HONDETROUW
ONS VERVOLGVERHAAL DEEL II
Hier wachten Astor
Tegen de wind in naderen korporaal Gill en Astor de goed verborgen tent van Stewart. 't Is niet helemaal donker geworden in het bos. Het is opgehouden met sneeuwen, een smalle maansikkel schijnt door de kale takken en duizenden sterren voegen hun licht bij dat van de maan. De man en de hond maken geen enkel gerucht. Als ze het smalle bospad voor de tweede keer kruisen, bukt Mac Gill zich en veegt wat sneeuw van het pad. „Hier heeft hij gereden, Astor. Nog geen drie dagen geleden schat ik". Hij wijst op de smalle sporen van de ijzers van een slee en de printen van hondepoten. „Hij is het, Astor, 't kan niet missen". Tien minuten later zien ze de tent staan. Er is wat wind gekomen en er vallen af en toe dikke plakken sneeuw met doffe ploffen op de grond. De zes honden van Stewart slapen vast, hun kop verborgen onder de dichtbehaarde staart. Zij ruiken noch horen de man, die met hun soortgenoot steeds dichterbij komt. Mac Gill legt. zijn hand op de kop van zijn hond. „Hier wachten, Astor." Het dier blijft gehoorzaam staan, zijn ogen volgen zijn baas tot deze als een vage schim, tussen de bomen verdwijnt. Maar al kunnen zijn ogen hem niet meer volgen, hij hoort en ruikt hem nog wel!
Waarom zo'n liaast?
Langs de donkere bosrand glijdt een snelle slee. Moeiteloos trekt een span van zeventien honden hem voort. Er zitten twee mannen en een hond in het volgeladen voertuig. Voorin, met de rug naar de honden, de schouders hoog opgetrokken, de felle ogen loerend vanonder zijn ruige bontmuts, zit Bill Stewart. Achterin de slee, op de benen van zijn baas ligt Astor. De hond heeft zijn ogen onafgebroken op Stewart gericht. Wat zit Mac Gill vreemd ineengedoken. Zijn ogen gloeien alsof hij koorts heeft, zijn gezicht vertrekt af en toe van hevige pijn. In zijn rechterhand heeft hij een revolver geklemd, de loop wijst over de kop van de hond heen recht op het hart van de man voorin de slee. Zijn linkerhand houdt de teugels, maar dat. heeft geen enkele zin. De honden ruiken de stal en geen macht ter wereld kan ze op dit moment tegenhouden of ze tot stilstand dwingen. Ze jagen in een rechte lijn op Churchill-City aan. En de zes van Stewart rennen mee alsof ze er al jaren bijhoren. Vreemd, waarom die vliegende haast?
„Je bent er bij, Stewart"
„Je bent erbij Stewart, hands up, vriend!" Knipperend tegen het felle licht van de lantaarn in Gills hand graait Stewart nog slaapdronken naar zijn buks. „Laat dat maar". De stem van Mac Gill klinkt vriendelijk, maar er is een scherpe ondertoon in. „Je denkt toch niet dat ik dat speelding niet gezien heb hè? Je sliep zo vast dat je niet eens merkte dat ik het voorzichtig onder je deken vandaan haalde. Ik deed het zo voorzichtig, omdat ik bang was dat het af zou gaan. Kom overeind. Stewart, je spel is uit". Grommend kruipt Bill vanonder zijn vuile deken, loerend of er niet een gaatje is om te ontsnappen. Maar dat is onmogelijk, een kor^poraal van de Koninklijke Canadese Politie is geen kleine jongen. „Astor, let op!" De hond die op een teken van zijn baas direkt naar hem toe is gekomen, gaat aan de linkerkant van Stewart staan. Deze steekt vloekend zijn armen omhoog. Snel glijdt de hand van Mac Gill langs het lichaam van zijn gevangene. In de andere hand houdt hij zijn revolver.
„ 'k Weet niet, zomaar"
Na veel strubbelingen lukt het Mac Gill de honden van Stewart bij zijn eigen
span te voegen. De eerste dag is de moeilijkste, de honden grauwen en bijb ij ten en weigeren te gehoorzamen.
Bill, de geboeide handen op de rug, kijkt schijnbaar achteloos toe. Hij doet geen enkele moeite zijn honden tot bedaren te brengen. Hoe langer dit oponthoud duurt, hoe liever het hem is. Maar Astor duldt geen ongehoorzaamheid en dwingt de dieren al spoedig tot orde. De tweede dag zijn de vechtpartijen al veel minder en is er een groot deel van de verloren tijd ingehaald.
