DE TOLLENAAR
Schoorvoetend trad hij binnen, en. hij bleef angstvallig bij de tempelingang staan. Geluidloos bad hij: „God, vergeef, vergeef al wat ik in mijn leven heb misdaan."
Zijn voeten voelde hij zo zwaar als lood. Zijn hoofd zonk op zijn borst, in diep ontzag, „is Heer, mijn schuld voor U niet veel te groo Wie ben ik, dat ik hier nog komen mag? "
Hij ziet zijn hebzucht, bron van alle kwaad. Hij staal voor God, en ziet geen mensen meer; en het is God alleen die hem verstaat: „Ach, wees mij zondaar toch genadig, Heer."
God ziet hem aan, en alle onrust wijkt. Zijn voeten worden licht, zijn ogen blij. De farizeeër, die veracht'lijk kijkt, gaat op het plein hem zonder groet voorbij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1981
Daniel | 28 Pagina's