REFORMATIE IN DE NEDERLANDEN
In dit artikel wordt niet de gehele Reformatie in de Nederlanden besproken. We beperken ons tot het aangeven van enkele hoofdlijnen.
De Reformatie in Antwerpen
De eerste plaats in de Nederlanden waar invloed van de Reformatie merkbaar werd, was Antwerpen. In deze handelsstad woonden veel duitse kooplui, waardoor er nauwe kontakten waren met het duitse rijk. Bovendien speelde ook de toepassing van de boekdrukkunst een belangrijke rol bij de verbreiding van Luthers ideeën. Al in het voorjaar van 1518 waren er geschriften van Luther te koop in Antwerpen! Ook stond hier een augustijner klooster, waar de ordebroeders van Luther ijverig zijn geschriften bestudeerden. Vooral de prior van dit klooster, Jacobus Praepositius, bleek al spoedig een volgeling van Luther, Erasmus schreef over hem in 1519 aan Luther: „Hij is van allen ongeveer de enige die Christus predikt". Ook hier in Antwerpen bleek dus duidelijk dat het niet slechts ging om een afwijzing van de aflaathandel, maar vooral om een totaal andere kijk op de genade in Christus. Luther had immers Gods gerechtigheid leren verstaan als onverdiende vrijspraak van zonde en straf in Christus. Dat had natuurlijk tot gevolg dat Luther en zijn volgelingen ook anders gingen denken over de rol van de kerk. De Rooms-katholieke Kerk zag zich zelf als uitdeelster van de genade, die immers door haar bediening van de sakramenten werd uitgestort. In zijn boekje „Over de babylonische gevangenschap van de kerk" wees Luther de sakramentsleer van de rooms-katholieke kerk af en daarm.ee was zijn breuk met de kerk in feite al definitief. Voor Luther en zijn volgelingen kwam de verkondiging van Gods Woord weer op de eerste plaats. Het genoemde boekje van Luther werd al in de winter van 1520 te Antwerpen gedrukt en uitgegeven. Terwijl vooral in Antwerpen de invloed van het lutheranisme groeide, werd over Luther zelf in 1521 op de rijksdag te Worms de ban uitgesproken. Landsheer Karei V wenste in zijn gebieden de eenheid te bewaren en besloot streng tegen het lutheranisme op te treden. Dit werd ook in Antwerpen merkbaar, waar 400 boeken van Luther in het openbaar werden verbrand. Ook Praepositius moest ondervinden dat de overheid strenger was geworden. Hij werd aan een geloofsonderzoek onderworpen, waarbij hij met de dood werd bedreigd. Onder deze druk bezweek hij en herriep hij zijn vroegere prediking. Later kreeg hij hierover berouw en na zijn vrijlating preekte hij opnieuw met sterke nadruk op de genade in Christus. Hij werd. weer gearresteerd, wist echter tei ontsnappen en vluchtte naar Wittenberg. Toen zijn opvolger ook een lutheraan bleek te zijn, besloot de overheid om streng tegen dit antwerpse klooster op te treden. Ze lieten een deel van de monniken gevangen nemen en het gebouw werd ontwijd en gesloten. Enkele monniken, waaronder Hendrik Voes en Jan. van Essen, weigerden te herroepen na het geloofsonderzoek. Op 1 juli 1523 werden ze ontvdjd, waarna ze werden verbrand. Luther was diep getroffen door het lot van zijn ordegenoten en schreef een brief om te troosten „An die christen ym Nidder land".
Delft
We zien dus dat het lutheranisme als eerste reformatorische stroming invloed kreeg in de Nederlanden en wel vooral in het zuiden te Antwerpen.
Waren dan in het noorden geen reformatorische invloeden te bespeuren?
In Delft had zich een groepje van meer ontwikkelden gevormd rond de dominicaan Wouter. Andere bekenden hier waren: Cornelis Hoen, Hinne Rode, Willem de Volder en Frederik Hondebeke. Dit groepje is vooral bekend geworden door hun afwijkende avondmaalsopvatting. Hoen beschouwde brood en wijn als zinnebeelden: „Dit is mijn lichaam" vatte hij op als „Dit betekent mijn lichaam". Volgens hem mocht de kerk dan ook geen aanbidding van dit sakrament eisen.
