PREKEN, HOE DOET U DAT?
VRAAGGESPREK MET DS. L. BLOK TE NUNSPEET
Toen we ds. Blok vroegen of hij met ons wilde praten over „de prediking" sputterde hij eerst wat tegen. „Wie ben ik om te zeggen hoe het moet? 'k Moet vanuit de grond van m'n hart zeggen, dat er een groot verschil, zit tussen hoe het moet en hoe ik het doe. Ik schiet zelf steeds tekort. Maar, als het gaat om de begeerte van m'n hart, dan moet ik zeggen, dat je, als de liefde van Christus dringt, gunnend bent."
Dit leek ons een goed uitgangspunt voor een vraaggesprek. Vandaar dat we op een mooie zaterdag in februari bij de pastorie in Nunspeet aanbelden.
— Dominee, zou u eerst een korte omschrijving willen geven van ,,een preek"?
Dat kan ik met enkele woorden zeggen: de boodschap van Gods Woord doorgeven, en dat voor de mens van nu.
— Wat is nu het bijzondere van een preek boven bijvoorbeeld het houden van een stichtelijke toespraak?
Ik vind het moeilijk om daar één, twee, drie een antwoord op te geven. Maar 'k denk dat we de nadruk erop moeten leggen, dat we bij de prediking met ambtelijke dienst te maken hebben. De predikant fungeert in feite als woordvoerder van de Heere. In Zijn Naam wordt ook het votum uitgesproken aan het begin van de dienst en de zegen aan de gemeente meegegeven aan 't eind. In 't bijzonder in de prediking gaat de werking van de Heilige Geest gepaard met het Woord. De prediking is een duidelijke instelling van God.
— Voordat de preek op zondag gehouden wordt is er zeker wel wat aan vooraf gegaan?
Je bent er meestal heel de week mee bezig. 't Kan soms zijn, dat je aan het begin van de week weet waarover je de komende zondag wilt preken. Je gaat zo'n tekst bekijken, een exegese maken, diverse boeken erop nalezen, enz. Langzamerhand groeit dat naar een preek toe. 't Kan ook anders. 'k Weet van medebroeders, die soms weken van tevoren al weten waarover ze zullen preken. Bij mij is dat niet zo. 't Is me wel gebeurd, dat ik op zaterdag nog niet wist waarover ik de volgende zondag zou preken... Dat is benauwend! Je bent sterk afhankelijk van de bediening van de Heilige Geest. Niet alleen tijdens het preken, maar ook in de voorbereiding. Dat heb ik eens op een heel opmerkelijke manier ervaren. Ik werd als het ware naar een andere stof gedreven. Later bleek, dat iemand de prediking als antwoord van de Heere had ervaren. Je ziet dan de waarheid, van het Schriftwoord, dat van de daken gepredikt zal worden wat in de binnenkamer geschied is.
Eigenlijk ben ik nooit klaar voor de zondag. 's Zaterdagsavonds is het altijd laat en 's zondagsmorgens is het weer vroeg bij mij... Je voelt je zo verantwoordelijk. Je moet immers Gods Woord verkondigen naar de zin en de mening van de Geest. 'k Ben dan ook pas klaar als de preek gehouden is.
— Ziet u preken als uw belangrijkste taak?
Jazeker! Preken moet voor elke predikant nummer één zijn. Ook andere dingen, zoals ontmoetingen in en met de gemeente zijn belangrijk. Ik denk ook aan het kontakt met de jongeren, bijvoorbeeld op de catechisatie. Maar al doe je nóg zoveel, je kunt de gemeente nooit zó bereiken als op zondag in de kerk.
— Schiet er nog wel tijd over voor studie, voor een stuk verdieping?
Meestal te weinig. Vooral in de wintermaanden is dat erg moeilijk. 'k Ben blij als je in de vakantie tijd hebt om „bij te tanken". 'k Zou het veel meer willen doen. Steeds heb je weer nieuwe en frisse gedachten nodig. Ook t.o.v. de jeugd is dat nodig. Je moet weten van de problemen en vragen van deze tijd. 'k Laat dan ook nooit na de krant te lezen.
— Wat is ten diepste uw bedoeling bij en met het preken?
Daar zitten mensen onder dat Woord en die hebben, net als ik, een ziel voor de eeuwigheid. Je hoopt en bidt, dat je er dienstbaar toe mag zijn dat ze de goede keus mogen doen en dat degenen die God kennen meer geoefend mogen worden in het geloof. De oude dominee Rijksen zei wel eens: „Denk er om, er komen er in de kerk om „hun boterham"; ze moeten er weer een week op kunnen teren. Paulus zei: „De liefde van Christus dringt ons". Dat moet de drijfveer zijn, om als vriend van de Bruidegom verloren zondaren tot Christus te brengen.
