JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DOMINEE, MAG IK U IETS VRAGEN . . .

Bekijk het origineel

DOMINEE, MAG IK U IETS VRAGEN . . .

15 minuten leestijd

Nog niet zo lang geleden kwam in ons jeugdblad een vijftal jongeren aan het woord rond de vraag „Wat betekent de kerk voor jou? ". Kort daarna kreeg ik van een jongen uit één van onze gemeenten de reaktie: „Waarom, laten jullie alleen mensen uit de Gereformeerde Gemeenten aan het woord komen? De kerk, .dat mag je toch niet alleen op onze gemeenten betrekken? Er zijn toch meer kerken, waar men aan de Bijbel en de belijdenis vasthoudt? Waarom dan alleen over de Gereformeerde Gemeenten spreken..."

De andere kerken en wij ....

Ja, wat doe je dan met zo'n vraag? Ik moest denken aan een boekje dat een paar jaar geleden bij uitgeverij Kok is verschenen onder de titel: „Tien keer gereformeerd". In dat boekje zijn artikelen opgenomen van vooraanstaande personen uit een tiental kerken/groeperingen binnen de Gereformeerde Gezindte. Als woordvoerder van onze gemeente heeft ds. A. Vergunst gefungeerd. Toen ik dit boekje opensloeg las ik dat ds. Vergunst schreef: „De huidige verdeeldheid van de Gereformeerde Gezindte moet ik als jammerlijk voor het volksleven, als schadelijk voor de delen van deze gezindte zelf, veroordelen. Bovenal acht ik ze zonde voor God en dus onheilig en verwerpelijk te zijn." Als je dit zo leest, dan zou je bijna geneigd zijn om dé vraagsteller gelijk te geven. Wij zijn niet de enige ware kerk, dus waarom dan zo nadrukkelijk aandacht voor de Gereformeerde Gemeenten? Trouwens het kerkistische standpunt „des Heeren tempel zijn deze" is in onze gemeenten nooit gehuldigd.

Intussen zijn er gelukkig nog terreinen waarop we binnen de Gereformeerde Gezindte — in gebondenheid aan de gereformeerde beginselen — met elkear kunnen samenwerken. Dat even vooropgesteld! Als vanzelf dringt, zich. echter ook de vraag aan je op: „Kun je dan op tien verschillende manieren gereformeerd zijn? " Je weet natuurlijk wel, dat de grondslag van de kerken der Reformatie nog steeds is: het onfeilbare Woord van God en de gereformeerde belijdenisgeschriften, waarin de bijbelse leer samengevat is. Ieder die de Drie Formulieren van Enigheid aanvaardt en handhaaft is gereformeerd. Ook wij achten ons aan God en aan de reformatorische belijdenisgeschriften gebonden. En toch toch wil ik de vraag of je op tien verschillende manieren gereformeerd kunt zijn, niet zondermeer met „ja" beantwoorden. Tussen haakjes: dat heeft ds. Vergunst evenmin gedaan toen hij wees op de jammerlijke verdeeldheid in de Gereformeerde Gezindte! De vraag blijft immers; — en ook wij mogen daaraan niet voorbij gaan — hoe funktioneert Gods Woord en de gereformeerde belijdenis in de kerken en in ons persoonlijk leven? Helaas moeten we konstateren dat er ook binnen de Gereformeerde Gezindte zoveel verscheidenheid aan opvattingen is, dat van een kerkelijk samengaan geen sprake kan zijn. Soms lijkt het er zelfs op dat de kloof die ons scheidt van anderen eerder groter dan kleiner wordt. En als ik over de grenzen van ons kerkelijk leven heen kijk, dan zie ik dat er in onze dagen overal gestreefd wordt naar eenheid en samenwerking, terwijl intussen de onderlinge verwarring steeds groter wordt. Soms zoekt m, en zelfs samenwerking met mensen die zeggen zich nog wel gebonden te weten aan Schrift en belijdenis, maar in de praktijk blijkt dat men van de belijdenis (of gedeelten daarvan) niets moet weten. Dat moeten we eerlijkheidshalve ook zeggen!

