DE BIJBEL CENTRAAL
De Reformatie heeft de Bijbel weer in het middelpunt geplaatst. De Roomse Kerk had de Heilige Schrift begraven onder het stof van allerlei kerkelijke tradities en instellingen. De Iieere heeft echter de hervormers willen gebruiken om de Bijbel van onder het stof tevoorschijn te halen. Zij wisten zich aangesproken door het levende Woord, zij hadden de majesteit van het Woord gevoeld, en daarom wilden zij niets liever dan het Woord weer op de kandelaar plaatsen, met verwerping van alles, wat niet op het Woord is gegrond.
Maar dit betekende wel de doodsteek voor het roomskatholieke systeem, De Roomskatholieke Kerk is door iemand wel eens genoemd de kerk van het plusteken: Gods werk plus ons werk, geloof plus onze verdiensten, de Schrift plus de traditie, het Woord Gods plus allerlei menselijke inzettingen. Tegenover het plusteken van Rome, hebben de reformatoren hun „sola" geplaatst. En „sola" betekent alléén. Sola gratia: alléén door Gods genade worden wij zalig en dat uitsluitend op grond van het werk van Christus, die een volkomen Zaligmaker is. Sola fide: alléén door het geloof worden wij gerechtvaardigd, zonder de werken der Wet. Sola Scriptura: alléén door middel van het Woord komt de stem van de levende God tot ons. Dus het Sola Scriptura, dwz. alléén het Woord, staat met gouden letters geschreven in het vaandel van de Reformatie. Wij vinden dit bij alle hervormers terug.
Luther en de Bijbel
In juli 1519 heeft Luther in Leipzig zijn bekende twistgesprek gehouden met de roomskatholieke theoloog Johannes Eck. Met alle klem verdedigde Luther hier, dat het gezag van de Schrift meer is dan het gezag van de kerk. Concilies kunnen dwalen, maar de Schrift kan nooit dwalen!
Luther is hier tot duidelijkheid gekomen in zijn opvatting over de Schrift en de Kerk. Voortaan is de Schrift voor hem de enige autoriteit. Zij is helder in zichzelf en legt zichzelf uit. Het lichtend middelpunt van de Schrift is Christus. Zij drijft tot Christus, die de enige.grond van het behoud is. De Schrift mag niet gebonden worden aan de uitleg van de Roomse Kerk. Zo is de reformatorische opvatting van de Schrift door Luther in Leipzig duidelijk onder woorden gebracht. Daar was wel wat aan voorafgegaan. Verschillende jaren tevoren, waarschijnlijk in 1512, had Luther bij de voorbereiding van zijn college's over de Romeinenbrief, bij het licht van de Heilige Geest ontdekt, wat het betekent, dat de rechtvaardige door zijn geloof leven zal. Toen had de majesteit van het Woord hem al gegrepen. In 1517, toen hij zijn 95 stellingen opstelde, luidde één van zijn stellingen: „De ware schat der kerk is het heilig Evangelie van de ere en de genade Gods" (stelling 62). Maar nog nooit had hij zijn schriftgeloof zo duidelijk onder
woorden gebracht als in 1519 bij het twistgesprek in Leipzig. De laatste woorden, die hij tegen Eek sprak, waren: „Ik geef de voorkeur, ondanks alle respekt voor de vaders, aan het gezag van de Schrift, dat ik aan de beoordelaars van onze zaak aanbeveel". Voor geen ander gezag wilde Luther buigen, dan alleen voor het gezag van de Schrift. Zo was de breuk met Rome definitief geworden en werd de Bijbel weer centraal gesteld. Toen Luther ter verantwoording werd geroepen voor de rijksdag te Worms, in 1521 en men hem vroeg, of hij herroepen wilde, alles wat hij geschreven had, sprak hij de volgende beroemde woorden: „Omdat uwe keizerlijke majesteit en uwe hoogheden een eenvoudig antwoord wensen, zal ik het onomwonden en ondubbelzinnig geven: tenzij ik door getuigenissen van de Schriften of door een heldere bewijsvoering overtuigd wordt (want ik geloof noch de paus, noch de conciliën alleen, omdat het vaststaat, dat ze herhaaldelijk gedwaald en zichzelf tegengesproken hebben), ben ik overmeesterd door de door mij aangehaalde Schriften en is mijn geweten gevangen genomen door Gods Woord; herroepen kan en wil ik niets, omdat het niet veilig en rechtvaardig is, iets tegen het geweten te doen". Luther voelde zich overmeesterd door de Schrift. Zijn geweten was gevangen genomen door Gods Woord.
Zmingli en de Bijbel
Bij Zwingli, de bekende zwitserse hervormer, was het al niet anders. De macht waardoor hij zich overweldigd wist, was niet de macht van een mens, maar van het Woord Gods. Zijn onophoudelijk graven in het Woord, maakte hem tot Reformator. Toen hij in 1519 het predikambt in Zürich aanvaardde, begon hij onmiddellijk in een vaste orde heel de Schrift aan zijn gemeente uit te leggen. In de Roomse Kerk werden alleen bepaalde aangewezen schriftgedeelten ieder jaar opnieuw, en dan steeds weer volgens dezelfde roomse uitleg behandeld. Daar brak Zwingli mee. Hij voelde, dat de rijkdom van het Woord op deze wijze niet tot zijn recht komt. Zwingli wilde de vrijheid om heel de Schrift uit te leggen en hij begon eerst met het Evangelie van Mattheüs, daarna met de brieven van Paulus, waarna hij het hele Nieuwe en Oude Testament wilde uitleggen. De kerken stroomden vol. De majesteit van het Woord werd zo^ gevoeld, dat later één van de hoorders verklaarde: „Het was alsof ik door de preken van Zwingli aan mijn haren getrokken werd". Zo werkte de zuurdesem, van het Woord door.