Men besefte heel goel dat dit een grondige aantasting van de gebruikelijke kerkleer betekende en daarom zocht men hierover kontakt met Luther. Waarschijnlijk eind 1521 ging Hinne Rode op reis naar Duitsland om hierover met Luther te spreken. Maar Luther wilde van deze avondmaalsopvatting niets weten! Rode liet zich echter door Luther niet overtuigen en bracht in 1523 de avondmaalsopvatting van Hoen onder de aandacht van de Zwitserse reformator Zwingli. Deze liet de brief van Hoen uitgeven als een „bij uitstek Christelijke brief... gezonden uit het land van de Bataven... over het avondmaal gans anders handelend dan tot nog toe geschiedde". Zo kunnen we dus stellen dat Zwingli, wat zijn avondmaalsopvatting betreft, nog vanuit de Nederlanden beïnvloed is. In het noorden van de Nederlanden was dus een groep, die wat de avondmaalsopvatting betrof, duidelijk verschilde van de lutheranen. Tot de hard optredende overheid drong dit voorlopig nog niet door; zij bleef alle verdachten aanduiden als „lutheranen".
Tot deze groep behoorde ook Jan de Bakker uit Woerden, die in 1525 werd gevangen genomen. Spoedig daarna werd hij te Den Haag verbrand. Op hem is dus ook de benaming lutheraan niet van toepassing. Het kenmerkende van deze mensen was hun afkeer van kerkelijke gebruiken en hun „zwingliaanse" kijk op het avondmaal. Heel duidelijk komt dit ook naar voren bij Wendelmoet Claesdochter uit Monnikendam, die tegen haar rechters opmerkte: „Ic houde u sacrament voor broot ende meel". In 1527 werd zij eveneens in Den Haag ter dood gebracht. Deze eerste noordnederlandse geloofsslachtoffers staan in de kerkgeschiedenis bekend als „sakramentariërs". Over hun verdere leer is weinig bekend, maar we kunnen ze eerder als zwingliaan dan als lutheraan aanduiden. Hoewel zijn optreden wat later ligt, kunnen we toch ook de bekende pastoor uit Garderen, Jan Gerritsz. Versteghe, in deze lijn plaatsen. Na drie jaar gevangenschap wist hij naar Duitsland te vluchten, waar hij „Der Leken Wechwijser" schreef. Hierin merkt hij over het avondmaal op: „Dat auontmail is een certein wairteiken, dat ons Christus de salicheit mit sijnen bloit hefft verworuen..." Ook bij de opstelling van de Heidelberger Catechismus was hij later nog betrokken, waar vraag en antwoord 98 over de beelden als „boeken der leken" waarschijnlijk van zijn hand zijn!
Lutheranisme
Hoewel we dus in de Nederlanden, zowel het noorden als het zuiden, reformatorische invloeden kunnen aanwijzen, bleef de reformatie in de eerste periode tot 1530 toch beperkt tot enkelen. Het harde optreden van de overheid speelde hierbij natuurlijk een rol, maar het kwam ook door het sterke gericht zijn van het lutheranisme op gehoorzaamheid aan de overheid. In het duitse rijk beslisten de keurvorsten welke godsdienst hun onderdanen mochten aanhangen. Het lutheranisme zocht daar dan ook bescherming bij de lutherse keurvorsten en het gaf totaal geen richtlijnen voor organisatie van. het kerkelijk leven in het geval dat de overheid tegenwerkte. Ook hierdoor kwam het lutheranisme in ons land niet tot sterke uitbreiding!
Dopersen.
In de volgende jaren kwam de sterke stroom van dopersen op; uitlopend in het beruchte drama van Munster. Tegen deze revolutionaire groep trad de overheid met harde hand op. Vooral Amsterdam. kende een grote gemeenschap van dopersen binnen de muren. Nadat ze het stadhuis hadden aangevallen, werden velen van hen opgehangen. De schok die d.e dopersen met hun revolutionaire optreden veroorzaakten, werkte nog jarenlang, na. Door hun optreden waren de plaatselijke overheden ge-
dwongen veel meer aandacht te schenken aan het opsporen en straffen van „ketters". Toch ging het drukken en verspreiden van reformatorische geschriften in het diepste geheim door. Maar ook de drukkers werden nu door de overheid aangepakt, zoals de antwerpse drukker Jacob van Liesveldt. Hij had hij zijn uitgave van de volledige Bijbel in 1542 de kanttekening laten drukken, dat „de salicheyt der menschen alleen compt door Jesum Christum". In 1545 werd hij hierop te Antwerpen onthoofd.
Nergens in Europa was het in deze periode zo onveilig als in de Nederlanden. Vandaar dat velen het land ontvluchtten, zodat op veel plaatsen vluchtelingen gemeenten ontstonden, o.a. in Wezel, Emden en Londen.
