JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HEERE, BEHOED ONS, WE VERGAAN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEERE, BEHOED ONS, WE VERGAAN

VERVOLGVERHAAL DEEL III

6 minuten leestijd

Na een blauw-witte bliksemflits, zó fel, zó vurig als er nog geen is geweest, volgt een dreunende, ratelende slag. De wind, de golven, 't is alsof ze even de adem inhouden. En in die korte pauze in die wonderlijke stilte klinkt helder en duidelijk Chau's stemmetje: „De Heere Jezus kan alles".

Brullend lachen de golven hem uit, gierend blaast de stormwind die woorden weg. Maar Chau luistert niet naar de woedende golven en de bulderende wind. Hij heeft zijn handjes gevouwen en bidt. Hij bidt het gebed — samen met moeder en Loan — van de' angstige discipelen: „Heere, behoed ons, wij vergaan".

Maar Feng is vloekend overeind gekrabbeld. En vader heeft het roer weer vast in zijn handen en probeert in eigen kracht zijn waggelend scheepje in de koers te houden.

Sommige mannen bidden tot Boeddha, anderen slaan een kruis. Maar in het voorschip onder het half weggeslagen zeil, nat en koud, bidt de kleine jongen zonder ophouden tot Hem, Wien de wind en de golven gehoorzaam zijn.

't Is net alsof die laatste dreunende slag iets van het geweld van de storm heeft m.eegenomen. Nog buldert de wind en woeden de golven, maar het onweer trekt weg. Hoewel de mannen alles wat los zat of lag stevig; vastgesjord hebben, zijn er drie vaten met benzine over boord geslagen en een zak rijst. De angst, dat hun scheepje alsnog zal vergaan is niet minder geworden en het donker van de nacht maakt die angst dubbel zo groot. Wonder boven wonder tjoekt de motor onverstoorbaar voort.

Vloekend op het donker dat maar niet wil wijken, hokken de mannen bijeen. Feng staat weer inde stuurhut. Een felle pijn schiet bij elke beweging van het schip door zijn borst. De watervaten hebben hem een paar gekneusde ribben bezorgd. Vader tuurt door de dichte duisternis heen naar het licht van de naderende dag, maar tevergeefs. De zwarte nacht duurt eindeloos. En voor in het schip, ziek van ellende, doornat en koud proberen de angstige moeders hun kinderen te kalmeren.

Chau heeft een uurtje geslapen. Als hij wakker wordt, weet hij even niet waar hij is. Maar dan o ja, de storm! De wind loeit: „Waar is nou jouw Meester? " De golven brullen: „Wie kan jouw behoeden? " En in zijn angstige hartje

komt de twijfel. De storm is niet weg, de golven zijn niet stil. Weer vouwt hij zijn handjes en vraagt hij, zoals alleen een kind dat kan: „Heere Jezus, U kan toch alles? Ik ben zo koud en nat en ik ben zo bang. Wilt U ons behoeden? "

Gered

Stampend ploegt de grote zeesleper Hercules I zich een weg naar het zuidwesten. De zee is na de istorm van vannacht nog woelig en ruw. De sterke motoren hebben echter geen enkele moeite het schip voort te stuwen. De bemanning heeft werk genoeg. De zware storm heeft ook aan deze sterke boot schade toegebracht, die hersteld moet worden. Met de regelmaat van de klok draait het radarscherm rond. Niet dat er gevaar is dat zich hier of daar een obstakel bevindt, het is voorschrift. Het zicht is niet slecht. Af en toe valt er wat regen, maar de wind neemt steeds meer in kracht af en de golven zijn gelukkig minder hoog eru zwaar. Langzaam verstrijken de uren, een nieuwe nacht komt, een nieuwe dag breekt weer aan. Nog enkele uren en Singapore de grote havenstad op de zuidpunt van Malakka zal in zicht komen.

De zon is door het wolkendek heengebroken en strooit royaal haar zilveren stralen over de oneindige zee. Vrolijk wappert de nederlandse driekleur op de achtersteven. De bemanning is in een goede bui. In Singapore zullen ze een tanker halen, die naar Nederland gesleept moet worden. Ze kunnen straks af gaan tellen.

„Hé stuur, schip in zicht aan bakboord." Kees, de man met de beste ogen van de hele bemanning, wijst naar een stipje dat ver weg op het water dobbert.

„Vast vluchtelingen", schreeuwt hij.

De kapitein laat direkt van koers veranderen. Op volle kracht vaart de Hercules I op het stipje af. De stip wordt een vlek, de vlek wordt een scheepje. „Als ik het niet dacht", mompelt Kees, die op de voorplecht staat. „Stakkerds, wie weet wat ze meegemaakt hebben". Op het scheepje wordt uit alle macht gezwaaid met alle soorten kledingstukken.

De sleepboot ligt al gauw langszij en het duurt niet lang of alle vluchtelingen zijn veilig aan boord van de Hercules I. Het is de lichtste sleep die de Hercules ooit gehad heeft.

Kees staat in de stuurhut van de Vietnamese vissersboot. Hoe is het mogelijk dat ze hierop de oversteek hebben gewaagd! Nu begrijpt hij pas goed dat kereltje dat hij op zijn nek aan boord van de Hercules bracht. Het ventje liet hem een plaatje zien. Je kon nauwelijks onderscheiden wat het voorstelde, t' Was blijkbaar kletsnat geweest. Het joch brabbelde wat in zijn onverstaanbaar taaltje en wees hem op een paar letters onder het plaatje. Toen vouwde hij zijn vuile knuistjes en deed zijn ogen dicht. Hij had gebeden bedoelde dat ventje natuurlijk. Maar van dat plaatje begreep hij niets, straks toch maar eens vragen aan dat joch. Met gebaren zal hij het hem wel duidelijk kunnen maken.

Opnieuw kijkt Kees rond. Hij denkt aan de hevige storm, aan de huizenhoge golven. Een wonder dat dit wrakke scheepje met veertig man niet in die kolkende golven is verdwenen. Een Godswonder.

„Heere behoed ons, wij vergaan"

Het is een jaar later. In de derde klas van de Willem de Zwijgerschool is het heel stil. De kinderen zijn hard aan het werk. Naast elkaar, vooraan zitten een jongen en een meisje. Hun donkere hoofdjes gebogen over hun werk, ze doen hun uiterste best. Wie een tien heeft krijgt een plaatje.

Het jongetje is het eerste klaar. De meester komt op z'n tenen naar hem toe en buigt zich over de bank. Vol spanning volgen de donkere ogen van het kereltje de rode balpen. Nog twee rijtjes, nog één. Ja, een dikke tien!

De meester tikt even met zijn pen op de bank.

„Chau heeft de eerste tien, wie volgt? Jij mag uitzoeken Chau."

Daar liggen ze: zes verschillende plaatjes. Chau hoeft niet lang te zoeken. Z'n donkere ogen beginnen te stralen.

„Die", wijst hij.

„Neem maar mee, je hebt het eerlijk verdiend."

Dolgelukkig loopt Chau naar zijn plaats terug. Hij vergeet even waar hij is. „Kijk eens Loan", roept hij blij, „de Heere Jezus kan alles."

Twee donkere hoofdjes buigen zich dicht bij elkaar, over een scheepje dat door geweldig hoge golven wordt besprongen. Twee paar donkere ogen lezen gretig wat er onder staat: „Heere behoed ons, wij vergaan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1980

Daniel | 28 Pagina's

HEERE, BEHOED ONS, WE VERGAAN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1980

Daniel | 28 Pagina's