Tegelijkertijd moeten we echter zeggen dat bescheidenheid ons siert in ons spreken en schrijven over anderen. Natuurlijk behoeven we niet voorbij te gaan aan de gevaren, die we terecht in andere kerken signaleren. Maar, zien we niet al te snel de splinter in het oog van de ander...? Ik wil in dit verband nog een uitspraak van ds. Vergunst doorgeven: „Het elkaar onderling zo fel bestrijden, terwijl ons volk in goddeloosheid wegzinkt, moest ons met schaamte vervullen..."

Een positieve benadering

Vandaar dat we in ons jeugdblad vooral aandacht vragen voor het eigen kerkelijk leven. Niet het zoeken van wat elders verkeerd is, maar juist het onderstrepen van wat ons binnen de Gereformeerde Gemeenten samenbindt, dient ons uitgangspunt te zijn. Helaas zijn er ook (jonge) mensen, die erg gemakkelijk negatieve uitspraken doen over bepaalde facetten van ons kerkelijk leven. Laten we daar als jongeren niet aan mee doen! Er gaat immers zo weinig van uit.

Laten we ondanks de verscheidenheid die er is binnen ons kerkelijk leven elkaar vasthouden. Wees dankbaar dat de Heere jou plaatste binnen onze gemeenten en dat v/ij nog mogen luisteren naar een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Een prediking waarin gewezen wordt op de verlorenheid van de mens buiten God, maar ook op het heil in Christus en op de noodzaak van het toepassende werk van de Heilige Geest. Over het eigen (gereformeerde) karakter van onze gemeenten zou ik nog veel kunnen schrijven, maar dat is niet de bedoeling van dit artikel. Liever laat ik enkele predikanten uit onze gemeenten aan het woord, die dit elk op een eigen wijze, vertolken.

Waarom bent U predikant in de Gereformeerde Gemeenten?

Boven dit artikel staat de vraag: „Dominee, mag ik U iets vragen? " Om ons onderwerp enigszins te begrenzen heb ik een vijftal predikanten van onze gemeenten de vraag voorgelegd: „Waarom bent U predikant in de Gereformeerde Gemeenten? " Jullie begrijpen dat het vooral gaat om het laatste gedeelte van de vraag; namelijk: in de Gereformeerde Gemeenten. Uiteraard wordt daarbij ook betrokken de bijzondere roeping die de Heere gaf, om als predikant binnen onze gemeenten werkzaam te zijn. Achtereenvolgens komen aan het woord: ds. D. Hakkenberg; ds. C. Harinck; ds. L. Blok; ds. A. Hoogerland en ds. G. A. Zijderveld.

De nood van onze gemeenten is mijn nood

Liever had ik de beantwoording aan ik weet niet welke andere broeder overgelaten. Immers op de vraag: „Waarom. bent u", moet straks een ondertekening volgen. En „wie ben ik" en „wat is mijns vaders huis", dat mijn naam hier ingevuld mocht worden? En reeds met dit schrijven wordt teveel overbodige aandacht op een mensenkind gevestigd.

Op het „waarom" mag alleen maar volgen: „daarom!" „Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid" (Jeremia 31). Hier blijft slechts verwondering over vanwege het: „Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft..." (Efeze 2).

Dat moet mij allereerst van het hart. Dan vervolgens om predikant te zijn. De roeping, de opdracht van 's Heerenwege te hebben ontvangen om prediker te zijn van Zijn Naam en grote deugden, verklaart en verheerlijkt in de dood en opstanding van de volkomen Zaligmaker Jezus Christus. De enige Naam, Die onder de hemel gegeven is, door Welke een Adamskind moet en. kan en zal zalig worden. Laat deze Parel van zo grote waarde mogen schitteren in de prediking, zodat arme, verloren zondaren de schatten der wereld verlaten, de zonde haten en Hem. ontvangen tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en volkomen verlossing, zoals Iiij van de Vader eerlijk geschonken wordt door de Heilige Geest in het hart. En ik wens zo bijzonder in het jonge hart! Dan is de blijdschap van een vriend des Bruidegoms vervuld. „Want Hij moet wassen en ik minder worden."

