch wel moeilijk om je ineens te konsentreren op iets anders. De meeste kunnen niet laten om af en toe even op te kijken. Zou mijnheer het al weten? Nee, nog niet. Mijnheer Renshorst vindt het moeilijk. Er zijn hele goeie bij. Hij heeft de ooievaar van Wouter al een paar keer in handen gehad. Hoe kan hij die snavel zo precies nabootsen, denkt mijnheer. Ineens wordt de stilte verstoord door de stem van de leraar.
„Jongens en meisjes, ik weet het. Jullie hebben gelukkig allemaal je best. gedaan. Maar de allemooiste is deze."
Mijnheer Rgnsfrorst laat; één ooievaar zien. Wouter ziet het. Van hem. „Deze ooievaar-tekenaar krijgt het vierkleurenpotlood. De naam-is Wouter Wessel." Stilte.
„Kom Wouter."
Wat verlegen loopt Wouter naar leraar de leraar.
„Gefeliciteerd joh", zegt hij, „ik hoop dat je er veel plezier van hebt."
„Dank... dank... u... wel... mijnheer...", stottert Wouter.
Hij loopt er vlug mee naar z'n plaats. „En nu allemaal blij met de blijde", zegt mijnheer Renshorst.
De schooltijd verloopt verder rustig. Als de bel gaat, wordt er gezongen en gedankt. Daarna lopen ze allemaal door de lange gang naar buiten. Ook Wouter. Hij stopt het vierkleurenpotlood achter z'n oor.
Is Wouter uitbundig blij? Nee, eerlijk gezegd niet. Een stem van binnen zegt: „Ben jij er eerlijk aangekomen? " Dat maakt het zo akelig. Vooruit hoor, denkt Wouter niet meer aan denken. Hij zal wat vlugger lopen, dan is hij gauw thuis. Dan zal hij moeder laten kijken achter z'n Hij voelt, . Hé, waar is het? Weg. Tussen z'n kraag? Nee. Wouter voelt, voelt, maar hij vindt het nergens. Wat vervelend. Is hij het nu nog verloren ook. Dan terug om te zoeken. Al bukkend keert hij om. Hier heeft hij gelopen. Zoekend en schuifelend met zijn voeten loopt hij langs de kant van de weg. Wacht eens, ziet hij daar iets glimmen? De dop van het potlood? Ja. Hij raapt het vlug op. Gelukkig... gevonden. Ja, dat wel, maar is hij er gelukkig mee? Nee. Ineens zegt Wouter hardop: „Ik hoef het niet meer. Ik ga het terug brengen".
Echt? Ja, kijk, Wouter loopt naar school terug. De fiets van mijnheer staat er nog. Met bevende handen en knieën loopt Wouter door de lange gang naar het lokaal waar mijnheer Renshorst zit. Klop... klop... Wouter weet niet welke klop het hardste gaat, op de deur of in z'n hart. „Ja", wordt er geroepen. Wouter stapt binnen. Verbaast kijkt mijnheer Renshorst op. „Hé Wouter, jij hier? Wat is er? "
„Ik... mijnheer... ik heb het potlood niet eerlijk verdiend".
„Wat", roept mijnheer uit, „wat zeg je nu? "
„Mijn...h...h...eer", stottert Wouter, „ik heb naar een voorbeeld gekeken onder het tekenen. Ik hoef het potlood niet. Plet is niet voor mij". Hé, het is er uit. Wouter vertelt ook over het verliezen en het weer vinden.
