GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD
De eerste drie beden van het „Onze Vader" zijn zuiver gericht op God en Hij is er in de meest volstrekte zin van het woord het middelpunt van. Maar dan komt de vierde bede en dan lijkt het alsof wij van die geestelijke hoogte neerdalen in het gewone niveau van ons alledaags bestaan. Toch is dit niet zo. Er is een nauw verband tussen de eerste drie beden en deze vierde bede. Welk verband? Wel de Heere Jezus wil ons in de vierde bede als het ware leren: rust ons lichamelijk toe tot Uw dienst. Wij vragen dus om, ons dagelijks brood om daardoor in staat te zijn de Heere te dienen. Ten diepste gaat het ook hier om de vraag: waarvoor leven wij. Denken we alleen aan onszelf, aan eten, genietingen enz. Draait het alleen om ons eigen ik?
Door genade krijgt ons leven, echter een nieuwe zin. Dan wordt ook bidden om ons dagelijks brood, bidden om alles, wat wij nodig hebben om God te kunnen dienen. Deze bedegeeft dan ook aanleiding om na. te denken over ons dagelijks voedsel (de voedselsituatie), •ns bestedingspatroon, onze dagelijkse arbeid, onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.
Dagelijks brood
In deze bede wordt dagelijks brood begeerd. Ket gaat dus om het brood vraagstuk en wel in de ruimste zin van het woord. Het betekent alles wat we nodig hebben voor dit leven. Toch is het goed om vooral en allereerst stil te staan bij de letterlijke betekenis: ons dagelijks voedsel, onze primaire levensbehoeften. Is dat dagelijks voedsel wel zo vanzelfsprekend als velen denken?
Hoe staat het eigenlijk met de voedselsituatie in ons land en in deze wereld?
In de westerse landen kunnen we: in het algemeen spreken van een gunstige voedselsituatie vanwege de hoge opbrengsten die ontstaan door moderne teelttechnieken en ver doorgevoerde mechanisatie.
Toch is er zeker geen reden de vierde bede dan maar minder belangrijk te achten. Overduidelijk is namelijk steeds weer de invloed van klimatologische omstandigheden, Nachtvorsten, droogte, regenval kunnen het beeld per jaar drastisch wijzigen. Dit moet ons steeds weer onze grote afhankelijkheid van de Regeerder aller dingen doen beseffen.
Bovendien, is de voedselproduktie in grote delen van. de wereld bepaald nog niet rooskleurig, hoewel er de laatste jaren een aanmerkelijke verbetering is opgetreden.
De gemiddelde jaarlijkse toename van de totale voedselproduktie in de ontwikkelingslanden bedroeg in de laatste jaren ongeveer 2, 8%. Deze bleef per hoofd, van de bevolking daardoor nagenoeg gelijk. Dit is te m.eer zorg-
wekkend gezien de reeds onbevredigende uitgangssituatie. Het aantal onvoldoende of verkeerd gevoede mensen is in de ontwikkelingslanden sinds bet begin der jaren zeventig gegroeid. De wereldmarkten voor landbouwprodukten, zoals granen, suiker, oliezaden bl ij vengekenmerkt door onzekere ontwikkelingen en we moeten voortdurend op tekorten bedacht blijven.
Wereldvoedselprogramma
Op vele terreinen wordt gewerkt aan verbetering van de wereldvoedselsituatie. Er is een wereldvoedselprogramma, waarbij direkte hulp wordt verleend. Zo wordt een gedeelte van de overschotten in de zuivelindustrie door dit kanaal naar de ontwikkelingslanden gebracht. Ditzelfde geldt voor granen. De hulp is hierbij duidelijk gericht op de armste landen en bevolkingsgroepen.
Belangrijk is ook de verbetering van de voedselsituatie ter plaatse. Er kan op deze wereld genoeg voedsel worden geproduceerd voor alle mensen. De rijke landen zullen met financiële en technische hulp de ontwikkeling van de landbouw in de arme landen op grote schaal moeten steunen. Export van agrarische kennis is hierbij vooral van groot belang. Van bijzonder groot nut is een in Nederland ontwikkeld systeem van praktijk onderwijs gebleken.
Ontwrichting en gebed
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat er t.a.v. de voedselvoorziening nog veel ontwrichting is. Wat is het voedsel dat bestemd is voor alle mensen toch ongelijk verdeeld. En dan komen we terecht bij de oorzaak hiervan: wij hebben Gods schone schepping verwoest. Maar toch is ons voedsel gebleven. Wij moeten van de vragen betreffende de voedselsituatie op de hoogte zijn, opdat we ze meedragen in het gebed. Dat de Heere ook wijsheid geve het gegroeide voedsel goed te verdelen.
Zoals de vierde bede niet losgemaakt kan worden van de eerste drie beden, zo zal bij voedselhulp ook gesproken moeten worden van het Brood des levens. Bij christelijke hulpverlening zal dit samen moeten gaan. Ook zullen we, ziende op deze noden, als christen bereidheid moeten tonen tot een sobere levenswijze.
