JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE AFGODEN DIENEN OF..

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE AFGODEN DIENEN OF..

8 minuten leestijd

Langzaam rolt de wagen, getrokken door twee fraaie paarden, het dorp binnen. Naast de wagen rijden Gotische ruiters, gev/apend met speer en boog en pijlen. Het zijn ruwe soldaten.

Op de wagen staat een houten beeld, dat een man voorstelt: een afgodsbeeld.

Wat willen die ruiters met die wagen en dat afgodsbeeld?

Kijk, de wagen rolt tussen de armelijke hutten van het dorp door.

Nu komen ze voor de hut van Sabas, de wagenmaker. Hier blijven ze staan.

„Nu zullen we eens kijken, wat zijn God voor hem doet, " zeggen de soldaten en ze dringen de hut binnen ....

Even later komen ze met Sabas naar buiten.

„Kniel voor onze god!" gebied ze. , , Als je 't niet doet, dan steken we je dood." Dreigend zwaaien ze met hun speren.

Even is er angst in Sabas. Geen wonder! Hij weet, wat dit betekent. Hij heeft gehoord dat in andere dorpen christenen in hun woningen verbrand zijn, omdat ze weigerden de afgod op de wagen te aanbidden. Hij heeft gehoord, dat in een dorp dat bijna geheel uit christenen bestond, honderden mannen en vrouwen, moeders met hun kinderen op de arm naar de kerk vluchtten en daar allen wreed vermoord werden door de ruv/e ruiters.

Nu is hij aan de beurt. Is het wonder, dat hij even aarzelt! Ze kennen immers geen genade, de ruwe, heidense Goten.

Sabas' aarzeling duurt niet lang. Nee, hij knielt niet. Fier rechtop staat hij en zegt: „Ik zal niet knielen voor jullie afgod. Ik kniel slechts, voor de Heere van hemel en aarde, voor de Heere Jezus Christus."

„Jullie, christenen, maakt zwakke vrouv/en van ons, " schreeuwt de .aanvoerder der ruiters. „Jullie maakt, dat we niet meer kunnen jagen en vechten en drinken. Als jullie de baas worden, dan worden wij allemaal slaven van, onze vijanden. En daarom dood aan jullie, allemaal!"

De soldaten, schreeuwen hun aanvoerder na.

„Grijpt hem, mannen, " beveelt deze. „Bindt zijn handen en voeten en bindt hem aan de wagen vast, We zullen zien, of zijn God hem redt!"

Sabas wordt aan handen en voeten gebonden.

De hoofdman loopt de hut binnen en komt terug met een wagenrad, dat Sabas pas gemaakt heeft. Hij legt het rad op de wagen.

De soldaten hebben Sabas intussen aan de wagen vastgebonden. De wagen gaat rijden en Sabas moet mee. Lopen kan hij niet. Hij wordt meegesleurd over de ruwe weg en door struiken met scherpe dorens. De kleren worden van. zijn lijf gescheurd; de dorens striemen en schrijnen en steken hem, O, het doet ontzettend pijn.

Zo gaat het naar de rivier, de Donau,

Daar aangekomen wordt Sabas door de soldaten op het rad vastgebonden. Hij klaagt niet, , hij kreunt niet van pijn. 't Is vreemd, maar er is een blijde glans op zijn gezicht.

Hij is blij, Sabas, alsof hij naar een feest gaat. De hoofdman ziet het.

Hij is van plan om Sabas aan het rad gebonden in de rivier te laten werpen; dan zal hij verdrinken. Maar hij aarzelt ....

Sabas ziet die aarzeling. In hem is geen vrees meer.

„Waarom doe je niet, wat je bevolen is, " zegt hij. „Ik zie voor mij, wat jullie niet kunt zien. Hier bij mij zijn engelen, die mij naar de hemel zullen brengen." De aarzeling der soldaten is voorbij. „Smijt hem in de rivier, " beveelt de hoofdman.

Het rad met Sabas eraan gebonden, rolt langs de helling naar beneden. Hoog spat het water op, als het rad in de rivier komt. De stroom grijpt het en sleurt het mee van de oever. Even blijft het drijven. Dan zinkt het langzaam weg .... Sabas, Gods knecht, is niet meer. Zijn ziel wordt door Gods engelen gedragen naar de woning in de gouden stad met paarlen poorten hierboven . . Sabas ... en met hem honderden christenen, worden door de heidense Goten gedood, verbrand, verdronken.

En toch . . . de komst van Christus onder de heidense Goten, die ten noorden van de Donau wonen, is niet tegen te houden.

Waar Jezus komen wil, daar komt Hij. En . . . wonderlijk is dat: de Goten zelf werken mee aan Zijn komst. Ze zijn niet tevreden met het gebied dat ze bewonen, het tegenwoordige Zuid-Rusland en Hongarije.

Rovend en plunderend trekken ze naar het zuiden, tot in Klein-Azië. En daar . . . wonen christenen. Ze voeren hen mee als slaven. En onder die slaven bevindt zich een kleine jongen, die later als man de apostel der Goten genoemd zal worden en die, als hij op zeventigjarige leeftijd sterft het nog gezien heeft, dat de Goten christenen geworden zijn. Deze man heet Wulfila.

