WIE GOD VERLAAT
ONS VERVOLGVERHAAL DEEL II
Kerstavond. Plechtig beieren de klokken over het stille dorp. Een dringende nodiging tot allen om naar het Godshuis te komen en te luisteren naar het aloude evangelie van Christus' geboorte. Het sneeuwt. Sinds het vroege morgenuur dwarrelen de vlokken onafgebroken neer. Ze bedekken alles wat grauw is en somber met een schitterend wit tapijt.
Margriet staat voor het zijraam van de huiskamer. Van hieruit heeft ze het zicht op de kerk. Zacht licht schijnt door de hoge boogramen op de besneeuwde bomen rondom.
De kerkgangers kloppen elkaar bij het verlichte portaal de sneeuw van de schouders. Net een kerstkaart, denkt Margriet.
Nu de klokken zwijgen, vangen haar oren de klanken op van het kerkorgel. Zij herkent de melodie: „Hij heeft gedacht aan Zijn genade. Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt".
Het is kerst. En het is goed om thuis te zijn. Tot deze konklusie is Margriet vandaag gekomen. Haar boosheid is gezakt, haar opstandigheid is geweken. Ze heeft er erg tegenop gezien om aan Loes te vertellen dat ze niet mee mocht naar Zwitserland. Gelukkig deed Loes er niet moeilijk over. Zij zou wel aan een nichtje vragen mee te gaan.
De logeerpartij bij tante Els is ook niet doorgegaan. Er werden al andere logee's verwacht. Met Pasen was ze echter hartelijk welkom.
Margriet is met een prachtig kerstrapport thuisgekomen. En toen wachtte haar een verrassing. Als ze het beleven mag, mag ze naar een jeugdkamp in Zwitserland of Oostenrijk. Dan zal dus toch haar hartewens in vervulling gaan. Ze zal de bergen zien.
Het is achteraf maar goed, dat die va-^ kantie met Loes niet is doorgegaan. Wat zou er van de kerstdagen terechtgekomen zijn? Het zijn immers mensen, die in hun leven met God geen rekening houden. En dan de jaarwisseling. Ze zullen er ongetwijfeld een gezellig feest van maken. Maar psalm negentig, die hoort bij oudejaarsavond, zal om twaalf uur niet gelezen worden.
Er zal ook niet in een ernstig gebed belijdenis van schuld worden gedaan en gesmeekt om een zegen voor het nieuw begonnen jaar.
Maï'griet weet nu wel, vader heeft de juiste beslissing genomen. Ze is zelfs verzoend met het feit, dat mevrouw van Beveren bij hen logeert.
Bij de gedachte aan haar keert Margriet zich van het raam af. Ze schuift een stoel bij de haard, tegenover mevrouw van Beveren. De oude dame wendt haar gezicht af van het vuur en zegt: „Ik dacht zojuist aan een ander kerstfeest heel lang geleden. Dat, wat toen gebeurde, heeft voor altijd mijn leven veranderd. Door die gebeurtenis ben ik invalide geworden, maar ik heb daardoor ook de weg terug naar God gevonden. Zal ik het vertellen? "
Als Margriet bevestigend antwoordt, begint ze: „Ik heb een gelukkige jeugd gehad. Mijn ouders brachten me al vroeg in aanraking met de Bijbel en leerden mij bidden. Ik bezocht een christelijke school en ging met mijn ouders naar de kerk, Ook ging ik op de catechisatie. De gevaren en verleidingen van de grote stad hadden nog op geen enkele manier vat op me. Na de lagere school en twee jaar huishoudschool, werd het de hoogste tijd dat ik een baantje zocht. Het geld dat ik verdiende zou in ons grote gezin heel welkom zijn.
Mijn ouders vonden werk voor mij op een naaiatelier. Daar hanteerde ik, met nog zeven andere meisjes elke dag naald en draad. Natuurlijk werd er onder het naaien druk gebabbeld. Daar op dat atelier maakte ik voor het eerst kennis met een wereld, die totaal vreemd voor me was.
De meisjes praatten over films, het café en over hun zoveelste verkering. Doordat ik daar niet over mee kon praten, werd ik al gauw „het groentje" genoemd. Eén meisje, ze heette Trees, had medelijden met me. Ze wilde, dat ik ook eens van het leven genieten zou.
Op een dag zei ze: „Meid, zaterdag neem ik je mee naar de film. Om zeven uur sta ik op de hoek van jouw straat". Ik schrok en protesteerde: „Dat vinden mijn ouders nooit goed." Ze lachte en zei: „Domme gans. Dat zeg. je natuurlijk ook niet. Heb je geen vriendin van de kerk? Ja? Dan zeg je toch, dat je daar naar toe gaat."
