JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HET VERLOREN SCHAAP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERLOREN SCHAAP

8 minuten leestijd

Lang geleden woonde Arie in een klein huisje aan de rand van het bos. Aries vader was schaapherder. Die had je toen nog. Met z'n kudde van wel honderd schapen zwierf hij over de heide van het vroege voorjaar tot laat in de herfst. In z'n hand droeg hij dan de lange stok met onderaan een klein schopje. Daar gooide hij dan een kluitje aarde mee naar een afgedwaald schaap.

Vader kon heel goed mikken, en het was bijna altijd raak. En als het soms' niet lukte, dan was er nog Max de hond, die met grote sprongen het eigenwijze beest naar de kudde terug-dreef.

't Was avond. De storm, wind joeg over de heide. De regen plensde neer. In de kamer brandde de lamp. Het was er gezellig warm en licht. In de kachel knetterden de eikenblokken die brandden in de wilde vlammen.

Arie was thuisgekomen uit de school. Toen hij de kamer binnenkwam was hij erg geschrokken, want daar zat vader met één been op een stoel en om dat been zat een grote, witte lap gewikkeld. Aan zijn gezicht kon je zien dat hij veel pijn had. Toen had vader verteld, hoe de schapen de hele dag al onrustig geweest waren alsof ze voelden dat er storm op komst was. Hij had aan één stuk rond de kudde gelopen om de beesten bij elkaar te houden. En toen, opeens was hij met z'n klomp in een konijnenhol blijven steken. Kreunend was hij overeind gekrabbeld en zwaar leunend op zijn herdersstaf, was hij naar huis gestrompeld. „Maar", besloot vader zijn verhaal, „dat is het ergste nog niet! Toen ik de schapen telde terwijl ze de kooi ingingen, kwam ik er één tekort". Ja, dat begreep Arie heel goed. Dat was héél erg. Want als vader een schaap miste, moest hij dat zelf betalen. En schapen kostten erg veel geld,

Arie is stilletjes naast de warme kachel gekropen en kijkt naar het omzwachtelde been van vader. En hij denkt aan dat schaap, dat nu misschien eenzaam op de donkere hei loopt in de storm en regen. Zo'n arm dom beest!

Dan, plotseling, springt hij op. „Vader", roept hij „vader, ik ga dat schaap halen. Dat kan ik best!" Vader kijkt naar zijn jongen en glimlacht als hij hem zo vurig ziet staan, „Dat kan toch niet jongen" zegt hij, „kijk eens, , het is bijna donker en dan in zulk weer! Nee hoor dat gaat niet".

„Och vader", pleit Arie nog eens, „'t kan best. Ik neem de lantaarn mee en Max!" Vader kijkt moeder eens aan en moeder kijkt vader aan. Ze weten allebei dat een schaap veel geld kost. Arie merkt dat hij aan het winnen is.

„Waar bent U vandaag geweest? ", vraagt hij, alsof er al besloten is dat hij zal gaan. Vader zucht eens. „Bij de drie heuveltjes", zegt hij dan. Dat weet Arie precies te vinden. „Daar had ik ze allemaal nog", zegt vader, „dus op weg naar huis is dat beest ontsnapt". „Laat hij het maar proberen moeder", hakt de herder de knoop door. En dan tegen Arie: „Maar als het niet gauw lukt, terug komen hoor en niet verder gaan zoeken. Liever een schaap weg, dan jij een ongeluk!"

Even later gaat de deur open en Arie stapt naar buiten. Stevig ingepakt en in z'n hand een brandende kaarslantaarn. Hij roept Max uit z'n hok en samen gaan ze de donkere heide op. Door het raam kijken vader en moeder hun dappere zoon na, maar al gauw zien ze hem niet meer door de duisternis. Alleen het lichtje uit de lantaarn straalt z'n

vriendelijk schijnsel uit, totdat op slot ook dit laatste herkenningsteken verdwijnt achter de bomen. De storm gromt dreigend en ruisend valt de regen op het dak.

Met grote stappen en een beetje krom gebogen tegen de wind, gaat Arie op weg naar de drie heuveltjes. Hij kent de weg er naar toe op z'n duimpje, want met vader was hij er dikwijls geweest. Naast hem. loopt Max, die met z'n neus langs de grond snuffelt, „Zoek Max", zegt Arie „Zoek". De trouwe hond kwispelt even met z'n staart en nog ijveriger zoekt en speurt hij naar een spoortje van het verdwenen schaap. De regen maakt z'n dikke haarvacht druipnat. De tocht over de donkere heide valt Arie toch niet helemaal mee. Bij daglicht zag je de drie heuveltjes al van verre, maar nu kan hij bijna geen hand voor ogen zien.

