DOUWE, DE DICHTER
VERVOLGVERHAAL DEEL II
Nadat Douwe Berends moeder heeft begroet, gaan de jongens naar boven. Op Berends kamer durven ze elkaar niet goed aan te kijken. Douwe probeert zich een houding te geven en bladert omstandig in zijn aardrijkskundeboek.
Berend staat ook wat te rommelen, maar tenslotte hakt hij toch de knoop door. Met een air van jongens-onder-mekaar trekt hij van onder een stapel boeken de bewuste blaadjes te voorschijn.
Ze buigen er zich samen over, lachend en toch onder de indruk. „Moet je hier zien, zeg, En daar... En moet je dat zien!" Douwe neemt een van de krantjes in zijn hand en gaat er mee zitten. Al gauw is hij er in verdiept. Vaag denkt hij: „Eigenlijk is het lelijk. Eigenlijk zijn het vulgaire meiden.
Moet je die ogen zien, net lege poppen zijn het. Tegelijkertijd kijken .de blauwe ogen van Gerda hem aan. Gerda... Nee, aan haar kan hij niet denken nu. Zij hoort hier niet bij. Hij probeert de gedachte aan haar weg te duwen.
„Hier zitten we nou met rode oren", spot Berend. Even kijken ze elkaar aan, wat beschaamd toch. Dan ruilen ze hun krantjes en het wordt weer stil.
Opeens is er een geluid. Er is een krakende voetstap op de overloop. De jongens vliegen overeind of ze gestoken zijn.
De knop van de deur beweegt en Douwe schuift snel zijn krantje onder zijn atlas, die toevallig open naast hem ligt. Maar Berend, in zijn verwarring, is minder gelukkig dan Douwe. Hij kijkt om zich heen, ziet zo gauw niets en trekt dan maar de la van zijn bureau open.
De deur gaat open. Douwe staart met een hoogrode kleur in zijn aardrijkskundeboek. Zonder op te kijken, weet hij wie er binnenkomt.
„Zo zus", zegt Berend quasi-onbevangen.
„Kan ik geld..." begint Gerda. Dan zwijgt ze. Iets in de sfeer treft haar. In een flits heeft ze gezien, dat Berend wat in zijn bureau moffelde.
„Wat doen jullie geheimzinnig? " vraagt ze nieuwsgierig. Ze kijkt naar Douwe, die iets onverstaanbaars bromt en maar met zijn gezicht van haar af blijft zitten. Dan ziet ze Berend, die nonchalant met de elleboog tegen zijn bureau leunt. In zijn blik is een mengeling van bravour en onzekerheid.
„Ik dacht dat je al weg was", zegt hij, niet wetend dat hij zich daarmee nog verder verraadt.
„Ik was er nog, hoor. Maar wat doe je raar, Berend? " plaagt ze door. Ze komt verder de kamer in. Die bureaula intrigeert haar.
„Nou, wat heb je? " Berend wordt ongeduldig.
'k Kwam om geld voor moeders verjaardag. Ik wil vanmiddag een kado kopen. En jij, Berend, wat heb jij? " Overmoedig geeft ze Berend een por in zijn zij en trekt dan plagerig de bewuste la open.
„Jij hebt foto's van je meisje, jochie..." „Blijf af!" snauwt Berend. Maar het is al te laat. Gerda graait in de la en haalt het verstopte krantje te voorschijn. Berend wil het uit haar hand rukken, maar tegelijk beseft hij dat dat alles nog stiekumer zou maken.
„Geen lektuur voor kleine meisjes", houdt hij zich groot.
Gerda kijkt zwijgend. Een donkerrode kleur kruipt op in haar hals. Dan smijt ze het blaadje op het bureau. „Hoe kom je daaraan? "
„Bij 't oud papier..."
„Smeerlap!" valt ze uit. „Dat jij je met zoiets in wilt laten!"
Berend bijt op zijn lip. „We hebben ze gevonden", zegt hij zwak. En dan, meer kwaad op zichzelf dan op haar: „Doe toch niet zo heilig-boontje-achtig!"
Maar Gerda loopt al naar de deur.
Douwe voelt zich als een getrapte hond Hij heeft zich al die tijd afzijdig gehouden. Nu kijkt hij even schuw naar haar smalle boze ruggetje.
Gerda doet de deur open en zegt over haar schouder tegen Berend: „Dat geld krijg ik nog wel eens van je. 'k Zal nu maar weggaan..."
Dan glijdt haar blik voor het eerst naar Douwe. Haar blauwe ogen zijn een tint donkerder geworden en heel duidelijk zeggen ze: Ben jij zó... Douwe?
De middag is verder verknoeid. Ze proberen nog wel te leren, maar ze komen weinig verder. Tenslotte pakt Douwe z'n spullen. „Ik ga maar", zegt hij weinig opgewekt.
Berend krijgt een kleur. Jammer, dat het zo gelopen is. Anders is Gerda niet zo moeilijk. O, ze zal 't heus niet tegen vader en moeder vertellen, zo is ze niet. Dat heeft hij al direkt tegen Douwe gezegd. Maar die schijnt het zich nog al aan te trekken. Hij heeft tenminste geen twintig woorden meer gezegd.
Als Douwe vertrekt, heeft hij de krantjes in zijn tas. Hij zal proberen ze onderweg ergens te verdonkeremanen. Want weg moeten ze, dat voelen ze allebei. Langzaam fietst hij door het boslaantje naar deg rote weg. Als hij bij de kromming is, ziet hij door de mist een vaag figuurtje naderen, 't Is Gerda, die terug komt uit de stad.
