JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DOUWE, DE DICHTER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DOUWE, DE DICHTER

VERVOLGVERHAAL DEEL I

5 minuten leestijd

Het valt niet mee voor Douwe Postema om op zaterdagmorgen zo vroeg zijn bed uit te komen. Z'n moeder moet een paar keer roepen: „Douwe, opstaan! Je moet oud papier ophalen!" Maar pas als ze het licht in zijn kamer heeft aangeknipt, staat hij zuchtend op.

Even kijkt hij door een kier van het gordijn, 't Is nog niet eens helemaal licht, maar het is in ieder geval droog. Tja, beloofd is beloofd.

Een half uurtje later fietst hij naar het kerkplein. Uit de verte ziet hij dat er al een paar jongens bezig zijn de boel wat te ordenen. De vrachtwagen is er nog niet.

Eigenlijk is het best leuk werk, bedenkt hij. Het is niet alleen nuttig, maar er zit ook iets verrassends in. Hoe vaak heeft hij al niet iets gevonden, waar hij belang in stelde of dat hij kon gebruiken voor school? Een interessante brochure, een mooi uitgevoerd tijdschrift

Douwe kan het nooit laten om te rommelen tussen al wat gedrukt is. Eens zat hij boven op de wagen te lezen, midden tussen de stapels en de dozen. Hè, hij schaamt zich nog als hij er aan denkt. Hij had maar doorgelezen, tot de algemene stilte hem opeens alarmeerde. Iiij keek op in het lachende gezicht van zijn vriend Berend, die goedmoedig-spottend bromde: „Douwe... de denker!" De twee anderen vielen hem direkt bij: „Hé, professor, zou je ook niet eens opstaan? " en „Lees jij maar hoor, wij werken wel "

Berend is er ook al, ziet Douwe, als hij het plein op rijdt. Ze praten even, maar dan begint hij direkt stapels te maken van de losgevallen tijdschriften, 't Zal hem nu niet meer overkomen, dat ze „Douwe, de denker" tegen hem moeten zeggen. Hij kan heus zijn mannetje wel staan. Al heeft Berend misschien wel een beetje gelijk. „Douwe de dichter", zei Berends zusje Gerda zelfs eens tegen hem.

Douwe rolt een lange reep golfkarton op en zet die in een hoek.

Ach ja, die Gerda... Zoals alle jongens, droomt ook Douwe Postema zijn jongensdromen. Zo weven zijn gedachten al een hele tijd een droombeeld voor hem: Ergens op de wereld moet toch iemand zijn, die bij hem hoort. Een meisje, aan wie je alles kunt vertellen, ook je allerdiepste gedachten. Misschien zal hij haar redden uit een brandend huis of haar verlossen uit de handen van een gemene overvaller. Hoe het ook zal zijn, alles zal mooi en zuiver zijn. Een twee-eenheid. Een „paradijsbloem", zoals hij de dominee hoorde zeggen, toen zijn broer Jan trouwde.

Pas de laatste maanden heeft zijn fantasiemeisje de ogen en het gezicht van Gerda gekregen. Hoe komt het toch dat hij niet eerder-heeft gezien hoe mooi haar haar krult en hoe lief haar gezicht is als ze lacht?

Tegen Berend durft hij er niets over te zeggen. Zijn geplaag zou misschien de ragfijne sfeer tussen Gerda en hem kapot maken. Nu is het een fijne vriendschap, met in zich de belofte voor iets moois. Later

Luidronkend komt een open vrachtwagentje het kerkplein oprijden. „Daar is t-ie..." zegt Berend overbodig.

Ze verspillen niet veel tijd. Een paar minuten later vertrekken ze al. Tweeman bij de chauffeur in de cabine en Berend en Douwe achter in de bak. Bij het begin van de route springen de anderen er uit en gooien de dozen en tijdschriften, die al klaar staan langs de weg, omhoog op de wagen. Ze krijgen het nu druk. I-Iet is zaak alles zo efficiënt mogelijk op te stapelen, want de vrachtwagen moet alles in één keer op kunnen halen.

Opeens geeft Berend Douwe een por. „Joh, kijk es...!" Een stapel kranten is uit elkaar gegleden en een paar stukgelezen blaadjes komen tevoorschijn. „Hé? Nou, nou..." Douwe presteert het om geen kleur te krijgen.

Berends vingers slaan gehaast een paar bladzijden om. Vulgaire meiden, mannen ook...

„Zeg... schiet es op jullie!" Een doos ploft vlak voor Douwes voeten neer. Verward pakt hij hem op. Maar Berend moffelt vlug de krantjes onder z'n jack. „Straks thuis eens beter bekijken, joh!"

„Och..." weifelt Douwe.

Maar Berend werkt al onverstoorbaar door en verder komt Douwes protest niet.

Er is veel oud papier deze keer. Berend en Douwe hebben hun handen vol en ze praten niet meer over hun vondst.

Als ze aan het eind van de morgen uit elkaar gaan, vraagt Berend: „Kom je vanmiddag naar ons? "

Douwe knikt. „Goed, ik breng m'n aardrijkskunde mee, dan kunnen we samen die rip doen..."

„Juist", vindt Berend en hij geeft hem een knipoog.

Het doet Douwe niet prettig aan, maar toch weet hij: Berend is ook alleen maar nieuwsgierig, net als ik.

Er komt een trage mist opzetten, als Douwe die middag naar het huis van Berend fietst. I-Iet doet een beetje onwerkelijk aan, net, of de wereld steeds kleiner wordt. Het weggetje door het bos lijkt wel een zilveren tunnel. Fijne druppeltjes parelen zich op de takken van de dennen en langs de ragdunne spinnewebben er tussen in.

Als Douwe aanbelt bij Berend, doet Gerda de deur open. Ze heeft haar jas aan, ze staat klaar om weg te gaan.

Douwe verbijt moedig zijn teleurstelling. I-lij zou haar iets willen zeggen over de sprookjeswereld buiten. Mooie dichterlijke gedachten komen in hem op, maar hij brengt het niet verder dan: „Wat een mist, hè..."

Berend komt nu ook de gang in. „Hoi, Douwe. Doe je jas uit. Ga jij weg, Ger? " „Even naar de stad..." zegt Gerda. Ze zoekt naar haar tas.

„Heb je nu nóg niet, genoeg kleren? "

„Phoe..." Gerda, die daarnet een beetje verlegen was, komt weer los. „Ik hoef niet eens kleren te hebben. Jij mag wel eens naar de stad gaan, Berend. Die spijkerbroek kan écht niet meer..."

„Breng jij er dan één voor me mee." „Ik kijk wel uit. 't Is toch altijd te lang, te kort, te licht of te blauw..."

Douwe houdt zich buiten het kibbelpartijtje en neemt gretig Gerda's pittige, spontane gezichtje in zich op. Wat is ze anders dan hij!

wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1981

Daniel | 28 Pagina's

DOUWE, DE DICHTER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1981

Daniel | 28 Pagina's