De Gereformeerde Gemeenten hebben de volle liefde van mijn hart. Dit is mij van kindsaf bijgebracht. In Zijn aanbiddelijke voorzienigheid legde de Heere de band der liefde met Gods volk en Zijn knechten. Onze gemeenten begeren in alle gebrek te leven uit en naar 's I-Ieeren Woord, de: belijdenis van onze vaderen en de Dordtse Kerkenordening. De nood van onze gemeenten is mijn nood, haar strijd de mijne en

haar schuld ligt in mijn leven. Evenwel zoek ik ook buiten onze kerkmuren de gemeenschap met allen die even dierbaar geloof ontvingen. Want de Kerk is Christus' enige Duive, Zijn volmaakte.

Zo blijft er over: Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid (Efeze 3).

ds. d. Hakkenberg

Hoe wordt de zondaar rechtvaardig voor God?

Op de vraag, waarom ik predikant ben, kan en mag ik antwoorden: „Omdat de Heere mij daartoe geroepen heeft."

Uw vraag is echter, waarom ik predikant ben in de Gereformeerde Gemeenten en niet in een ander kerkverband. Ik zou hierop allereerst willen antwoorden: „Vanwege Gods leiding in mijn leven." De Heere heeft mij door Zijn voorzienigheid vanuit de wereld tot de Gereformeerde Gemeente gebracht. In het begin, van wat achteraf een verontrusting van Godswege was, ben ik naar de Hervormde kerk gegaan. Maar daar ontving ik werkelijk „stenen voor brood". De medemenselijkheid werd daar in allerlei tonen bezongen, maar op de vraag: „Hoe krijgt een zondaar een genadig God? " werd niet ingegaan. Dit was de grote vraag van mijn hart, zodat ik er geen onderwijs ontving. De Heere heeft mij toen via een meisje, wat nu mijn vrouw mag zijn, in de Gereformeerde Gemeente gebracht. Vanaf de eerste kerkgang wist ik dat ik daar moest zijn. Ik ben bijzonder tot onze kerk aangetrokken geworden, omdat daar de vraag centraal stond hoe-de zondaar rechtvaardig kan zijn voor God. De beleving van het heil werd vanaf de kansel en in de gesprekken in het middelpunt gesteld.

Vooral de prediking van ds. A. F. Honkoop te Goes heeft deze band gewerkt. Toen ik mij geroepen gevoelde tot het predikambt, heb ik dan ook alleen maar aan de Gereformeerde Gemeente gedacht.

Ik denk niet dat ik na een afwijzing naar een andere kerk had durven gaan, omdat ik dan zou gevoelen een eigen weg te gaan en niet Gods weg.

Nog steeds trekt mij in de Gereformeerde Gemeenten wat mij toen trok, namelijk het centraal stellen van de vraag: „Hoe wordt de zondaar rechtvaardig voor God en de beleving van het heil in het hart."

Ik ben dankbaar dat ik in deze kerk arbeiden mag en weet mij arbeidende in Gods wijngaard. Met al de gebreken en ontwikkelingen heb ik de Gereformeerde Gemeenten hartelijk lief. Ik weet hoe ik eens hongerig: en verloren over de wereld liep en de Heere in Zijn leiding als het ware zei: „I-Iier weid Ik Mijn kudde, hier moet je zijn." Het is mijn overtuiging dat dit nog zo is.

ds. C. Harinck

Ook onze jongens en meisjes . . .

Door de redaktie van „Daniël" is mij de vraag voorgelegd: Waarom bent u predikant in de Gereformeerde Gemeenten? " Bij het nadenken over deze vraag komen er allerlei zaken voor de aandacht. Op zich is het een verwaardiging van Godswege tot het wondere ambt van predikant, te zijn geroepen. Niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron (Hebr. 5 : 4). Hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden (Rom. 10 : 15a).

