HET GOUDEN KALF
Behoedzaam daalt hij van de berg. Het volk heeft wél lang moeten wachten. Maar nu is hij er dan toch weer, na veertig dagen, veertig nachten.
Hij draagt tioee stenen taaf'len mee. Daarop heeft God Zijn wet geschreven. Opdat heel Isrel, jong en oud, een regel heeft, om naar te leven.
Maar plotseling slaat Mozes stil. Een vreemde schrik trekt door zijn leden. Wat is dat voor een ver rumoer. Is er een krijgsgeschrei, beneden?
Hij loopt weer verder, haastig nu. Maar staat weer stil, want hij wil wéten. Hij luistert scherp, dan hoort hij het; het zijn geen angst-, maar vreugdekreten!
„O God, wat hebben zij gedaan? Ik dacht, dat zij op U vertrouwden. Wat is dit voor een ijdel feest, dat zij daar, met elkander houden? "
Dan schrijdt hij door het leger heen. Zijn oog vol ingehouden woede, 't Is hemeltergend wat hij ziet, véél erger nog dan hij vermoedde.
Nu staat hij voor hel gouden kalf. Hij wil het van zijn voetstuk rukken. En, driftig in zijn heil'ge toorn, slaat hij de tafelen aan stukken!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1980
Daniel | 28 Pagina's