CHRISTELIJKE POLITIEK -
EEN HAALBARE ZAAK?
EEN HAALBARE ZAAK?
Jongelui willen nog wel eens hun schouders ophalen als de term „christelijke politiek" valt. Soms uitdagend, maar vaak ook met een ondertoon van kritisch nadenken kun je dan allerlei opmerkingen horen. Zo in de trant van: „O ja, art. 36 bedoel je. Nou, dat is vandaag de dag toch geen haalbare kaart meer? Je wilt zeker een pleidooi voor de SGP houden? Die zijn overal tegen. Tegen zondagsontheiliging, tegen abortus, tegen verplichte inenting, tegen vul maar in, maar ondertussen zijn ze wel liberaal wat de portemonnee betreft!"
Een ander haalt zijn schouders op en meent: „In een demokratie als de onze kun je als minderheid de meerderheid niet dwingen te leven zoals jij denkt dat het moet".
Met deze weergegeven „ontboezemingen" staan we middenin de problematiek. Christelijke politiek is een aangevochten zaak geworden. Van twee kanten: de meerderheid van ons. volk, vervreemd van het christendom, wil er niets van weien en zij die er wél voor zijn, zijn hopeloos verdeeld of zien er het nut, niet meer van in.
Wat is christelijke politiek?
Christelijke politiek is niet hetzelfde als politiek van christenen. Van Agts sympatieke leus van een „ethisch reveil" blijkt in de praktijk weinig echt christelijke inhoud te hebben. Ook Aantjes' zgn. „evangelische inspiratie" biedt geen enkele waarborg, om nog maar te zwijgen van de titel van het nieuwe CDA-program „Niet bij brood alleen". Aan fraaie leuzen heb je vaak weinig. Het komt op de praktijk aan! Christelijke politiek zal zich moeten baseren op de normen die de Heere God Zelf gesteld heeft. Centraal daarin staat de Goddelijke opdracht: „Gij zult de Heere, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand". Deze opdracht kreeg het volk Israël reeds in Deut. 6 en werd door de Heere Jezus herhaald in Matth. 22. Hij noemde het daar het eerste en grote gebod en voegde er direkt aan toe: „En het tweede hieraan gelijk: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf".
Een christen-politikus zal zowel deze vertikale als deze horizontale lijn in d.e politiek gestalte moeten zien te geven. Vertikaal: opkomen voor de eer en het recht van God in het hele maatschappelijke leven, bijvoorbeeld, dat Zijn Naam in woord en geschrift niet openlijk gelasterd wordt. Horizontaal: vasthouden aan de normen van de Wet des Heeren in wetgeving en dage-
lijkse praktijk. Wie hieraan vasthoudt, handhaaft de theokratie!
Eis en werkelijkheid
De realiteit van vandaag is helaas, dat deze Goddelijke eis in de praktijk van ons staatkundig leven geen haalbare kaart blijkt te zijn. Een minderheid kan een meerderheid niet dwingen. In een ontkerstende wereld is de positie van een christen-politikus weinig benijdenswaardig, zeker als hij tot werkelijk besturen wordt geroepen zoals een burgemeester of een wethouder. Steeds zal hij gekonfronteerd worden met heilige eis en onheilige werkelijkheid. Vuile handen maken lijkt niet te vermijden. Vaak zal zijn geweten hem echter dwingen „nee" te zeggen, al weet hij dat hem dat door de meerderheid niet in dank zal worden afgenomen.
Plaatselijk komt het echter nog voor, dat er een meerderheid in een gemeenteraad is die vast wil houden aan bepaalde bijbelse normen, bijvoorbeeld wat betreft de zondagsheiliging. Zij kan dan aan een minderheid verbieden bepaalde dingen op zondag te doen. Is het nu ook plicht om dat te doen? Staat er niet in de Bijbel: „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden? "
We staan hier feitelijk voor de vraag of de overheid neutraal behoort te zijn, of dat ook de overheid gebonden is aan de Wet van God.
Aalders contra Van der Graaf
Vorig jaar reageerde dr. W. Aalders op enkele artikelen van ir. J. v. d. Graaf over Kerk en Theokratie. Van der Graaf was tot het schrijven hiervan gekomen, omdat Aalders gezegd had, dat in onze huidige, ontkerstende maatschappij de overheid (en ook een christelijk politikus) wel gedwongen was een verruiming van de abortuswet toe te staan.
Van der Graaf beriep zich op Calvijn en wilde vast blijven houden aan de theokratie, ook in een ontkerstende wereld. „Me dunkt", schreef hij, „dat, in loellce situatie dan ook, de kerk zal moeten proklameren de wil van God ten aanzien van het leven, ook het o-penbare leven. Dat hebben de profeten gedaan, al had Israël zich nog zo verslingerd, aan de afgoden. Ze hebben voluit laten gelden hoe God wilde, dat het openbare leven en het persoonlijke leven zouden worden ingericht (...) De uitkomst gaat de mens niet aan wanneer zijn plicht hem voorgetekend is".