Ook in Zürich kwam de Bijbel weer centraal te staan, en toen Zwingli in 1524 in een openbare diskussie zijn inzichten verdedigde in 67 stellingen, luidde de eerste stelling: „Allen, die zeggen, dat het Evangelie niets betekent, zonder de goedkeuring van de kerk, dwalen en lasteren God".
Calvijn en de Bijbel
Ook Calvijn, de hervormer van Genève, heeft tegenover Rome, de Bijbel weer centraal gesteld. In zijn bekende werk, de Institutie, heeft hij rijke dingen gezegd over het gezag en de rijkdom van het Woord.
De Heilige Schrift heeft volgens Calvijn haar gezag niet op grond van het getuigenis van de kerk, maar door haar eigen geloofwaardigheid en door het getuigenis van de Heilige Geest. „Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift".
Met kracht verdedigt Calvijn in zijn Institutie: „dat het Woord het werktuig is, waardoor de Heere de verlichting Zijns Geestes aan de gelovigen uitdeelt".
Het is verleidelijk verschillende rijke citaten van Calvijn aan te halen, maar dat zou ons te ver voeren. Daarom, wil ik nog slechts het volgende van hem aanhalen: „Want onze wijsheid moet niets anders zijn dan een met ootmoedige leerzaamheid omhelzen, en dat wel
zonder uitzondering, van al wat in de Schriften geleerd wordt".
Zo heeft ook Calvijn alleen willen buigen voor het gezag van de Schriften. En door zijn invloed werd gepoogd heel de stad Genève onder de tucht van het Woord te plaatsen. En met opmerkelijk resultaat! Toen Calvijn in 1536 in Genève kwam, stond het zedelijk leven van de bevolking op een zeer laag peil, terwijl de bekende schotse hervormer John Knox de stad twintig jaar later noemde „de volmaakste school van Christus". Het Woord van God had heel de geneefse samenleving doortrokken als een heiligend zuurdesem. Calvijn beperkte het Woord niet tot de verhouding tussen God. en de ziel, maar heel de samenleving stelde hij onder de tucht van het Woord.
Staat de Bijbel bij ons centraal?
Zo hebben we dus gezien, hoe de hervormers de Bijbel weer centraal hebben gesteld. En nu noemen wij ons kinderen van de Reformatie en wij houden samenkomsten om de Reformatie te herdenken. Maar in hoeverre zijn we in werkelijkheid kinderen van de Reformatie? Anders gezegd: In hoeverre staat de Bijbel in ons persoonlijk leven centraal? Wat betekenen de Schriften voor ons? Wij moeten leren, om naar het woord van Calvijn, heel de Schrift te omhelzen „met ootmoedige leerzaamheid". Wat is het waarachtig geloof anders dan buigen onder de majesteit van het Woord, dan amen-zeggen op heel het Woord?
Als het Woord ons dan onze zonde en ongerechtigheid bekendmaakt, dan zeggen we: „Amen Heere. Dat is mijn zonde en ongerechtigheid".
Dan stelt de majesteit van het Woord ons als een schuldige voor God. En als het Woord dan spreekt over Gods heiligheid en rechtvaardigheid, dan zeggen we weer: „Amen Heere, Gij zijt rechtvaardig, als Gij nooit meer naar me omziet".
Dan willen we wel met ons eigen bloed gaan ondertekenen, dat God recht is. Maar ook als het Woord ons dan gaat spreken over de heerlijkheid van Christus, dan zeggen we weer: Amen Heere. Dat is de enige weg om zalig te worden. Nu kan het ook voor mij". En dan neemt de heerlijkheid van Christus die ons vanuit het Evangelie tegenstraalt, zo ons hart in, dat we naar het woord van Brakel, naar Hem toegetrokken worden. Gelukkig als we zo gegrepen worden door de kracht van het Woord, als zo' ons geweten gevangen genomen wordt door het Woord, Dan alleen zullen we ware kinderen van de Reformatie zijn. Dan komt de Bijbel in ons leven centraal te staan en zal als een. vernieuwend en heiligend zuurdesem heel ons leven doortrekken. Maar dan zullen we ook in de samenleving als een zoutend zout en lichtend licht mogen staan door de kracht van Woord en Geest. Dat hebben de hervormers bedoeld, toen zij heel de samenleving onder de tucht van het Woord wilden stellen. Dat moet in het hart beginnen, om daarna naar buiten uit te stralen. In onze tijd wordt het Woord van alle kanten aangevochten en bestreden en bedenkt de duivel veel listige aanslagen tegen Gods heilig Woord, denk alleen maar aan de moderne schriftkritiek waardoor het Woord krachteloos wordt gemaakt. Het erfgoed van de Reformatie is vandaag meer dan ooit in het geding. Dat we het woord van de apostel ter harte zouden nemen: Bewaar het pand, u toebetrouwd" (1 Tim. 6 : 20). Maar we zullen dat pand alleen kunnen bewaren door de kracht van boven; anders gezegd: ls we zelf aangegrepen zijn door de kracht van het Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1980
Daniel | 28 Pagina's