WIE GOD VERLAAT
ONS VERVOLGVERHAAL DEEL I
„Margriet hoor es. Ik weet wat leuks." Met glinsterende ogen schuift Loes haar fiets in het rek op het schoolplein. Margriet sjort haar schooltas nog wat hoger op haar heup en kijkt haar vriendin verwonderd aan. Wat kan er nou zo leuk zijn op deze trieste regenachtige decemhermorgen met een repetitie engels in het vooruitzicht?
Juist als Loes begint met: „Nou meid, moet je horen", luidt de bel en moeten ze naar hinnen.
Margriet, nieuwsgierig gemaakt, zegt: „Vertel het eens gauw Loes, wat heb je? " Maar Loes, die er altijd een omslachtige verteltrant op na houdt, wil haar het verhaal in geuren en kleuren vertellen. Dus zegt ze: „Nou niet, straks in de pauze."
Er zit voor Margriet niets anders op dan haar ongeduld te bedwingen. Onder de godsdienstles dwalen haar gedachten nogal eens af. Wat zou er zijn? Loes keek zo stralend. Het volgende uur kan ze zich gelukkig goed konsentreren op haar repetitie engels. Maar als de bel gaat voor de pauze, pakt ze vlug haar jas van de kapstok en zoekt haar vriendin op.
Meteen steekt Loes van wal: „Je weet dat we elk jaar met Kerst en Oud en Nieuw naar de wintersport gaan hé? Weet je dat ik op de ski's al aardig vooruit kom? Ik volg nog steeds de lessen, maar ik ben vorige winter bevorderd naar een hogere klas. Over twee weken, als het vakantie is, gaan we er weer heen. Ben jij wel eens in Zwitserland geweest? Nee hé? Nou kind, het is er gewoon schitterend. Ik verlang er nu al naar. Maar nu moet je horen wat mijn ouders gisteravond tegen me zeiden: „Loes, zou je het niet gezellig vinden, als je deze keer eens een vriendin meenam? We kunnen gemakkelijk met z'n vieren in de auto en in het chalet dat we huren is altijd plaats genoeg." Nou, ik was in de wolken natuurlijk. Ik ben ze allebei om de hals gevallen. Je snapt wel, dat ik gelijk aan jou dacht. We zijn nog wel niet zo lang vriendinnen, maar we kunnen reuze goed met elkaar opschieten, dus kies ik jou. Vind je 't niet enig? "
Als Margriet niet dadelijk antwoord geeft, vraagt ze een beetje verontrust: „Je wilt toch wel? Meid, je weet niet half hoe eerlijk het daar is."
„Niet willen? " antwoord Margriet. „Wie zou zoiets nou niet willen! Ik heb nog nooit een voet over de grens gezet. Het lijkt me geweldig om echte bergen te zien!"
„Fijn", jubelt Loes. „Zullen wij even een geweldige vakantie hebben. Vraag het nu vanavond gelijk aan je ouders. Ze zullen het toch wel goed vinden zeker? " Nog vóór Margriet antv»roord kan geven, rent een wilde troep eerste-klassertjes tussen hen door. Als ze elkaar weer gevonden hebben, is Loes haar vraag alweer vergeten en begint zo al de fijne dingen op te sommen van een kerstvakantie in Zwitserland.
Eenmaal terug in de klas denkt Margriet aan de vraag van Loes: „Je ouders zullen het toch wel goedvinden? " Ze heeft er toen geen antwoord op gegeven. Maar ze wéét het antwoord wel. Margriet is er vast van overtuigd dat het „nee" zal zijn.
Maar hoe moet ze .dit aan Loes uitleggen? Als ze de werkelijke reden zegt, zal ze er niets van begrijpen. En het lijkt ook zo ondankbaar. Je zal toch zo'n schitterende reis aangeboden krijgen! Dat kun je toch bijna niet weigeren. Het beste is, dat ze een smoes verzint. Maar welke?
O, wat een probleem nou weer. Margriet steekt koppig haar kinnetje vooruit. Toch zal ze het vanavond thuis serieus bepraten. En dan moet vader maar eens met gedegen argumenten komen en op grond van de Bijbel vertellen, wat daar tegen is. Ze laat zich dit buitenkansje niet zo maar ontglippen.
In de late namiddag fietst Margriet de lange, kronkelige dijk uit, die de stad waar zij op school gaat, verbindt met het dorp waar zij woont. Het kleine dorp, waar zij èen jaar geleden zelfs de naam niet van kende.
Haar vader, die predikant is, had twee beroepen bijna tegelijk gekregen. Het ene van een grote gemeente uit een stad, het andere van een kleine gemeente in een dorp.
O, wat heeft Margriet in spanning gezeten. Wat heeft ze gehoopt dat haar vader voor beide beroepen bedanken zou. Ze was gehecht aan hun kleine stad, hun gemeente, waar ze haar vriendinnen had, de zang en de meisjesklub. En als hij één van beide beroepen aannam, dan natuurlijk het liefst de stad. Maar het werd het kleine dorp. Daar was de nood het grootst, had haar vader gezegd.