Nu had ik inderdaad een vriendin, Jennie. Met haar ging ik naar de catechisatie en ook 's zaterdagsavonds ging ik er wel heen. Er zou dus geen haan naar kraaien, als ik het deed. Zo zette ik die zaterdagavond, zij het ook met een kloppend hart, mijn eerste schreden op het verkeerde pad.
Na die ene avond, volgden er nog velen. Het bleef niet bij de bioskoop, ik ging. ook mee naar het café en leerde een borrel drinken. Al spoedig was ik helemaal opgenomen in de klub van „vrienden". In het begin protesteerde mijn geweten heftig tegen mijn handelwijze. Maar die stem werd al zwakker en zwakker.
Eens, ik weet het nog goed, zongen we 's zondags in de kerk een vers uit psalm tweeëndertig, waarin voorkwam: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Ik was er van onder de indruk en op dat moment besloot ik mijn leven te beteren, 's Maandags was ik echter mijn voornemen zo goed als vergeten. En 's zaterdags ging ik weer vrolijk op pad met mijn nieuwe vrienden.
Dat mijn bedrog nooit is uitgekomen, is me nu nog een raadsel. Nooit, als ik wegging hadden mijn ouders argwaan. Ik ging immers naar Jennie, zo dachten zij. Ik hoor mijn moeder nog zeggen: „Dag hoor kind, een gezellige avond. Doe je ze de groeten bij Jennie thuis? " Ik durfde op zo'n moment, niet naar haar lieve gezicht te kijken. Ze was zo helemaal overtuigd, van mijn eerlijkheid en onschuld. Het deed me dan even pijn, haar zo te bedriegen.
Maar eenmaal buiten, legde ik resoluut mijn geweten het zwijgen op. Een paar uur lang maakte ik dan uitbundig plezier en maakte mezelf wijs, dat dit pas leven was. Maar later op de avond kwam de ontnuchtering.
Om de schijn op te houden, dat ik bij Jennie geweest was, zorgde ik er altijd voor op tijd thuis te zijn. Mijn ouders wachtten mij dan op. Kun je je voorstellen, Margriet, hoe ik me voelde als mijn moeder hartelijk vroeg: „Ben je daar weer kind? Was het gezellig bij Jennie? " En ik maar liegen: „O ja moe, best hoor. We hebben met Jennies broertjes een spelletje gedaan en daarna nog een poosje gezongen bij het orgel." Even later op bed snikte ik dan mijn ellende uit. Wat voelde ik me schuldig en zondig. Vaak kwam me weer die psalmregel voor de aandacht: „Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen". Soms voelde ik de aandrang, om alles aan mijn moeder te vertellen. Zij zou me dan van dat atelier weghalen., zodat ik geen omgang meer had met de andere meisjes.
Maar dan was er ook weer mijn andere ik, die geen afstand wilde doen van pretjes en feestjes.
En zo werd het kerst. Op de laatste werkdag voor de feestdagen hadden wij op het atelier een plan bedacht.
Wij zouden met enkele jongens, die van hun vader de aut.o mochten lenen naar de hoofdstad gaan.
Daar zou een groot feest georganiseerd worden met bal na. Omdat we wel een uur over de rit zouden doen, moesten we vroeg in de avond vertrekken. Dat bracht een moeilijkheid met zich mee voor mij. Ik zou voor 't eerst een kerkdienst moeten verzuimen. En als het 's avonds laat zou worden, kon ik bovendien niet aankomen met het verhaal, dat ik bij Jennie geweest was.
De enige manier was, om te zeggen dat ik me niet goed voelde.
Vóór kerktijd zou ik naar bed gaan, om er natuurlijk uit. te komen, zodra mijn ouders naar de kerk waren. Ik zou vragen of mijn moeder me, na thuiskomst niet wilde storen in mijn slaap. De reservesleutel van de voordeur zou ik meenemen om me geruisloos toegang te verschaffen tot het huis.
Zo ik me voorgenomen had, deed ik ook. In de loop van de namiddag begon ik mijn bedriegelijke rol te spelen. Het eten, zo heerlijk door mijn moeder klaargemaakt, smaakte me niet. Ik kreeg hoofdpijn en voelde me rillerig.
Tegen kerktijd 1 zei ik, dat ik liever naar bed ging. Mijn lieve, zorgzame moeder maakte een warme drank voor me klaar en legde een kruik in bed. Maar toen ze aanbood bij mij te blijven, sloeg de
schrik me om het hart. Dat was de bedoeling niet! Ik protesteerde dat ik toch geen klein kind meer was!
„Ga nou maar gerust naar de kerk, moe', ' zei ik. „Dan ben ik morgen weer fris." Na enig aarzelen ging ze dan toch maar met vader mee.