Plotseling begint Max te blaffen zo hard hij kan en de hond rent naar het berkenbosje. Arie draaft zo vlug als z'n benen hem dragen kunnen achter het dier aan.. Zou Max wat gevonden hebben? Op de grond, tussen hei en takken ligt een donker „iets". Arie kan niet goed zien wat het is en daarom: houdt hij de lantaarn wat dichterbij. Max kijkt toe met z'n nekharen overeind. Soms gromt hij zachtjes. „Koest Max", beveelt Arie. Het flauwe schijnsel van het kaarsje in de lantaarn valt op Arie schrikt geweldig. Z'n hart bonst, in z'n keel. Max gromt woest en trekt z'n tanden bloot, „Stil Max, af", zegt: Arie. Hij buigt zich nog eens naar voren met de lantaarn. Daar, voor hem, op de grond, ligt niet het schaap wat hij zocht. Het wankele kaarsen-schijnsel verlicht een man die daar ligt tussen de drie berkenboompjes. Hij is doornat en aan z'n hoofd, tussen z'n haar, kleeft bloed, Arie kent die man wel. Het is Wilde Kees.

Hoe komt die hier? En wat is er met hem gebeurd? Arie weet; het niet. Arie weet maar één ding. Hij wil hier weg. Zo gauw hij maar kan. Hij wil naar huis, naar z'n veilige, warme huis met vader en moeder en de anderen. „Maar Arie" vraagt een stemmetje van binnen, „hoe moet het dan met Kees? " „Och die Kees is toch maar een stroper, een dief en die heeft al eens gevangen gezeten. Laat die maar liggen. Dat is niet erg. Z'n verdiende loon!" Dat is een andere stem. Maar dan vraagt het eerste stemmetje weer: „Ken jij dat verhaal nog Arie? Weet je wel, van die reiziger en die barmhartige Samaritaan? ". Ja dat verhaal kent Arie héél goed. Zou hij

„Max", zegt hij tegen de hond, „ga naar de baas. Naar huis Max. Vlug!" De hond kijkt hem aan. Hij begrijpt niet wat het kleine baasje wil. „Loop Max, loop", zegt Arie en gebiedend wijst hij in de richting van zijn huis. Het trouwe dier kijkt nog éénmaal om. Dan, als een pijl uit de boog verdwijnt hij in het donker. Als de hond alleen thuiskomt, denkt Arie, gaat er vast wel iemand zoeken naar hem en samen, met Max zullen ze hem hier vinden, bij Kees. En dan moeten we de stroper helpen.

Arie zet het lantaarntje op de grond en knielt weer bij het hoofd van de mam. Iiij ziet het bleke gezicht van Kees en de gesloten ogen. En hij hoort hem kreunen van pijn. Arie luistert naar de wind en de regen. Zo verstrijkt de tijd. Dan, plotseling opent Kees z'n ogen. Hij kijkt om. zich. heen en een angstige schrik flitst door z'n blik als hij Arie ontdekt. „Waar ben ik? " gromt, z'n stem. „Wat mot je van me? " Arie trilt van angst en z'n stem. beeft als hij zegt: „Je bent gevallen Kees en en ik heb je gevonden. En Max haalt iemand om te helpen en " De woorden buitelen over elkaar uit z'n mond. De stroper heeft de ogen weer gesloten en Arie weet eigenlijk niet eens of hij wel luistert. Maar ineens begint Kees te bewegen. Hij wil overeind komen. Arie wil hem. tegenhouden, maar Kees grauwt: „La me los!" Moeizaam werkt hij zich in een zittende houding. Als hij zo ver gekomen is slaakt hij plotseling een kreet van pijn en met beide handen aan zijn hoofd laat hij zich weer achterover glijden.

„Blijf toch liggen Kees", roept Arie, „je hebt een gat in je hoofd". Hij is geschrokken en de tranen van ellende en angst biggelen over z'n wangen.

Huilend vindt hem z'n moeder. Samen brengen ze de gewonde man naar het herdershuis, strompelend door regen en wind. Daar wordt z'n hoofdwond gewassen en verbonden. Daar kan hij rusten. Ze vragen niet hoe Kees daar gekomen is en hoe hij gewond geraakt is. Ze helpen alleen maar. Na een paar uur verlaat een verzorgde Wilde Kees het huis van Arie. Verlegen mompelend heeft hij hen allemaal bedankt. Arie's vader heeft alleen maar gezegd: „Dit was onze plicht Kees!" En 's avonds, in z'n bed onder de warme dekens, vouwt Arie z'n handen en fluistert: „Dank U I-Ieere, dat U me geholpen hebt". Dan slaapt hij in.

De andere morgen vindt hij het schaap, vlak bij huis!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1980

Daniel | 28 Pagina's

HET VERLOREN SCHAAP

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1980

Daniel | 28 Pagina's