Mijn vader heeft heel wat keren gepreekt in zijn leven en toen hij aan 't eind van zijn leven terugblikte, zei hij (en toen begreep ik dat niet): „Als ik niet gepreekt heb vanuit de liefde van Christus, heb ik met mezelf op de preekstoel gestaan".
— Misschien mogen we een enigszins ondeugend vraagje stellen. Een gevleugelde uitdrukking van — naar we menen — wijlen ds. Kersten was: Als je het in 1 1/2 uur niet kunt zeggen, kun je 't ook niet in 2 uur. Wat vindt u daarvan?
Inderdaad ondeugend... (dominee lacht breed). 'k Zit zelf nogal eens over de 1 1/2 uur heen... Het streven moet zeker zijn om die 1 1/2 uur aan te houden. 'k Heb er voor mezelf nogal moeite mee. 'k Heb jaren bij ds. Hofman in Zeist gekerkt. Ik had er bewondering voor hoe hij zich aan de tijd kon houden. 't Moet natuurlijk ook weer niet een „prik-klok-systeem'' worden. Ik probeer m'n leven te beteren... M'n vrouw stimuleert me hierin. Je komt het trouwens ook wel aan de weet als je kinderen groter worden.
— Dominee, in een vraaggesprek dat we onlangs met ds. Vergunst hebben gehouden kwam o.a. het punt liggingsverschillen aan de orde. Mogen we vragen hoe u uw eigen prediking typeert?
Tja, ja...... (dominee denkt na), wat moet ik daar van zeggen?
— Misschien kunnen we ook vragen: wie van de oudvaders „ligt" u het meest en waarom?
Tja, eigenlijk allemaal wel, maar... (gaat iets verzitten) een man als Comrie spreekt me wel bijzonder aan. Vooral door zijn onderscheidingen ten aanzien van het geestelijk leven. Daarnaast ook de Erskines. 't Bijzondere van hen is hun liefde. Alles is er bij hen op gericht om de hoorder voor God te laten kapituleren. Alle bedenkingen en tegenwerpingen worden ontzenuwd. 'k Hoop dat daar ook in mijn prediking iets van mag doorklinken.
— Je hoort wel eens een preek, waarin „voor de toepassing" alleen tot Gods kinderen wordt gesproken. De laatst minuten worden de onbekeerden van hart nog even aangesproken. Is het gevaar van ongeïnteresseerdheid en lijdelijkheid dan niet groot?
Zoals je dat stelt, ben ik het met je eens. De oproep tot bekering moet zeker door de hele preek heen klinken.
— Dus de hele gemeente moet aangesproken worden?
Zonder meer, zonder meer! 't Is natuurlijk wel afhankelijk van de tekst. Als je preekt over „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop", ligt dat anders dan bij een tekst als „Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt ". Bij de laatste stof zal meer centraal staan de vraag hoe Gods kinderen dat steeds ervaren, terwijl bij het eerste voorbeeld het appèl op de harten van jong en oud meer door zal klinken.
Maar in 't algemeen moet heel de gemeente, bekeerd en onbekeerd, jong en oud, indringend aan- en toegesproken worden. 't Bloed van de hoorders zal van de hand van de prediker geëist worden. En je bent heus niet zo gauw rein van hun bloed... Mijn vader vertelde wel eens — en 'k heb dat nu ook — dat hij van zondag op maandag slecht sliep. Je had iedereen door je prediking wel jaloers willen maken, maar voor je eigen gevoel schiet je vaak veel tekort.
— Hoe probeert u de kinderen en de jongelui bij de preek te betrekken?
Door ze af en toe met name te noemen. De kinderen vooral met een geschiedenis, de jongelui vanuit het maatschappelijk leven rondom hen. Je probeert ze de leegheid van de dingen van deze wereld te laten zien, hen te wijzen op de noodzakelijkheid en de mogelijkheid van bekering en hen op te roepen de goede keus te doen.
— Hoe spreekt u ze aan?
Niet met „gij" of zo. Dat is zo onwezenlijk. Gewoon met „jullie" of iets dergelijks. Ook is een duidelijk taalgebruik nodig. 'k Weet, dat ik wel eens wat ouderwetse woorden gebruik. Het is beter om dat niet te doen. Ik vind het echter wel moeilijk, Aan de andere kant staat het me ook tegen om populair te zijn. Dat is al te „gewild".