Bestedingspatroon
Wij zijn slechts rentmeesters. God wil ons in overvloed „dagelijks brood" schenken. Bij alle bestedingen zullen we ons rentmeesters moeten weten, die beseffen dat ze van hun inkomsten en uitgaven, ook van de wijze van verwerving en besteding, eens rekenschap zullen moeten geven. Het is noodzakelijk elkaar te wijzen op Johannes' oproep: „Zo wie nu het goed der wereld heeft en ziet zijn broeder gebrek hebben en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? Mijn kinderkens laat ons niet liefhebben met den woorde noch met de tong maar met de daad en waarheid."
Dit zal o.a. betekenen dat zending en ontwikkelingshulp grote belangstelling (ook financieel) zal dienen te hebben. Ook in dit opzicht heeft de kerk door catechese, voorlichting en prediking haar leden te helpen. Zij zal er ook zelf tegen moeten waken geld te verspillen.
Onze zorg en arbeid
Deze bede wijst ons ook op de roeping tot arbeid. Er moet niet alleen gebeden maar ook gewerkt worden om het dagelijks brood en dit laatste geschiedt vanwege de zonde veelal „in het zweet des aanschijns". Gods gewone weg is dat Hij eerst werk geeft en dan brood. Dus we moeten er voor werken en studeren. En we moeten er ook goed en ijverig voor werken en studeren. De arbeid is geen vloek of een noodzakelijk kwaad, zoals velen vandaag beweren, maar een zegen. Bovendien werkt de mens niet voor zichzelf maar om God en de naaste te dienen. Calvijn zegt: „dat de mens wordt opgeroepen om in zijn arbeid als instrument van Gods voorzienige zorg voor het mensdom, deel te nemen door de dienst aan de naaste te beoefenen".
De arbeid dient derhalve ook eerlijke doeleinden na te streven. Er is veel zinloze en zelfs onzinnige arbeid, die niet voorziet in wezenlijke behoeften en noden van de samenleving, maar tegen Gods bedoelingen met hen en de gehele schepping ingaat.
Wat echter te denken van hen die niet kunnen of mogen arbeiden? Hier komt ook het vraagstuk van de werkloosheid levensgroot naar voren. Er is in onze maatschappij, door allerlei oorzaken geen volledige werkgelegenheid. Het
proces van automatisering zal deze situatie waarschijnlijk niet verbeteren. Dit vraagt ook bezinning en maatregelen. Vooral ook omdat gedwongen werkloosheid en opgedrongen vrije tijd, niet alleen financiële gevolgen voor betrokkenen veroorzaken, maar ook talrijke problemen van psychische aard. Daarom is arbeid een zegen, een gave, maar ook een opgave om God en de naaste daarin te dienen.
Voldoende werkgelegenheid is derhalve een zeer groot goed. Dat zal offers vragen, van onze overheid maar ook in ons persoonlijk leven. Onze arbeid zal niet in het teken mogen staan van het najagen van begeerten, waarvan de vervulling anderen in hun gerechtvaardigde belangen en behoeften schade toebrengt. Daarom is juist nu, in deze tijd, van (jeugd)werkloosheid de bede zo aktueel: „Geef ons heden ons dagelijks brood". Laten we ook deze noden persoonlijk, maar ook als gemeente Gods, bij de Iieere brengen.
Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Deze bede spreekt over „ons". De Heere wil dat wij in deze noden voor elkaar bidden. Hier wordt opgeroepen tot de rechte christelijke solidariteit. De werkgever bidt om het dagelijks brood van de werknemer en omgekeerd. De leraar bidt voor zijn leerlingen en de scholieren voor hun leraren. Dan is er ook een bidden om het dagelijks brood van de konkurrent. En als we dit echt bidden dan gaan we er ook naar leven. Dan zal de werkgever er voor zorgen dat zijn werknemers het goed bij hem hebben. En omgekeerd. Wat zal het een goede werknemer zijn die bidt voor het brood van zijn werkgever. Hij zal alles doen om de zaak goed te laten draaien. Dan zal onze arbeid ook niet staan in het teken van klassestrijd en konkurrentie. Ja, dan gaan we bidden voor elkaar, en niet alleen in eigen land, maar ook voor mensen daarbuiten. Er zijn er nog velen die honger lijden, dan gaan we bidden of de Heere ook daar het dagelijks brood wil geven. Dan zullen we met woord en daad denken aan, bidden en offeren voor zending en ontwikkelingshulp.
Tenslotte
Deze bede begint boven alles met „geef". Dit leert ons met lege handen bij de Heere te komen. Daarin ligt de belijdenis dat wij allemaal iedere dag uit Gods hand moeten leven. Iedere dag ootmoedig vragen: „Geef ons heden ons dagelijks brood" maar ook: „dat nooit Uw zegen van ons wijk; die maakt alleen ons blij en rijk."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1980
Daniel | 28 Pagina's