GEEN ANDERE GODEN . . .
VERHAAL
Roel Koning werd wakker door het geluid van regendruppels die op het brede dakraam tikten. Regen, wéér regen! 't Zou buiten wel weer blank staan. Met laarzen en regenpak aan naar de schuur om z'n fiets te pakken en in de stromende regen naar school, een half uur lang. Brr! Maar opeens wreef hi, i zich de ogen uit. Gelukkig, hij was abuis! Er gleed een lach om zijn mond. De school was verleden tijd, sinds een dag was hij in het bezit van het havodiploma. Hij had vakantie! Behaaglijk rekte hij zich uit, draaide zich om en doezelde weer in. Het probleem werk, waarmee hij de laatste weken rondliep, ver van zich afduwend. Zo half slaperig, met de regen als muzikale begeleiding, ging dat. Dat ging echter niet meer, toen hij met zijn beide benen in het koele daglicht stond. Blijdschap en angst hij had nooit geweten dat die twee zo nauw samen konden gaan. Blijdschap om het behaalde diploma, angst voor de toekomst. Zou hij ook geplaatst worden op die lange rij van werkeloze jongeren? Sommige van zijn kla, sgenoten dachten er nogal gemakkelijk over.
„Werkeloos? Nou en! Wij zijn toch niet de oorzaak van de heersende werkeloosheid? Enne, de sociale voorzieningen bestaan toch niet voor niets! Je hand ophouden? Man, doe normaal, we hebben er recht op".
Roel luisterde, praatte mee, als zijn mening gevraagd werd. Hij wilde niet bekend staan als een buitenbeentje. En de jongens hadden toch gelijk! Maar diep in zijn hart heerste het verlangen om te mogen werken, om een baan te hebben, om zijn salaris echt te verdienen, om zich nuttig te weten. Want hoe zou hij anders de dagen door moeten brengen? Met een kursus, met wat hobby's? En bovendien... als werkeloze kon je niet vooruitkomen.
Nog voor hij zijn eindexamen deed, gingen er diverse sollicitatiebrieven de deur uit. Het resultaat was ontmoedigend. Tot er op een dag een envelop in de bus rolde waarin hij werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Hij keek naar de afzender, voelde even een vage teleurstelhng. Vereiste was mavodiploma; waarom had hij met z'n havodiploma eigenlijk gesolliciteerd?
Het gesprek verliep goed, hij kon komen! Blij vertelde hij het aan zijn ouders. Per 1 september zou Roel Koning kantoorbediende zijn. Dat klonk beter dan loopjongen of manusje van aUes. In feite was hij het laatste wel. Een oom van Roei reageerde schamper: „Jij kanto orb ediende ? Jongste b ediend e ? Jij met je havoliploma? Wat mag je er doen? Telefoon aannemen, papiermanden legen en koffie ronddelen? O ja, en 's avonds de brieven naar het postkantoor brengen zeker, een verheven baan. Daar heb je nou zoveel jaren voor geleerd. Straks eisen ze zelfs diploma's voor vuilnisman en werkster!"
Die hatelijke woorden kwamen hard aan! Roel voelde zich driftig worden. Zo werd de vreugde om z'n nieuwe baan wel vergald! Gelukkig waren er ook andere reakties, heel wat positiever. Soms zelfs in lijnrechte tegensteling met die van oom Frits. Zoals die van de buurman: „Wees dankbaar dat je in deze tijd een baan gekregen hebt. Je bent bevoorrecht Roel. Je komt nu echt in de maatschappij. Sta vast jongen. Christen-zijn in een heidense samenleving is geen gemakkelijke opgave".
Ook echter om deze woorden voelde Roel zich driftig worden.
Buurman van Ginkel was een beste vent maar Roel hield niet van dat. soort uitdrukkingen. Hij was tenslotte geen kind meer. Dacht buurman soms dat het op de havo altijd even gemakkelijk was? Dacht hij soms dat ze daar „buiten het leven" stonden? 't Beste was om iedereen maar te laten kletsen.
