WAAROM IS CATECHISATIE INGESTELD?
Het wezen van de catecliisatie
Catechese is kerkelijk onderwijs. De kerk geeft dat door middel van haar ambtsdragers aan de doopleden van de gemeente, om hen te leiden naar de belijdenis. Elke catechisatie is dan ock in beginsel belijdeniscatechisatie en leidt tot volledig deelgenootschap aan de plaatselijke gemeente en aan de kerk.
Het woord catechisatie is afgeleid van het griekse werkwoord „katéchein", dat letterlijk betekent: doen klinken, doen horen, laten weerklinken, namelijk van woorden door een spreker in de oren van de hoorders. Zo kreeg het woord de betekenis van toespreken of onderwijzen.
Kerkelijk onderwijs is .de catechisatie. De kerk v/ijst ons altijd naar de Heere Jezus Christus en Zijn boodschap verneem_t ze in de Bijbel. Hij riep de kerk tot Zijn dienst en tot die .dienst behoort ook het onderricht. Daarvan is heel de Bijbel vervuld, zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Het wezenlijke kenmerk van de eerste christengemeente is het blijven in de , , leer" van de apostelen. Petrus heeft op de pinksterdag al gezegd: „Want u komt de belofte toe, en uw kinderen". Binnen het terrein van de kerk worden de kinderen geboren, en voordat ze tot hun verstand zijn gekomen, zijn ze al onder de invloed' van de levensuitingen van de kerk, temidden waarvan ze opgroeien, In Christus geheiligd, dat is afgezonderd van de wereld en bestemd tot de dienst Gods, behoren ze als lidmaten van de gemeente gedoopt te wezen. Ze delen evenals de volwassenen in de belofte des verbonds, zo zegt de catechismus. Christus strekt Zijn handen naar hen uit, Hij legt ze de handen op en zegent ze. Het zichtbaar teken hiervan is de kinderdoop. Bij deze doop beloven de ouders al, hun kinderen te onderwijzen en te doen onderwijzen, waaruit dan de catechese voortvloeit.
Enkele bijbelse gegevens
Voor de Israëliet vloeide uit de daden Gods, uit de bron van het historisch gebeuren, vanzelf de onderwijzing voort. Het handelen van de Heere was per definitie Zelfopenbaring van de Heere. Lees er i^salm 78 maar eens op na. Asaf vertelt vanaf vers 8 de vaderlandse geschiedenis van zijn volk, maar hij noemt het een „onderwijzing" van Asaf. En in vers 1 is het al: Neem mijn „leer" ter ore. In vers 4: Wij ziüen het niet verbergen voor 'de kinderen, maar hen vertellen de loffelijkheden des I-Ieeren en Zijn sterkheid, opdat zij hun hoop op God zouden stellen (vers 7). Uit Gods daden moesten ze leren wie de Heere was en is. In het Nieuwe Testament is de brief aan de Hebreeen hiervan een sprekend voorbeeld. Een scherpe scheiding tussen de geschiedenisbehandeling en de „leer" is dan ook mijns inziens niet zo verantwoord. Het verband tussen beide moet steeds zichtbaar gemaakt worden.
Onderwijzen in de leer is overigens wel een zeer bijbelse notie. Het grote voorbeeld gaf de Heere Jezus Zelf tijdens Zijn verblijf op aarde. En hoe! Hij leerde als machthebbende, met innerlijk gezag. Hij was dan ook de gezalfde Profeet.
Na pinksteren wordt er gesproken o.a. in Hand. 2 : 42 van de „leer" der apostelen. In Hand. 13 : 12 lezen we dat de stadhouder Sergiijs Paulus gelooide, verslagen zijnde over de „leer" des Heeren. In de hrieven van Paulus wordt zelfs gesproken over de „goede", de „gezonde leer".
De kinderen zijn betrokken in het verband dat God met de mensen legt. Petrus zegt in zijn pinksterrede tot zijn toehoorders: komt de belofte toe en uw kinderen, zagen we al. Paulus schrijft, dat de kinderen in het gezin der gelovigen „heilig" zijn; ook doopt hij hele gezinnen (1 Kor. 7 : 14; 1 Kor. 1 : 16). Hier vinden we het beginsel van de latere kindercatechisatie.
Historisclie ontwikkeling
In de apostolische tijd was het onderwijs in de heilsleer, dat aan de doop voorafging, vaak heel kort. De kamerling van de koningin van Candacé werd al direkt aan het eind van het onderwijs van Filippus gedoopt, zoals ook de stokbewaarder te Filippi in dezelfde nacht van zijn bekering met heel zijn gezin de doop ontving.
In de na-apostolische tijd werd steeds meer aandacht geschonken aan het onderwijs van de kerk, vooral toen het christendom zich moest verdedigen tegen de heidense kuituur. Er kwamen opleidingsscholen voor catecheten.
In de oude kerk had het catechumenaat in hoofdzaak betrekking op de volwassendoop van hen, die uit het heidendom tot het christendom overkwamen. Na twee a drie jaar onderwijs werden de kandidaten dan door de doop volmondige leden van de kerk. De doop zelf werd onder verschillende ceremoniën, meestal in de nacht voor pasen, bediend. Daarbij moest de beloofsbelijdenis en het gebed des Heeren worden opgezegd. In de week na pasen ontvingen dan de pasgedoopten nog onderwijs in de sakramenten.