— Ir. Van der Graaf deed onlangs de volgende uitspraak: „ Verpolitiekte prediking èn tijdloze prediking zijn beide verkeerd". Wat vindt u hiervan?
Daar ben ik het helemaal mee eens. Over politieke prediking hoeven we niet te praten. Die is vaak neo-marxistisch gekleurd. Maar anderzijds mag je ook niet tijdloos preken. We staan immers in deze tijd en we hebben ook te maken met de .zonden van deze tijd. Dat kan vooral goed in de catechismuspreken. Eigenlijk zou het veel meer moeten gebeuren! Dit punt is ook eens op een predikantenkonferentie aan de orde geweest. Toen werd verwezen naar de Nadere Reformatie. Daar zijn we immers zo op gesteld? Nu, als we de preken van onze oudvaders lezen, dan zien we dat die ook de zonden van hun tijd aan de orde stelden.
- Dominee, we staan in onze gemeenten een „schriftuurlijk-bevindelijke'' prediking voor. Dat is een geijkte uitdrukking. Maar wat houdt dat nu precies in?
Als wij preken is dat Gods Woord doorgeven. Dus uitleggen: dat en dat staat er. Maar ook: zo funktioneert dat in het leven der genade. Denk bijvoorbeeld aan teksten waarin de beproeving, de strijd en vragen die er in het geestelijk leven kunnen zijn, naar voren komen. Ook moet het onderscheid tussen schijn en wezen duidelijk worden gehoord.
Wel moet de bevinding altijd uit het Schriftgedeelte opkomen. Het moet niet zo zijn. dat elke zondag met een andere tekst verteld wordt hoe een mens bekeerd wordt. Een tekst is geen „kapstok".
In dat verband kunnen er ook bepaalde kenmerken van het genadeleven worden genoemd. Niet als ijkmiddel, maar als heenwijzing. Iemand zei eens: Als, je op weg ben kom je allerlei A.N.W.B.-borden tegen. Niet om er onder te gaan zitten, maar als heenwijzingen. En al is er dan geen enkele bekering gelijk, er is wel een orde des heils. Het wezenlijke van de bekering (zie zondag 33) moet toch voor een ieder hetzelfde zijn?
— In een onlangs verschenen prekenbundel van ds. Van Haaren staat het volgende: ,,De dienaren des Woords moeten zich in hun prediking inspannen om zo mogelijk u te raken. En dan kan het niet anders of de prediking houdt verband met de ligging van de gemeente." Wil dat zeggen dat in de ene gemeente anders gepreekt moet worden dan in de andere?
Ten opzichte van de grondslag van de prediking: natuurlijk niet. 't Kan wel zijn dat in een bepaalde gemeente bijvoorbeeld een grote mate van lijdelijkheid heerst. Dan leg je sterk de nadruk op de verantwoordelijkheid van de mens. Als je in een gemeente bent waar men erg aktivistisch is, dan is het nodig om de andere kant eens te benadrukken. 't Kan ook zijn dat de gemeente vastzit aan allerlei uiterlijkheden. Dan moet je daar doorheen prikken. 't Is natuurlijk niet: zoals de gemeente is, zo moet mijn jasje hangen. Je mag nooit eenzijdig worden.
— We zouden nog wel meer willen vragen, dominee, maar daar hebben we geen ruimte voor. Wilt u nog een slotopmerking maken, met name voor onze jongeren?
Ik hoop van harte, dat ook door de prediking de jongeren nog meer aan het Woord van God gebonden mogen worden en dat het zo mag zijn, dat zij er persoonlijk door geraakt worden. Daar zie je als predikant naar uit. En dat gebeurt nog steeds. 't Komt voor dat ik briefjes van jongelui krijg, waaruit blijkt, dat ze er mee bezig zijn. 'k Moet eerlijk zeggen, dat er ook onder jongeren het een en ander leeft. Je merkt, dat ze over deze dingen nadenken en dan heus niet alleen in intellektualistische zin. Ik hoop, dat het meer en meer tot openbaring komt. Zij zijn tenslotte de toekomst van de kerk.
Dominee, heel hartelijk dank voor het fijne gesprek. Wij hopen dat de Heere u en allen, die Hij tot deze heerlijke dienst geroepen heeft, tot een rijke zegen zal stellen voor jongeren en ouderen.
Barneveld/Almelo G. P. P. Hogendoorn/P. Jansen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1981
Daniel | 28 Pagina's