Roel deed zijn best op kantoor. Hij was vast van plan om snel omhoog te klimmen op de maatschappelijke ladder. Hij had hoge toekomstidealen. Hij kreeg minder prettige karweitjes op te knap-
pen, maar ook meer verantwoordelijk werk. Al heel snel voelde hij zich ingeburgerd. Het meeste kontakt had hij met Rogier Haak, een jongen die twee jaar ouder was dan hij. Een rustige, sympathieke kerel. Roel keek er dan ook vreemd van op toen Rogier hem cp een dag vroeg of hij mee deed aan de staatsloterij. Dat had hij niet achter Rogier gezocht. Maar even later vroeg hij zichzelf af: Waarom eigenlijk niet? Er waren nog meer dingen die hem, bevreemdden. Rogier nodigde hem uit op zijn kamer. Het was er gezellig, helemaal geen vrijgezellenflat. Op tafel stcnd een fleurig zomerboeket. „Houd jij zoveel van bloemen? " vroeg Roel. Rogier lachte: „Daar zorgt Heieen altijd voor. We doen alles samen, hebben een goede taakverdeling, maar bloemen en planten zijn Heieens specialiteit". Verwonderd trok Roel de wenkbrauwen omhoog,
„Ben je, ben je dan getrouwd? " Rustig schudde Rogier zijn hoofd. „Sorry, ik dacht dat je het wist. Nee, Heieen en ik wonen samen sinds; een half jaar. He-leen woonde eerst samen met een ander, maar dat werd een flop. We werken allebei. Heieen is in de verpleging, heeft vanavond dienst". Roels enige reaktie was een béte: „O". Hij voelde zich warm worden, het prikte tot onder zijn haarwortels. Rogier scheen niets te merken, vulde nog eens aan: , , 't Is aan te bevelen". „Ja", antwoordde Roel automatisch.
Het duurde die avond lang eer hij sliep. Had hij dan zo'n verkeerde voorstelling van wat „de wereld" was? Mensen die in de wereld leefden waren in Roels ogen jongeren die zich kleedden op een nonchalante manier, die drugs gebruikten, die in dancings en bars rondhingen, die vloekten. Rogier was er het tegendeel van. Een ijverige, serieuze kerel, keurig gekleed. En toch deed Rogier mee aan de loterij, leefde hij samen met een meisje, een meise dat eerst bij een ander gewoond had. Het verwarde Roel. En die verwarring werd nog groter naarmate hij Rogier beter leerde kennen. Rogier, een mens die altijd klaar stond voor een ander. Het duurde maanden eer Roel, toch nog wat aarzelend, bekende, christelijk te zijn. Wat had hij als reaktie verwacht? Spot, tegenstand? Zeker niet het antwoord: „Dat dacht ik wel. Maar dat is toch geen bezwaar? Jij gelooft in God, ik ben humanist. Maar dat behoeft geen reden te zijn om onze vriendschap te verbreken". En kalm en zelfverzekerd, overtuigend verklaarde Rogier waarom hij humanist was. Roel luisterde onrustig, maar onbewust werd hij ingesponnen door die mooie woorden. Datgene wat hij eerst als verkeerd zag, verloor de scherpe kantjes en soms keurde hij het zelfs goed. Hij ging vergelijkingen trekken. Bijvoorbeeld tussen Rogier en Heieen en zijn broer en schoonzus. Broer Hank zat z'n hele leven „vast" aan Ans, een meestal klagende vrouw. Als Hank en Ans eerst eens een poos samen gewoond hadden, zouden ze dan toch getrouwd zijn? Roel betwijfelde het. En daarom, samen wonen was nog niet zo'n slecht idee. Elkaar leren kennen in alle opzichten eer je je wettelijk aan elkaar verbond. Roel kende heel goed de bijbelse gedachte over het huwelijk, maar dat schoof hij ver van zich af. Veel dingen gingen wankelen. Waren zijn principes dan gegrond op zand? Trouw bleef hij de kerkdiensten bezoeken en de jeugdvereniging, maar het liet hem zo leeg. Op de duur betrapte hij zich erop dat hij wel lichamelijk aanwezig was, maar alles bekeek als een buitenstaander. Er waren andere zaken d'ie zijn aandacht in beslag namen. De loterij zelfs zo erg, dat Rogier hem op een dag wat spottend, maar toch met een ondertoon van ernst vermaande: „Roel, wordt geen slaaf van de loterij!" Hij schokschouderde nonchalant en werd kribbig toen die dag meerderen het op hem gemunt schenen te hebben. De buurman bijvoorbeeld, die belangstellend vroeg naar zijn ervaringen op kantoor en die tenslotte vroeg: „Zijn er onder je kollega's nog mensen, die naar de kerk gaan? " Roel viel uit, gedachtig aan buurmans woorden van enkele maanden tevoren: „Nee, ik ben daar alleen in een heidense boel". Hij draaide buurman de rug toe en liep weg.