Nu was het de fout in de oude kerk, dat zij voor de eigen kinderen steeds meer hetzelfde ceremonieel ging bezigen. De z.g. peten moesten in de plaats van de kinderen de geloofsbelijdenis opzeggen. Het gedoopte kind behoefde dan geen ambtelijk onderwijs meer te ontvangen. En de lering werd geheel overgelaten aan de ouders en peten, in de vorm van huiscatechisatie, waar echter over het algemeen zeer weinig van terecht kwam. De kerkvader Augustinus schonk veel
aandacht aan het onderwijs aan de kinderen der kerk. Op verzoek van een diaken uit Cartha'go, die zeer veel gave had voor catechiseren schreef hij een hoekje over het catechiseren: De catechizandis rufoidis (over het catechiseren aan onwetenden).
In de Middeleeuwen vinden we pogingen om het godsdienstonderwijs te verbeteren in de kloosterscholen. Vooral in de tijd van Karei de Grote werd er veel aan gedaan. Later was in ons land duidelijk merkbaar de invloed van de Broeders des gemenen levens, o.a. Geert Grote.
De Reformatoren, zowel Luther als Zwingli en Calvijn, stelden het onderwijs van de jeugd als zeer belangrijk. Er werden dan ook verscheidene catechismussen uitgegeven. Voor ons is die van Heidelberg wel het meest bekend. De synode van Embden bepaalde al dat de nederlandse kerken deze zouden gebruiken. Ondertekening werd geëist en de prediking erover werd opgelegd, o.a. op de synode van Den Haag, in 1586.
Gezin
De synode van Dordrecht van 1618 droeg de godsdienstige opvoeding van het kind op aan de ouders, de school en de kerk. Nummer een is het gezin, krachtens de laatste doopvraag, dat de ouders gehouden zijn in de eerste plaats hun kinderen zelf te onderwijzen en pas daarna hen te laten onderwijzen. Kort na de reformatie zal dat ook wel trouw gebeurd zijn. In 1678 klaagt Koelman echter dat vele vaders hun kinderen niet meer onderwijzen. Waar het wel gebeurt, is dat een grote kracht in de gemeente en een zegen voor de jeugd: de godsdienst een zaak van het gezin.
School
Na het gezin de school. De kerk heeft voortdurend het stichten van scholen en het belang van het onderwijs te bevorderen. De schoolmeesters moesten de kleine kinderen onderwijzen uit een klein boekje, het z.g. haneboekje, de middelklas uit een kort uittreksel uit de catechismus en de hogere klassen uit de catechismus zelf. Het toezicht moest geschieden door de predikant, vergezeld van een ouderling.
Kerk
De derde instantie was de kerk. Of er altijd evenveel van terecht is gekomen, is niet geheel duidelijk. De kerkelijke archieven maken maar zelden melding van catechesaties. In Amsterdam wordt in 1650 besloten, dat tijdens de catechismusdienst op zondagmiddag een leerling van een der scholen de aan de orde zijnde zondag van de catechismus zal opzeggen. De schoolmeesters zullen elke week een leerling aanwijzen en deze daarop voorbereiden. Zo is het gebleven tot aan het begin van deze eeuw. En dat niet alleen in Amsterdam. Ik hoorde nog onlangs van een vrouw uit onze gemeente, dat zij als schoolkind ook vaak de te behandelen catechismuszondag voor de gemeente heeft opgezegd in onze gemeente va.n Benthuizen.
Ook nu zijn de catechisaties nog heel belangrijk. We zagen, waarom. Gode zij dank, zijn er nog jongeren, die met hun ouders trouw naar de kerk gaan, en de catechisaties nooit verzuimen. De Heere zorgt ervoor dat er ook onder de jeugd heilbegerigen zijn en blijven naar Zijn Woord en dienst.
De catechisanten van nu wil ik tot slot nog graag een paar zinnen meegeven, die ds. A. Hellenbroek in zijn zo welbekende vragenboekje „Voorbeeld der Goddelijke Waarheden" o.a. aan zijn catechisanten voorhield in het voorwoord: Ga zo, wachtende op des Heeren heil, naar de plaats waar gij zult antwoorden, met een gemoed, dat begerig en volioaardig is om in de tegenwoordigheid van God rekenschap en belijdenis te doen van de kennis die de Heere in u gelegd heeft, ja om daarin door dit middel toe te nemen en geheiligd te worden. En bied dan uw ziel en uw lichaam de Heere aan, met begeerte en overtuiging, dat gij wenst, dat de Heere die nu zo gebruike, bewerke, vervulle en besture, als Hem meest heerlijk, en u zalig kan zijn. Tot zover ds. Hellenbroek. Wat wijdlopig geformuleerd misschien, maar laat het maar eens op je inwerken. Als je zo gaat is het onder de zegen des Heeren tot Zijn eer, tot sieraad van de gemeente, tot stichting van je naaste en tot zaligheid van jezelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1980
Daniel | 28 Pagina's