Morgen tegen de avond kunnen ze — zonder ongelukken — in Churchili-City zijn. Mac Gill is zolang mogelijk doorgereden en het is al donker als hij laat stilhouden. Hoewel de geboeide Stewart weinig kan beginnen, maakt Gill Astor het eerst vrij en gebiedt hem op de gevangene te passen. Dan zet hij de tent op en verzorgt de honden. Hij durft de dieren van Stewart niet zonder riemen te laten slapen en slaat de ijzeren pennen waaraan de riemen bevestigd zijn diep in de harde grond. De riemen kort hij sterk in. 't Is alsof de gevangene alle moed verloren heeft. De hele dag heeft hij zonder een woord te spreken ineengedoken in de slee gezeten. Zwijgend ook heeft hij zijn eten naar binnen geschrokt. Toen Mac Gill zijn handen vouwde voor het eten had hij minachtend gelachen. Maar toen hij zag dat deze zijn ogen sloot, gloeide er een merkwaardig licht in zijn ogen. Mac Gill had er geen acht op geslagen. Nu, nadat de honden zijn verzorgd en vast in slaap zijn, komt het in de tent tot een gesprek tussen Mac Gill en de man die twee moorden op zijn geweten heeft.
Astor verliest hem niet uit het oog en Bill weet dat hij zolang die ellendige hond op hem let. niets kan beginnen. Zijn hoop is op morgen gevestigd, als Astor het span aanvoert en Mac Gill één ogenblik niet zal opletten. Drie nachten waken gaat iemand niet in de koude kleren zitten. Zijn aandacht móét een keer verslappen. Morgen is de laatste kans. „Heb je nog familie, Stewart? " „Hè, nee, gaat je trouwens niet aan". „Hoe heb je dat toch kunnen doen, twee mensen te doden". „Weet niet, zomaar". Het blijft even stil. „Als m'n buks niet per ongeluk was afgegaan had je me nooit gevonden". „Moet je niet zeggen, Bill. Ik ben erg vasthoudend en ik móést je vinden. Bevel, weet je. Heb je nog een moeder? " „Nee, waarom? " „Zomaar, ik dacht dat ze je weieens over God heeft gesproken. God schiep de mens om te leven en jij "
Met een rauwe vloek is Bill opgesprongen, vergetend dat Astor hem door zijn oogharen heen nauwkeurig in het oog houdt. Het dier verstaat zijn taak uitstekend en denkend dat de man kwaad wil, schiet hij hem naar de keel. Bill schreeuwt van pijn. Een dun straaltje bloed sijpelt uit een wond aan zijn hals. „Blijven zitten, Stewart, dan is Astor zo mak als een lam". Uit zijn tas haalt Mac Gill een rolletje verband. Hij knipt er een stuk af en bet daarmee de ondiepe vleeswond. Zijn gezicht is vlak bij dat van de moordenaar. Weer komt. die wonderlijke gloed in Bills ogen, het zijn ogen van een man die moord in de zin heeft. De gedachte aan de hond doet zijn moordlust bedaren. Morgen! Als ze allebei weer zitten, vat Mac Gill de draad van het gesprek weer op. „Houd je snuit over God", gromt Stewart, „ik geloof niet in Hem". Zo heftig is zijn toon dat Astor langzaam, overeind komt en dreigend zijn scherpe tanden laat zien.
Blindedarmontsteking!
De nacht is al enkele uren oud als Mac Gill, die zijns ondanks in een onrustige slaap is gevallen door een vage pijn in zijn buik wakker wordt. Stewart slaapt zwaar en diep. Zijn ronkende ademhaling overstemt het zachte gesuis van de op een laag pitje brandende gaslamp. Astor kwispelt even met de staart als hij Mac Gill hoort bewegen. Het dier voert ook 's nachts de opdracht, die zijn baas hem gaf, trouw uit. Mac Gill wrijft de slaap uit zijn ogen. Een felle pijnscheut doet hem even de adem inhouden. Een lichte neiging tot overgeven onderdrukt hij op hetzelfde moment. Wat zou hij nou toch hebben? Onwillekeurig gaat zijn blik naar de slapende gevangene. Hij kijkt op zijn horloge: kwart over vier. Aai! Hij bijt de tanden op elkaar en krimpt ineen van de pijn. Zweetdruppeltjes parelen op zijn voorhoofd. Als een felle schrik schiet het door hem heen: Bindedarmontstekingü Tegen vijf uur neemt de pijn wat af. Hij heeft, wat sneeuw op de zere plek gelegd, dat gaf verlichting. Als Stewart nu maar niets merkt! Maar Bill merkt het wel en in zijn ogen komt een helle vreugde.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1981
Daniel | 28 Pagina's