Douwe voelt de moed in zijn schoenen zinken. Andere keren zouden ze even stoppen en een praatje maken of tenminste elkaar al fietsend wat toeroepen. Nu houdt Douwe aarzelend zijn fiets wat in. Hij zou haar willen smeken: Toe Gerda, stop even, je móet het begrijpen. Zo ben ik niet Gerda, echt niet...
Maar haar groet glijdt koel en onpersoonlijk langs hem heen, alsof hij een volslagen vreemde voor haar is. Dan beseft hij het pas ten volle: het is kapot... Hun fijne, mooie vriendschap is in één keer aan stukken gescheurd. En 't is „eigen schuld, dikke bult", dat is nog wat hem het meest plaagt. Wat heeft hij gedaan? Hij, met zijn hoogstaande idealen van zuiverheid, eer, liefde? Douwe, de dichter... Dat zal Gerda heus niet meer tegen hem zeggen... De mist komt in vlagen op hem af. Hij kan nu niets bekoorlijks meer zien aan deze grijze sombere wereld. Een gevoel van verlatenheid overvalt hem. Hij buigt zich over zijn stuur en zet de vaart er in. Hij wil hier weg. Vluchten voor deze eenzaamheid — voor zichzelf?
En dan gaan zijn gedachten als vanzelf naar Jan. Jan... die zal hem begrijpen. Die is net als hij, die neemt ook niet met iets halfslachtigs genoegen. En voor
hij nog van gedachten kan veranderen, slaat hij de richting in van Jans huis.
Douwe treft het. Zijn schoonzusje is niet thuis en Jan zit alleen aan de tafel te studeren. Als Douwe binnenkomt schuift hij met een zucht zijn paperassen opzij. „Kom d'r in, Douwe. Eindelijk een ekskuus om even te stoppen". Ze praten wat over koetjes en kalfjes. Jan heeft direkt gemerkt, dat Douwe iets dwarszit. Zijn jongste broer heeft een apart plaatsje in zijn hart. In Douwes moeizame groei naar de volwassenheid, herkent hij veel van zichzelf. Hij kijkt Douwe, die wat in zijn tas zit te rommelen, eens van opzij aan. Misschien dat je in deze wereld toch maar beter iets minder gevoelig kunt zijn. Douwe zal het extra moeilijk krijgen.
Opeens trekt Douwe iets uit zijn tas en gooit het bruusk op tafel. „Kijk es, Jan, bij t' oud papier gevonden..." Nerveus-uitdagend wacht hij op zijn reaktie.
Met een ondoorgrondelijk gezicht bladert Jan.
„Je kijkt!" beschuldigt Douwe.
Jan schiet in de lach. „Daar geef je ze toch voor? Maar 't is smerig, Douwe". „Ja... en tóch..."
„Nee... toch niet. Ik ben niet van steen, Douwe, maar dit stoot me af. Dit haalt neer wat mooi is". Jan tuit zijn onderlip en kijkt Douwe nadenkend aan. „Maar — moet ik dat jóu vertellen, Douwe? Ik dacht dat jij hoogstaande idealen had".
Douwe zegt stil: „Die heb ik ook, Jan. Ik dacht altijd dat, , , dat er iets moois was... iets van God..." Tegelijk wanneer hij dat zegt, beseft hij opeens: Eigenlijk is dat het erge: 't Is. niet alleen Gerda, die het heeft gezien, maar ook — God.
„Het is ook van God, Douwe. Hij heeft Zelf gezegd: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. God Zelf heeft het huwelijk ingesteld".
Douwe knikt en staart voor zich uit. De schemering begint de hoeken van de kamer te vullen. De lantaarnpaal voor het huis floept aan en werpt een gele lichtbaan naar binnen. Aarzelend begint Douwe te vertellen over Gerda en over wat er gebeurd is. , , 'k Heb alles verknoeid, Jan", eindigt hij met een zucht.
„Och, dat kan best nog wel eens mee vallen", denkt Jan. „Misschien dat je het haar op een geschikt moment eens uit kunt leggen. Maar ik zou niets forceren. Je hebt nog tijd genoeg, zou ik zo zeggen". ,
Douwe lacht even. Hij verwacht geen kant-en-klare oplossing van zijn broer. Dat hij zich uit heeft kunnen praten, is hem al genoeg.
„Maar, Douwe, 't is vooral je houding, die Gerda moet bewijzen, dat je „zo" niet bent. Dat je althans niet zo probeert te zijn. Want het is best moeilijk, ik weet het zelf. Ik had ook zo mijn ideeën over die dingen, en ik heb er voor moeten vechten om ze te houden. Achteraf kan ik daar niet dankbaar genoeg voor zijn, want het is het waard geweest, dubbel en dwars".
Het is nu bijna helemaal donker geworden. In een nieuwe vertrouwelijkheid praten ze met elkaar, tot voetstappen buiten op het tuinpaadje een eind maken aan hun gesprek. Douwe komt vlug overeind en mikt de gewraakte krantjes in het zwart-gapende gat van de open haard.
Zijn schoonzusje komt binnen. „Hallo — wat zitten jullie nog in het donker? " „Ja", zegt Jan. „Ik zal de open haard maar eens aansteken".
„Gezellig", vindt ze.
„Ja, gezellig", zegt ook Douwe. Hij lacht een klein, lachje naar zijn broer, die zich bukt en een lucifer afsteekt.
Het vuur zet de kamer in een rossige gloed. Samen staren ze in de vlammen, die gretig omhoog laaien langs het omkrullende papier.
Dordrecht,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1981
Daniel | 28 Pagina's