Thuisgekomen liet hij zich in een stoel vallen. Keek de kamer rond. 't Was er netjes, maar zo gewóón. Zouden vader en moeder hier nu tevreden zijn? peinsde hij. Zijn verlangens gingen verder. Een mooi, groot huis, luxe ingericht. Hij zou keihard werken om z'n positie te verbeteren en misschien zou de loterij hem financieel gunstig zijn. Zijn blik gleed langs de wanden en bleef rusten op een geborduurd schilderijtje, de tien geboden in dichtvorm. Dient geen goden nevens MIJ. En plotseling voelde hij een klik, een klik als van een schakel die de ring kompleet maakte. Christen-zijn in een heidense samenleving is geen gemakkelijke opgave en zijn antwoord vandaag aan de buurman: „Alleen in een heidense boel". Alleen? Hij stond er middenin, was er deelgenoot van! Voelde en dacht vaak al als de onkerkelijken. En nu die waarschuwing — Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen. Wie waren „die"? Klaar en
duidelijk wist hij dat hij wél andere goden diende, dat hij hun slaaf was. De god van de loterij, de god van het geld en zo kon het rijtje verder aangevuld worden. Alleen God dienen? Christen-zijn in een heidense samenleving?
De volgende dag werd' hij bij de chef geroepen. Deze betuigde zijn tevredenheid over Roels werkprestaties. Tevens werd hem een voorstel gedaan. In verband met een grote buitenlandse order zou het bedrijf enkele maanden full time moeten draaien. Hierbij werden ook de zaterdagen en zondagen ingeschakeld. Twee leden van het administratieve personeel zouden om de andere week ook de weekenddiensten mee moeten draaien. De chef had aan Roel gedacht, 't Zou hem een behoorlijk financieel extraatje opleveren. Even werd er een felle strijd gestreden in het hart van Roed. Toen zei hij, uitererlijk rustig, maar toch met een wat bevende stem: „Ik stel het bijzonder op prijs, dat u mij daarvoor uitgezocht heb, maar om principiële redenen moet ik uw aanbod afslaan. De zondagen zijn gereserveerd voor de kerkdiensten". Leek het maar zo, dat Roel een wat geringschattend lachje opmerkte? Het dreunde in zijn hoofd: Waarom heb ik geen ja gezegd? Maar tevens: Dient geen andere goden nevens Mij. En: Christen-zijn in een heidense samenleving. Het onderhoud was snel afgelopen.
Later hield Rogier hem aan. „Wat hoor ik? Heb jij geweigerd weekenddiensten te draaien? Hoe kwam je zo dom? Weet je dat je daarmee je promotiekansen verspeelt? "
Roel knikte: „Ja, dom hé. Maar toch weet ik dat het goed is". Rogier keek hem opmerkzaam aan, maar vroeg niet verder. In Roels hart kwam het verlangen om een openhartig gesprek te hebben met zijn ouders. En daarna... met Rogier. Nu voelde hij zich daar nog niet bekwaam toe. Maar als een zucht kwam de bede: „Heere, help me!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1980
Daniel | 28 Pagina's