Wat een geweldige verantwoordelijkheid ligt er tevens in het ambt van dienaar des Woords aangegeven. Immers dan dient hij te weten uit eigen beleving van die schrik des Heeren, die beweegt, maar ook van de liefde van Christus die dringt. En als de Heere Zelf niet door Zijn Geest gedurig bekwaamde, wie zou het volhouden,

vooral in een tijd waarin het leven hoe langer hoe gekompliceerder wordt en de zorgen en spanningen van mensen zo onvoorstelbaar groot kunnen zijn?

Wat het laatste gedeelte van de vraag betreft: „Waarom bent u predikant in de Gereformeerde Gemeenten? ", moet ik zeggen dat ik geloof dat de He ere mij in die gemeenten naar Zijn voorzienig bestel een plaats heeft gegeven. Ik ben verblijd dat de Heere mij van jongsafaan in die gemeenten, heeft doen opgroeien, waarbij de Schriftuurlijkbevindelijke prediking mocht worden gehoord. Voor die gemeenten heeft de Heere mij ook door de opvoeding liefde gegeven. Aan die gemeenten weet ik mij ook hartelijk verbonden, omdat ik geloof dat zij door God zijn samengebracht en de Heere daar Zijn voetstappen in het verleden heeft gezet en ook vandaag nog zetten wil. Dat volk, dat deze waarheid bij bevinding kennen mag, is mij lief. Het wil geenszins-zeggen dat ooit een houding zou betamen: des Heeren tempel is deze. Zelfgenoegzaamheid is de Heere een gruwel. Zeker in onze tijd dienen we in onze gemeenten de wacht waar te nemen dat het spoor, waar in het verleden onze ouden gegaan zijn, wordt vastgehouden. Daarom is het mijn begeerte dat de arbeid, om in Zijn Naam te prediken de dood in Adam en het leven in Christus rijkelijk mag worden gezegend, tot uitbreiding van Gods koninkrijk ook onder onze jongens en meisjes en tot opbouwing van Zijn volk in het allerheiligst geloof. Bij alle strijd en alle zorgen, die ook aan onze gemeenten niet voorbijgaan, is het vanuit de hartelijke verbondenheid aan onze gemeenten mijn bede voorbijgaan, is het vanuit de hartelijke verbondheid aan onze gemeenten mijn bede dat de Heere onder ons moge werken en wonen met Zijn Geest en genade.

ds. L. Blok

Alle roem is uitgesloten

Dat ik predikant ben van de Gereformeerde Gemeenten komt in de eerste plaats door de souvereine vrijmacht en genade-des. Heeren. Hij roept en zendt naar Zijn welbehagen. De Gereformeerde Gemeenten hebben altijd de liefde van mijn hart gehad. Mijn ouders en grootouders leefden daarin, ik ben er in geboren en er van jongsaf in opgevoed. Levend in de Gereformeerde Gemeenten heeft de Heere mij door Geest en Woord staande gehouden en mij de grootste der zondaren genade bewezen. Hij leerde mij trapsgewijze het leven vinden in de gezegende Plaatsbekleder, Borg en Middelaar van het verbond der genade. In die gemeenten riep de Heere mij krachtig tot het leraarsambt, wat ik dikwijls onder veel strijd en worsteling tot heden mag vervullen. Alle roem van onszelf is uitgesloten, het is alleen vrije gunst. We zijn zo afhankelijk van de werking van Gods Geest. Ik geloof dat de Heere in de Gereformeerde Gemeenten nog werkt, hoewel er ook dingen zijn die mij verontrusten.

Toch wordt de leer van vrije genade er nog verkondigd en het is mijn wens dat die verkondiging Schriftuurlijk-bevindelijk blijft.

De Gereformeerde Gemeenten zijn naar ik geloof ook een openbaring van het lichaam van Christus. Daar bedoel ik mee-dat e-r in de. gemeenten levende leden zijn. De jeugd der gemeenten beware de Heere voor afglijden van de waarheid, Hij geve te blijven bij de eenvoudigheid van Gods Woord. Hij werke bovenal Zijn genade in het hart. Uit de jeugd der gemeenten moet toch ook Gods kerk gebouwd worden, opdat bevestigd worde: „In de plaats der vaderen zullen de zonen zijn."

ds. A. Hoogerland

In liet spoor der vaderen . . .