Als hij geroofd wordt door de Goten is hij nog zo jong, dat hij zijn vaderland nauwelijks kent. Hij groeit op met de jongens van de stam. Hij vecht met hen en is een moedig vechter. Hij geeft de strijd nooit op. Hij gaat met hen op jacht. Hij jaagt met hen achter everzwijnen en beren in de diepe, donkere wouden. En hij is onvermoeibaar. Hij rust niet voor hij het wild gedood heeft. En in de lange koude winter zit hij met hen aan het vuur. Hij luistert naar de verhalen van hun helden, naar de verhalen van krijgstochten in verre vreemde landen; hij luistert naar hun heldenzangen, waarin zij de grote daden van hun moedige makkers bezingen.

Hij wordt een Goot net als de andere Goten, Wulfila, de wolf, want dat betekent zijn naam. Hij spreekt hun taal; hij werpt de speer als zij en de pijl die van zijn boog snort, treft zijn doel . . .

En toch is hij anders dan de andere Goten. Hij wil meer dan zij. Hij wil leren, Wulfila wil lezen leren en hij leert het. Hij leert Grieks en Latijn. En nu kan hij ook de Bijbel lezen. Zijn ouders hebben hem leren bidden. Nu kan hij zelf lezen in het grote Boek van God. Hij wordt een christen, Wulfila. In deze tijd, hij is dan ongeveer vijfentwintig jaar, wordt hij ook vrij. Hij is dan geen slaaf meer.

In deze tijd groeit in hem het verlangen om zendeling te worden. Hij trekt door het land der Goten; hij trekt door de dichte bossen, waar de beren en wolven hun holen hebben; hij is niet bang, Wulfila. Hij heeft geleerd tegen beren en wolven te vechten. Hij bezoekt de dorpen der Goten en getuigt van zijn Heiland.

Meer dan eens is hij in levensgevaar. Hij verdraagt honger en kou. Maar Jezus is bij hem en redt hem uit alle gevaren. Verscheidene stammen der Goten luisteren naar zijn woorden. Hij spreekt hun taal, hij kent hun strijd. Hij sticht kerkjes in de dorpen der Goten. Hij sticht zelfs een school, waarin hij jonge Goten opleidt tot zendeling,

't Gaat prachtig. Wulfila ontmoet weinig tegenstand bij de Goten.

Totdat er een geweldige vervolging losbreekt tegen de christenen. Een vervolging, waarin velen de marteldood sterven: mannen, vrouwen en kinderen. Ook Sabas, de wagenmaker.

Jaren d'uurt deze vervolging en het lijkt wel of al het zendingswerk van Wulfila en zijn volgelingen vernietigd zal worden. Maar dit laat de Heere niet toe.

Want van het oosten komen ze, de Hunnen, de kleine, taaie kerels op de snelle paarden; de Hunnen met hun boog en pijlen, de Hunnen met de zware bijlen, de Hunnen met hun lange speren. Zij zijn nog nooit verslagen. Zij dringen op en de ene stam der Goten na de andere wordt door hen vernietigd. Niemand kan hen en hun aanvoerder Attila verslaan.

Een groot gedeelte der Goten trekt over de Donau. Ze komen in het rijk der Ro-

meinen, dat reeds een christelijk rijk is. En met hen gaat Wulfila. Hier is geen vervolging. Hier zijn kerken, hier zijn veel christenen. En hier wordt het voor Wulfila gemakkelijker om zendeling te zijn onder zijn Goten.

Hier gaat Wulfila iets doen, dat voor de zending onder de Goten zeer grote en zegenrijke gevolgen gehad heeft.

De Goten kunnen nog niet lezen of schrijven. Ze hebben niet eens een alfabet. Wulfila maakt een alfabet voor hen en in dit alfabet vertaalt hij de Bijbel. Nu kunnen zijn Goten het alfabet leren en dan kunnen ze Gods Woord lezen in hun eigen taal.

Dat is de grootste schat, die Wulfila aan zijn Goten gegeven heeft. Wie zal zeggen hoeveel Goten door deze papieren zendeling tot Jezus gekomen zijn? !

Van nu aan is de zending onder de Goten zeer voorspoedig. Vele stamhoofden laten zich dopen. En als het stamhoofd christelijk wordt, dan worden met hem alle leden van de stam christen.

Zo voltrekt zich het wonder der zending onder de Goten.

God gebruikte de woeste Hunnen, voor wie heel West-Europa sidderde, en die pas in het hart van Frankrijk verslagen werden, om de Goten spoediger tot het Christendom te brengen. Hij gebruikte ook Wulfila, de man die als kleine jongen uit Klein-Azië geroofd werd en het grote werk, dat hij deed, door zijn Woord te vertalen. Hij gebruikte ook. het bloed der martelaren, het moedig en blijmoedig getuigenis van Sabas, de wagenmaker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1980

Daniel | 28 Pagina's

DE AFGODEN DIENEN OF..

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1980

Daniel | 28 Pagina's