Opgelucht hoorde ik de deur achter hen dichtvallen. Na ongeveer tien minuten stond ik op en kleedde me aan. Even later was ik al op weg naar de afgesproken plaats. Het gebeier van de kerkklokken hinderde me onuitsprekelijk. 't Was alsof ze een dringend beroep deden op mijn geweten. Ik hoorde er een laatste waarschuwing in van Gods wege. Maar ik keerde niet, om. Eenmaal in de auto was ik de luidruchtigste van allemaal. Ik wilde die klokken overschreeuwen. Buiten de stad hoorde ik ze gelukkig niet meer.
Opeens werd ik bang. Ik had Gods roepstem (de laatste? ) in de wind geslagen. Ik huiverde, maar kon niet meer terug. Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming, probeerde ik te vergeten. Ik deed uitbundig met de anderen mee. Maar, hoe harder ik lachte, hoe meer het van binnen pijn deed.
's Nachts keerden we terug naar huis. We hadden allemaal teveel gedronken en waren overmoedig. Dat er een dikke mist hing, drong niet eens tot ons door. Met een onverantwoordelijke snelheid reden we over de wegen.
Tot, in een bocht, de verschrikkelijke klap kwam. Daarna wist ik niets meer. Toen ik drie dagen later bijkwam uit mijn bewusteloosheid, was er, zoals dat altijd het geval is, de bevreemding. Waar was ik? Wat was dit voor een vreemde kamer? En was dat een zuster? Was ik dan in een ziekenhuis?
Langzamerhand kwam de herinnering terug aan de feestavond en daarna de dolle thuisrit. En met de herinnering kwam de schrik. Hoe was het met de anderen? De zuster, die bij mijn bed kwam zitten, nam mijn hand in de hare. Levensgroot moet de angst in mijn ogen te lezen zijn geweest.
Toen vertelde de zuster. We waren in volle vaart tegen een boom gereden. De beide jongens die voorin zaten, waren op slag dood. Twee meisjes waren gewond, waarvan de één levensgevaarlijk. Ikzelf was er nog het beste van af gekomen. Mijn benen waren er slecht aan toe. In voorzichtige bewoordingen vertelde ze me de waarheid. Ik zou waarschijnlijk nooit helemaal goed meer kunnen lopen. Misschien door veel oefenen, later met krukken. Ik was diep onder de indruk van hetgeen ze me verteld. Die twee jongens plotseling overgezet van de tijd in de eeuwigheid. En ik, wat was ik dicht bij de dood geweest. Ik durfde er niet aan te denken hoe het was geweest als ik voor Gods rechterstoel had moeten verschijnen. Wat had ik tegen licht en beter weten in gehandeld en alle waarschuwingen in de wind geslagen.
Diezelfde middag kwamen mijn ouders. O, wat schaamde ik me voor hen. Als ze alles eens wisten! Hoe lang had ik ze al bedrogen. Het gebod „Eert uw vader en uw moeder" had ik met voeten getreden. Daar zaten ze nu liefdevol bij mijn bed. Ik wilde praten, maar ik kon alleen maar huilen. Mijn moeder legde troostend haar hand op de mijne en zei: „Stil maar kind.. Vermoei je maar niet. Dat is niet goed voor je. Praten komt later wel. We zijn zo dankbaar, dat we je nog hebben mogen."
Toen ik enkele weken later thuiskwam uit het ziekenhuis, vertelde ik hen de hele waarheid zonder ook maar iets achter te houden. Mijn ouders maakten zichzelf nog verwijten dat ze mij naar dat atelier hadden laten gaan. Ze voelden zich mede schuldig. Maar ach, wat wisten zij ook van .de wereld buiten hun besloten kring? Ik heb hen om vergeving gevraagd. Maar bovenal mocht ik aan de Heere mijn schuld belijden en smeken om vergeving.
Naar het atelier ben ik niet meer terug gegaan. Ik leerde typen en kreeg een eenvoudig baantje op een klein kantoor."
Even is mevrouw van Beveren nog in gepeins verzonken. Dan zegt ze: „Dat was mijn verhaal, Margriet. God heeft mij in Zijn liefde gedwongen mijn boze weg te verlaten. Sindsdien voel ik me altijd gedrongen om tegen jonge mensen te zeggen, wat er staat in psalm tweeendertig: „Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen, wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen." Ik hoop, Margriet, dat ook voor jou die dwang nooit nodig zal zijn kind."
Als Margriets moeder later op de avond voorstelt nog wat te zingen en Margriet zich aan het orgel zet, speelt ze als vanzelf de melodie van psalm tweeëndertig. Geen kerstlied zozeer.
Maar de oude vrouw en het meisje begrijpen elkaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1980
Daniel | 28 Pagina's