Vanwege Gods genade en in Zijn voorzienigheid ben ik thans 26 jaar predikant in de Gereformeerde Gemeenten. Meer dan 16 jaar mocht ik de gemeente van Middelburg dienen, en nu ben ik sinds een half jaar predikant van de Gereformeerde Gemeente te Hoofddorp. Van huis uit ben ik opgegroeid in d.e Christelijk Gereformeerde Kerken. Mijn ouders waren godvrezende mensen en hun huis was een herberg voor Gods volk. Bij ons thuis kwamen Hervormden, Gereformeerden en mensen van de

Gereformeerde Gemeenten en Oud Gereformeerde Gemeenten. Dat volk sprak tezamen over de Heere en Zijn zalige dienst. De praktijk van de godzaligheid werd besproken en de gemeenschap der heiligen beoefend. Mijn ouders hebben me de liefde voor onze oudvaders bijgebracht. Nog zie ik in mijn gedachten mijn moeder leizen in „Het kinderdeel der vromen" van Lambertus Myseras. Toen wij nog kinderen waren sprak ze met ons over de dienst des Heeren en bad ze met ons tot de Heere of Hij ons wilde bekeren.

De liefde voor de oudVaders is nog versterkt in mijn studietijd door onze vriend en leermeester prof. Wisse. Onze jonge mensen wil ik opwekken om toch vooral de geschriften van onze vaderen te lezen. Het geestelijk leven schittert in deze werken. Onze studerende jeugd wil ik ook wijzen op de engelse en schotse schrijvers. Lees de werken van Boston, Owen e.a. die uitgegeven worden door „The Banner of Truth" in Londen. Ds. G. H. Kersten zei eens: „De Gereformeerde Gemeenten moeten als een man staan achter de werken van de oudvaders". Willen onze Gereformeerde Gemeenten — onder Gods zegen — toekomst hebben, dan moeten de werken van ä Brakel, Comrie en Smytegelt gelezen en bestudeerd worden. Wij hebben de Gereformeerde Gemeenten hartelijk lief. Onze gemeenten nemen slechts een bescheiden plaats in temidden van de kerken in ons land. Toch mogen we ons licht laten schijnen, vooral door de prediking van het Woord. In de prediking moeten we het spoor van onze vaderen volgen. De Gereformeerde belijdenis kan ons bewaren voor allerlei dwalingen. Op deze wijze mogen we bij onze jongeren de liefde voor de kerk kweken, al zijn er ook buiten de Gereformeerde Gemeenten kindaren Gods.

Laten de ouderen onder ons aan de jeugd vertellen hoe de Heere Zijn kinderen op verschillende wijzen trekt en leidt. Wij moeten het onze kinderen en jonge mensen vertellen. Dat deden de ouden ook! Het oude volk van God vertelde van de wegen des Heeren En dan vroegen ze ook aan de jonge mensen: „Kun jij daar ook iets van vertellen? " Wij komen daarin veel tekort. Toch kunnen we nooit genoeg spreken over de zalige dienst des Heeren.. Want wat zou het een zegen zijn als de Heere dit wilde gebruiken tot bekering van jonge mensen. Velen van Gods kinderen in vroeger tijden — en we lezen dat ook in Gods Woord — vreesden van jongsaf de Heere. Zijn deze jonge mensen er nu nog? Dat geve de Heere in onze gemeenten tot Eer van Zijn Naam.

ds. G. A. Zijderveld

Graag wil ik de predikanten die mij een bijdrage stuurden voor dit nummer hartelijk dank zeggen voor hun medewerking!

J. H. Mauritz

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1980

Daniel | 28 Pagina's

DOMINEE, MAG IK U IETS VRAGEN . . .

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1980

Daniel | 28 Pagina's