MISBRUIK DE NAAM NIET
„'t Is weer zo", denkt Jos als hij binnen stapt.
Vaders grote mond dreunt door het huis. Jos rilt als hij het hoort.
„Je gaat niet, heb je het begrepen! Ik wil niet dat je met die vrome lui omgaat". Dan is het stil. Jos loopt schoorvoetend naar de kamer. Vader staat, rood van woede, voor moeder. Het is de eerste keer niet dat Jos dit tafereel ziet. Hij kent het al. Vader kan niet uitstaan dat moeder naar de kerk gaat. Hij wil ook niet dat moeder met mensen van de kerk omgaat. En vader wordt boos als moeder met Jos uit en over Gods Woord praat. Maar moeder kan het niet laten. Ze was eerst ook net als vader. Vroeger gingen ze nooit naar de kerk. Er was zelfs geen Bijbel in huis. Maar dat is veranderd.
Op een keer liep moeder met een vriendin langs een kerk. Het begon te regenen. Moeder zei: „Laten we hier maar schuilen." Ze konden alles horen En de Heere gebruikte de woorden voor moeder. Het leek wel of de Heere tegen haar zei: Zo-, denk jij nooit aan je Schepper. Weet je niet hoe ongelukkig je bent? Ongelukkig, omdat je Hem niet kent die jou het leven gaf. Je blijft niet leven. Straks moet je sterven en dan? Zonder Mij? Dan zul je voor eeuwig ongelukkig zijn. Ga anders leven. Roep tot je Schepper: o God bekeer me
Wat bekering was wist moeder eerst niet. Maar de Heere heeft het haar geleerd. Niet in één dag. De Heere kan dat do-en zo Hij het wil.
Moeder ging anders denken, willen en doen. Alles veranderde in haar hart en huis. Bij vader niet. Inplaats d-at hij blij was als moeder iets vertelde, werd hij boos. En. het wordt er niet beter op.
Jos houdt van zijn moeder. Ze praten veel met elkaar. Ze bidden tot de Heere of ze alledrie Hem mogen leren dienen.
Jos is dikwijls moedeloos. Vader zegt bijna geen vriendelijk woord meer. Moet je nu weer horen
„Je gaat niet! Ik wil het niet!"
„Ach", zegt moeder, „buig toch ook voor je Schepper. Het kan nog. De Heere is het zo waard om voor Hem te leven. Ga ook eens met me mee naar de kerk."
„Ik... nooit...", roept vader. Dan... ineens... gooit hij er een vloek uit.
„Vader... vader..." roept Jos.
Vader kijkt verschrikt om en ziet Jos staan.
„Vader... vader... vader..." blijft Jos roepen.
„Wat is er? " vraagt vader.
„Vader... vader..." meer zegt Jos niet.
Vader wordt kwaad. Wat wil die jongen?
„Waarom roep je steeds mijn naam, " zegt vader met een harde-stem.
Dan zegt Jos met trillende lippen: „Om-dat u de Naam van de Vader van mama zo oneerbiedig uitspreekt."
Vader kijkt verbaasd. Hij begrijpt het niet. Moeder wel.
„Papa", zegt ze, „je vloekte. Dan misbruik je de Naam van God mijn Vader. En in de
Bijbel staat: misbruik de Naam niet. Pas toch op papa."
Vader wordt er stil van. „Kom", zegt moeder, „ik ga voor het eten zorgen."
Jos pakt een boek en gaat zitten lezen. Vader kruipt achter de krant. Hij kan er zijn gedachten niet bijhouden. Misbruik de Naam niet... hamert het in zijn hoofd. Weg met die gedachten, denkt vader. Stel je voor als hij ook eens vroom wordt. Dat nooit, 't Is al erg genoeg dat zijn vrouw zo geworden is. En Jos... die gaat ook al aardig de kant van zijn moeder op. Maar ik doe wat ik wil. Zo zijn vaders gedachten... Na het eten zegt vader: „Ik ga nog even naar de groentetuin."
„Ik ga een eindje fietsen", zegt Jos.
Moeder kijkt ze beiden na. Ze slaat haar ogen omhoog en zucht: „O God, ontfermt U Zich over mijn man en kind." Het is een kort gebed. De Heere luistert ook niet naar de lengte. Denk maar eens aan het gebed van de tollenaar: „O God, wees mij zondaar genadig!" En de Heere hoorde, omdat Hij bet gebed eerst gaf. c
Moeder gaat denkend en biddend verder met haar werk. Vader werkt in de tuin. De rimpels in zijn voorhoofd worden steeds dieper. Waarom? Omdat het in zijn hoofd blijft klinken: Misbruik de Naam niet...