„Jongen", zegt mijnheer zacht, „ik ben blij dat je terug komt. Doe zoiets nooit meer. Je kunt het weten als je iets verkeerd doet hé? Dan waarschuwt er bij ons iets vanbinnen. Je geweten. Heb je dat gemerkt? " Wouter knikt. „Gelukkig", zegt mijnheer, „het betekent pas op... gevaar. En dat gevaar kan van alle kanten komen. Deze keer begeerde je het potlood. Omdat die begeerte zo sterk was probeerde je het potlood op een oneerlijke manier in je bezit te krijgen. Wouter, toen jij je hart sneller voelde kloppen was er een dreigend gevaar. Als dat nou nog eens gebeurt in je leven, vraag je dan af, wat is het gevaar? Waarvoor moet ik oppassen? "
„Wouter, weet je waar het verkeerde allemaal vandaan komt? Uit ons zondig hart. Het is zo nodig dat we daar achter komen. Want dan, ja dan gaan we tot de I-Ieere roepen: „Heere, reinig mijn hart, maak het nieuw. Ik ben U kwijt, daarom doe ik zo verkeerd. Komt U bij mij inwonen Heere? " Dat is een goede begeerte. David zei ook: „Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken..." De Heere had David geleerd wat het belangrijkste was in dit leven. Daarom hield David aan, in het gebed, om te vragen of hij dichtbij de Heere mocht verkeren. Hoe dichterbij de Heere, hoe sterker de begeerte wordt om de wil van de Heere te doen. Dat is wandelen in de vreze des Heeren. En dat bewaart voor het kwade. Dan word je bang om iets verkeerd te doen. Dan ga je dieper nadenken. Dan hoor je nog meer de woorden: „Pas op... gevaar".
Gelukkig als je het nog hoort. Dan kun je om hulp roepen bij een Ander, bij de Heere. Als je iets op een verkeerde manier begeert, begin je al kwaad te doen. Wat is zo verschrikkelijk hard nodig voor iedereen? Een horend hart, om het verschil te weten tussen goed en kwaad. Net als Salomo. Lees 1 Koningen 3 : 5 - 15 maar eens. Wijsheid van de Heere kan niemand missen. En als je het niet hebt, vraag er dan om. Het mag. Lees Jakobus 1 : 5 maar".
Het wordt een heel gesprek naar aanleiding van het vierkleur enpotlood. Wouter krijgt huiswerk mee inplaats van het potlood. Huiswerk?
Nee, geen strafregels. Maar mijnheer Renshorst heeft uit liefde gewaarschuwd, daarom zegt hij nog eens:
„Wouter, lees de geschiedenis van Salomo goed. Denk bij alles wat je doet: „Pas op... gevaar". Vraag: Heere, help. Ga nu naar huis. Jongen, je hebt het verloren potlood gezocht en gevonden. Zoek ook als een verloren Adamskind naar de Heere. Er staat in Gods Woord: „Zoek en je zult vinden". Ik hoop dat je deze les nooit vergeet. Wouter, geef me een hand. We blijven vrienden hoor. Maar we hebben beiden nog een Vriend nodig, de Heere Jezus. Er is nog nooit iemand geweest die de Heere Jezus uit zichzelf begeerde. Maar Hij begeerde verloren mensen, om ze voor eeuwig gelukkig te maken. Wat een wonder, die begeerte van de Heere Jezus. Hij wil nog met ons te maken hebben. Als onze verkeerde begeerten tot schuld worden, wil Hij je als een schuldige oprapen. Zoek Hem".
Wouter heeft vochtige ogen. Hij voelt dat de leraar alles uit liefde zegt. Zou mijnheer Renshorst de Heere Jezus kennen? Hij spreekt er zo eerbiedig over. Met zoveel warmte. Dat doe je toch alleen maar als je veel van iemand houdt. Wat gaat Wouter anders naar huis dan de eerste keer. Als hij buiten loopt hoort hij mijnheer Renshorst als het ware zeggen: „Pas op... gevaar". Wouter zucht: „Heere, help".
Op een stille plaats staat Wouter stil. Hij vouwt zijn handen en hij vraagt: „Heere, geef me astublieft een begeerte naar U, want U bent duizend keer meer waard dan een vierkleurenpotlood".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1981
Daniel | 28 Pagina's