Calvinisme
In de periode na 1540 treedt steeds meer het calvinisme op de voorgrond, dat als nieuwe reformatorische stroming vanuit Frankrijk de Nederlanden binnendrong. Zo reisde Pierre Brully, de opvolger van Calvijn te Straatsburg, in 1544 langs de plaatsen Valencijn, Atrecht, Dowaai, Rijsel en Doornik. En vooral na 1548 ontstond er een steeds nauwer kontakt met Genève, dat steeds meer het centrum van de Reformatie werd. Het uitgangspunt van het calvinisme was de absolute soevereiniteit Gods, over alle terreinen van het aardse leven. Dat heeft natuurlijk ook gevolgen voor de kerkelijke organisatie. •Calvijn wenste een strikt presbyteriale kerkorde, waarbij de kerkelijke ambten sterk van onderaf, uit de gemeente opkomen. Verder diende de kerk zich onafhankelijk en zelfs' getuigend tegenover de overheid op te stellen! Dit in tegenstelling tot het lutheranisme, waar de kerk tegenover de staat haast een slaafse gehoorzaamheid aan de dag legt. Het calvinisme bracht naar voren, dat de onderdanen naar de bijbelse regel „Gode meer gehoorzaam moeten zijn dan de mensen". In het uiterste geval, als de koning eisen stelt of bevelen geeft die tegen Gods Woord, ingaan, moeten de onderdanen zelfs in opstand komen!
We konstateren dus dat Calvijn een totaal andere opvatting had over de verhouding van kerk en staat, dan Luther en Zwingli. Beide laatsten kenden de staat nog grote invloed toe op kerkelijke zaken. Terwijl Calvijn juist de kerk volkomen zelfstandig wil zien en vrij van de staat. Op zijn gebied, de ordening van het openbare leven, heeft de staat een goddelijke roeping; waarop de kerk ook voortdurend moet wijzen. De taak van de kerk is het getuigend oproepen van overheid en volk tot gehoorzaamheid aan Gods geboden. En verder dient de staat de kex"k in gelegenheid te stellen haar opdracht in de wereld in volle vrijheid te kunnen vervullen.
Wat dus direkt opviel bij het calvinisme was de sterke organisatie, waarbij de gemeenten werden opgebouwd zonder steun van de overheid, ja zelfs desnoods tegen haar in! Dit is één van de redenen waardoor het calvinisme zich in de periode na 1540, in tegenstelling tot het lutheranisme, snel uitbreidde. Al spoedig kwamen er ook predikanten uit hun midden voort, waarvan Guido de Brés en Petrus Datheen wel de bekendste zijn. Aan Guido de Brés danken we de Nederlandse Geloofsbelijdenis, terwijl Datheen enkele jaren later voor een vertaling van de Heidelberger Catechismus en een psalmberijming in het nederlands zorgde.
Vooral het feit dat de calvinisten in de Nederlanden nu over twee duidelijke geloofsbelijdenissen beschikten, is van onschatbare waarde geweest voor en bij de verdere verbreiding van deze reformatorische stroming. We zien dus hoe het calvinisme na 1550, door sterke organisatie en een duidelijk omlijnde leer, steeds meer op de voorgrond kwam te staan.
Zo onstond en gemeenten te Brugge, Gent en Antwerpen. En vooral na het beëindigen van de oorlog tussen Filips II en Frankrijk kwamen veel calvinistische predikers ons land binnen. De gemeenten in het zuiden groeiden tegen de verdrukking in. Ze gebruikten franse schuilnamen, zoals „de roos" voor Rijsel, „de palm" voor Doornik en „de wijnstok" voor Antwerpen. Spoedig hielden ze ook hun eerste synodes, waarbij ze gebruik maakten van de franse kerkorde. De hevige vervolging die losbarstte na de komst van Alva belette echter verdere kerkelijke organisatie. Toch lag de organisatie van het kerkelijk leven niet volledig stil, maar het gebeurde nu vooral buiten de landsgrenzen, zoals in Oost-Friesland. In 1568 kwamen de calvinisten bijeen op het konvent van Wezel en in 1571 kwam te Emden de eerste officiële synode van de Hervormde Kerk van Nederland bijeen. Toen in 1572 door de tirannie van Alva in Holland en Zeeland een volksopstand losbrak, waarvan Willem van Oranje de leiding nam, keerden veel calvinisten naar het vaderland terug. Het verdere verloop van de Tachtig-jarige oorlog zou van beslissende betekenis blijken voor doorwerking van de Reformatie in de Nederlanden. Het noorden wist zich vrij te vechten en daar kwam het calvinisme tot grote bloei. Het zuiden ging langzaam maar zeker aan Spanje verloren, waarbij het protestantisme, dat daar toch zo krachtig had gebloeid, krachtdadig door de overheid werd uitgeroeid.
Terugziend op de geschiedenis mogen we bij deze reformatieherdenking, na ruim vier eeuwen, God dankbaar zijn, dat Hij juist in ons land de Reformatie-bestendigde. En dat in ons land het calvinisme tot zo grote bloei mocht komen en zulke rijke vruchten mocht voortbrengen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1980
Daniel | 28 Pagina's