Inwendig zegt. een stem. dat hij verkeerd doet. Zijn geweten spreekt. Maar vader vecht er tegen. Hij pakt zijn spa en gaat tekeer als een briesend paard. Hij weet niet dat er thuis een biddende moeder haar nood aan de Heere klaagt. Vader weet ook niet dat het smeekgebed door lucht en wolken gaat.
Even voorbij de groentetuin fietst Jos. Hier wordt hij door niemand 1 gestoord. Jos denkt en piekert wat af. O, wat is die onenigheid thuis toch erg. Moeder zegt telkens: „Bid zonder ophouden m'n jongen. De Heere alleen kan wonderen doen." Ook uit het hart van Jos klimt een zucht omhoog... Heere, help!
Jos is zo in gedachten dat hij niet op het verkeer let. Dat is gevaarlijk. Hij rijdt gewoon op de verkeerde weghelft. Hij merkt het niet. Tot ineens... remmen knarsen! Een gil! Een klap! Daar ligt Jos. Hij is geschept door een auto. De chauffeur schrikt vreselijk. Hij springt uit de auto. Hij ziet... een fiets. Een eind verder... een jongen. Hij knielt op de grond en roept: „Hé, jongen". Hij zal toch niet O, de chauffeur durft niet aan het allerergste te denken. Stil, de jongen doet zijn ogen open en kreunt. Hij leeft nog, denkt de chauffeur. Is er niemand die kan helpen? Wat moet hij hier alleen beginnen! Hij kan de jongen toch niet laten liggen. Er moet een dokter komen. Zo gauw mogelijk. Komt daar iemand? Ja, een man.
't Is de vader van Jos. Hij hoorde remmen knarsen en zag het ongeluk. Natuurlijk weet hij niet dat het zijn zoon is. Maar als. hij dichterbij komt, ziet hij het. „Jos", roept hij. En dan ineens zijn vreselijk stopwoord. Een vloek!
De chauffeur vertelt hoe het ongeluk gebeurd is. Weer misbruikt vader de Naam van God. Kijk, Jos-slaat de ogen op. Zijn lippen bewegen. Vader buigt zich over zijn zoon. Wat hoort hij? „Vader, misbruik de Naam niet". O, het lijkt wel of vader een steek in zijn hart krijgt. Voor het eerst springen er tranen in zijn ogen. Hij wordt spierwit. Dan zegt hij dat het zijn zoon is. „Blijft u bij hem, " zegt de chauffeur, „dan ga ik de dokter bellen." Alles gaat even snel. Een kwartier later wordt Jos in de ambulance gedragen en naar het ziekenhuis gereden. De chauffeur rijdt er achter. Zijn auto is bijna niet beschadigd. Er zijn alleen een paar krassen op de bumper te zien. Als het nu maar meevalt met die jongen.
Het valt mee. Na het onderzoek in het ziekenhuis wordt een beenbreuk gekonstateerd. Het is wel op een lastige plaats. Jos zal een paar weken in het ziekenhuis moeten blijven. Verder is hij wat overstuur van de schrik. Maar er is gelukkig niets inwendig beschadigd.
Wat een wonder. Als Jos op de zaal ligt, vouwt hij stil zijn handen en dankt de Heere dat het nog meegevallen is. Het was toch uiteindelijk zijn eigen schuld. De chauffeur kan met een rustig hart naar huis.
Vader vertelt het gebeuren voorzichtig aan moeder. Toch. zit ze te beven op haar stoel als ze het hoort. Geen wonder.
„Heeft Jos nog iets gezegd? " vraagt ze. Vader stottert: „Ja... ja..." „Wat dan papa? " Vader, die stoere vader, snikt het uit als een kind. „Wat is er dan, " zegt moeder, „O', zeg het toch." „Ik, ik, " zegt vader, „vloekte toen ik Jos zag liggen en toen zei hij nog: „Vader, misbruik de Naam niet..." O, het deed me zo'n zeer. Wat ben ik toch een verschrikkelijk mens. Ik ... ben ... een ... vloek ... beest ..."