Wat was ze opstandig geweest. Op de dag van de verhuizing had ze met tranen in de ogen voor het laatst rondgekeken op haar zonnige slaapkamer. Ook op de Havo had ze afscheid moeten nemen van de klasgenoten en de leraren. In het kleine dorp was natuurlijk geen Havo. Ze werd ingeschreven op een school in de naburige stad, twaalf km van het dorp vandaan. Alleen, het was geen reformatorische school. Algemeen christelijk heette het. Het verschil met haar vorige school was in dat opzicht wel groot. Dat had Margriet al ondervonden.
Ze was bevriend geraakt met Loes de Boer, enigst kind van rijke ouders. Waarom Loes op een christelijke school ging, was Margriet een raadsel. Thuis „deden ze nergens aan". Zelfs bidden en danken aan tafel was er niet bij. Iiet had Margriet wel eens bezwaard, die vriendschap. Maar Loes was hartelijk en spontaan, ze kon haar toch ook zo maar niet van zich afstoten.
Margriet zucht. Ze zit maar mooi met dat vakantieprobleem. Zelf zou ze graag meewillen, maar ze heeft geen schijn van kans.
Ze weet precies wat vader zeggen zal. „Nee m'n kind. Die mensen houden Gods dag niet in ere en de betekenis van Kerst zal ze ten enenmale ontgaan." Vader zou haar zelfs verdrietig aankijken en zeggen: „Zou jij het zelf werkelijk willen, Margriet? " En hij zou er ernstig aan toevoegen: „We moeten in ons leven een keus maken, kind. God dienen en de wereld gaat niet, hoor!" Toch wil ze het proberen vanavond. Al gaan ze dan niet naar de kerk, daar in Zwitserland, ze kan toch haar Bijbeltje meenemen en 's avonds voor zichzelf lezen. En bidden kan ze er toch ook, houdt ze zichzelf voor. Ze zal in ieder geval haar best doen, vanavond.
Met een driftig gebaar klapt Margriet haar geschiedenisboek, dicht. Bah, wat interesseert haar de franse revolutie nou! Ze heeft wel andere dingen aan haar hoofd. Morgenochtend zal ze wel wat vroeger opstaan om de les nog eens na te kijken, Nu kan ze zich toch niet konsentreren. Haar gedachten cirkelen steeds om de kerstvakantie.
Zoeven aan tafel, tijdens de maaltijd, is ze er maar meteen over begonnen. Het is gegaan zoals ze gedacht heeft. Plet werd een weigering. En vaders stem was zo beslist geweest, dat Margriet geen enkele tegenwerping had durven maken.
Ze is bitter teleurgesteld. Haar droom van besneeuwde bergen en dorpjes in de dalen is in rook vervlogen. Oproerige gedachten vervullen haar. Altijd is het: dit mag niet en d.at mag niet. Maar het kwaadst wordt ze altijd als vader zegt: „Ik ben voorganger kind. Wij moeten het voorbeeld geven in de gemeente." Wacht maar, als ze achttien is keert ze dit bekrompen dorp de rug toe. Gaat ze in de stad op kamers wonen. Dan kan ze tenminste haar eigen gang gaan. Als moeder binnenkomt met de koffie, neemt Margriet, om zich een houding te geven, haar bibliotheekboek. Ze zal proberen nog wat te lezen. Dat verzet haar gedachten even.
Vader, in zijn stoel bij de haard, geniet van de avondrust. Hij is zojuist terug van een kerkeraadsvergadering. Er waren geen moeilijke gevallen, geen problemen te bespreken, zodat hij vroeger thuis is dan gewoonlijk.
Toch is er één ding, dat hem bezig houdt. Daarom begint hij: „Vrouw, jij kent mevrouw van Beveren toch ook hé? Je weet wel, ze is oud en invalide en ze heeft niemand op de wereld. Wij, de kerkeraad, hebben het eindelijk voor elkaar om haar in een verzorgingstehuis geplaatst te krijgen. Direkt na de kerstdagen mag ze komen. Maar nu is er een moeilijkheid. Juffrouw de Jong, die altijd bij haar in huis is, wil de feestdagen doorbrengen bij haar broer in het noorden. Zij heeft hem al zo lang niet gezien. Maar mevrouw van Beveren kan niet alleen zijn. Vind je het erg, om ze met de kerstdagen bij ons te nemen? Weet je, als we ons niets van haar aantrekken zou ik me voelen als de priester en de leviet in de gelijkenis, die aan de gewonde voorbij gingen."
Zijn vrouw antwoord spontaan: „Ja, laten we dat doen, Margriet en ik kunnen best ieder een kerkdienst verzuimen om haar gezelschap te houden. En in het zijkamertje beneden kunnen we een bed voor haar neerzetten."
Als Margriet dat hoort is de maat voor haar opstandigheid vol. Nu zal ze ook nog een oude vrouw op moeten passen! Nooit! Ze weet wat haar te doen staat. Vanavond schrijft ze nog naar tante Els, of ze mag komen logeren. Met een kort „welterusten" gaat ze naar boven en sluit de deur van haar kamer met een harde klap.
(wordt vervolgd)
Werkendam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1980
Daniel | 28 Pagina's