Moeder kan zich ook niet beheersen. Ze pakt vaders hand beet en zegt: „Papa, tot nu toe heb je Gods Naam. misbruikt. Maar vraag nu eens aan de Heere of je Zijn Naam mag leren gebruiken om Hem te gaan kennen. De Naam Jezus betekent Zaligmaker. Hij kan het grootste vloekbeest tot Hem. bekeren."
Vader zit met zijn hoofd in zijn handen en zegt met zachte stem: „Zou God mij nog willen hebben? " „Vraag, het maar aan de Heere, " zegt moeder. „Eén ding wil ik je zeggen. Er staat in de Bijbel dat God zelfs vloekers genade wil bewijzen. Het is met ons verstand niet te begrijpen. Het is een verborgenheid die de Heere bekend wil maken aan degenen die Hem vrezen. Die in Zijn kracht gaan leven naar Gods wet. Gods Zoon, de Heere Jezus, heeft aan een vloekhout gehangen. Hij heeft de vloek weggedragen voor een volk dat Hij van eeuwigheid liefgehad heeft. Dat volk wordt verlost van de vloek. Wat een wonder. En nu kunnen we nog smeken of de Heere ook ons verlossen wil van alle vloeken die in ons hart leven. De Heere God kan en wi.1 door Zijn Heilige Geest van die Ene Naam. leren. Die Naam zo heilig wijs en goed."
Zo hebben vader en moeder nog nooit met elkaar gesproken. Heeft de Heere het ongeluk van Jos voor deze verandering willen gebruiken? De Heere gebruikt wat Hij wil. Nee, nu gaat vader niet meer te keer als een briesend paard. Het gaat hem net als de stokbewaarder. Hij roept maar: „Wat moet ik doen om zalig te worden? "
Jos krijgt veel bezoek in het ziekenhuis. Hij merkt dat vader zo anders is. Hoe zou dat toch komen? Vader vloekt niet. Hij kijkt vriendelijk. Zou, zou de Heere moeders gebed verhoord hebben?
Op een keer, als vader afscheid van Jos neemt, buigt hij zich helemaal over h.em en zegt: „Jos, wil je het mij vergeven dat ik zo lelijk tegen jullie gedaan heb? Ik heb zo dikwijls gevloekt. Het was mijn stopwoord. Maar nu heeft de Heere STOP tegen mij gezegd. Nu is het anders, Jos. De Heere heeft een groot wonder gedaan. God laat me zien hoe zondig ik ben. Ik heb de grootste straf verdiend. Maar jongen, ik krijg de straf niet. Ik heb veel verdriet over mijn verkeerd leven. Maar er is er Eén die me leren wil. Zijn Naam heb ik dikwijls misbruikt. Nu geloof ik dat die Naam mij juist vrij kan maken van mijn zondepak. Zijn Naam is Jezus "
Jos wordt er stil van. Natuurlijk wil hij vader alles vergeven. Jos: is zelf ook niet zonder fouten. Hij zegt: „Wilt u me dan vergeven dat ik zo onoplettend geweest ben op de weg? Ik heb u en moeder zo laten schrikken." Moeder zegt: „Jos, we vinden het een wonder dat je er nog bent. Daar moeten we de Heere voor danken." „Ja, voor alles", zegt Jos. Ze begrijpen elkaar.
Na een paar weken mag Jos naar huis. Wat een blijdschap. Het is een ontspannen sfeer in huis. Wat heeft de Heere verandering gegeven.
De Naam van God wordt niet meer misbruikt. Vader gaat ook mee naar de kerk. Hij moppert niet meer als vrienden en vriendinnen van moeder komen. Het worden ook zijn vrienden. Boven de kamerdeur komt een tegel te hangen met de onvergetelijke woorden: MISBRUIK DE NAAM NIET.
Er wordt nu dagelijks gebeden: Uw Naam worde geheiligd... Het misbruiken is verandert in aanbidden. En dikwijls klinken de tonen en klanken van het lied:
Looft, looft, verheugd den Heer der Heeren; Aanbidt Zijn Naam en wilt Hem eren. Doet Zijne glorierijke daan alom den volkeren verstaan. En spreekt met aandacht en ontzag van Zijne wond'ren dag: aan dag.
Wat wordt nu de Naam eerbiedig op de lippen genomen.
En hoe spreken wij de Naam uit?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1980
Daniel | 28 Pagina's