Groen van Prinsterer
Aalders beriep zich op Groen van Prinsterer, die oorspronkelijk van meningwas dat Nederland een christelijk land was. In de schoolstrijd nam hij dan ook het standpunt in, dat er in ons land alleen christelijk onderwijs gegeven mocht worden. In 1857 werd echter een wet aangenomen die vrij baan gaf aan het openbare, neutrale onderwijs. Groen was hevig geschokt en nam ontslag als lid van de Tweede Kamer. Nederland had opgehouden een christelijk land te zijn, meende hij.
Vijf jaar later kwam Groen echter weer in het Parlement terug. Hij motiveerde die stap als volgt: „Wij leven thans feitelijk in een godsdienstloze staat. Alszodanig kent de staat geen godsdienst meer. Ik spreek dus voortaan niet meer van een christelijke staat. Maar in die godsdienstloze staat zijn christenen, en ik kom voor hen vragen de uitoefening van de vrijheid der christelijke plichtsbetrachting. Hebben thans de openbare instellingen het christelijk karakter verloren, daarnaast moet volkomen vrijheid ter ontwikkeling van individuele veerkracht voor een ieder bestaan. Daarom berust ik thans ook in de wet op het onderwijs, maar ik verlang eerlijke, nauwgezette, onpartijdige ten uitvoerlegging. De neutraliteit van de staat mag niet straks vijandschap zijn". Aalders trok hieruit de konklusie dat Groen, weliswaar onder druk van de omstandigheden, de neutrale staat aksepteerde, ja het als zijn taak zag toe te zien dat de overheid strikt neutraal zou blijven en aan christenen gelijke kansen zou geven als aan niet-christenen.
Moeten we de theokratie prijsgeven?
Wie uit het bovenstaande de konklusie trekt dat Aalders de theokratie prijsgeeft, heeft het echter mis. Hij handhaaft haar namelijk wel als kerkelijk ideaal: in de prediking moet Gods eis onverkort blijven doorklinken. Maar een ijveren „voor een theokratie als politiek stelsel, waarbij het staatkundige en maatschappelijke leven zoordt ingericht naar de tvuee tafels van de Wet, desnoods met prijsgave van de demokratie" wijst hij af.
Hij beriep zich wat dit betreft ook op Kohlbrugge. Die zag deze wet als een oordeel Gods, waarvan de hoofdschuld lag bij Gods volk zelf. Die schuld moest daarom gekend en erkend worden. Alleen Hij kon ook het oordeel wegnemen.
Aalders schreef daarom: „Voor Kohlbrugge is theokratie een geestelijke werkelijkheid, een geloofszaak, en daarom niet door kracht en geweld tot stand te brengen. Hij ziet in het politieke ijveren voor een theokratisch bestel een groot gevaar. Het is er een menselijke zaak van maken. Ware theokratie is er slechts dan, als de Heere het volk tot zich bekeert... Ware theokratie is een wondergave Gods".
'k Moet eerlijk zeggen, dat Aalders' betoog iets heeft dat me aanspreekt en dat me haast (!) overtuigt. Aan de andere kant doemt dan echter wel de levensgrote vraag op tot hoever een christen mag meewerken aan wetten en maatregelen die indruisen tegen Gods Woord en Wet. Waar ligt de grens dan?
Feitelijk is hier de vraag in het geding, of een christen-politikus kompromissen mag afsluiten. Is het zo, zoals sommigen stelden, dat er verschil is tussen het „nee" van de kerk, tegen. bijvoorbeeld abortus, en de beslissing die een politikus moet nemen bij de regeling van een bepaalde zaak in de wetgeving? Van der Graaf stelde zich deze vraag ook en antwoordde toen: „Ik heb hier grote moeite mee, maar benijd intussen de politikus niet die moet handelen, die beslissingen moet nemen. Ik zal hem ook niet veroordelen. Ik besef, dat deelname aan de politiek als reformatorische christen ook betekent het aangaan van kompromissen. Hij doet dit al als hij de eed aflegt op de neutrale grondwet".
Van der Graaf zegt dus eigenlijk geen ja, maar ook geen nee. En daar heb ik nu, eerlijk gezegd, moeite mee. Wie regeringsverantwoordelijkheid wil dragen, .moet het kompromis aanvaarden. Aalders doet dat en kiest daarom ook voor het CDA.
Wie het kompromis afwijst, komt onherroepelijk aan de kant te staan en kan slechts fungeren als „een roepende in de woestijn".
Hoe een partij als de SGP tegen deze hele problematiek aankijkt, kan in dit artikel niet behandeld worden.
Ik heb slechts wat ideeën en de daarmee verbonden problemen willen doorgeven,
'k Wil besluiten met een citaat van dr. Hoedemaker, de man die tegenover Abraham Kuyper de theokratie verdedigde.
Iiij scheef: „de eis van gehoorzaamheid is volstrekt onafhankelijk van getalsterkte
Is God de levende God?
Heeft Hij Zich bekend gemaakt? Is de overheid Zijn dienaresse? Dan gaat het in de politiek niet om onze christelijke of kerkelijke belangen, maar om Gods recht om te regeren".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1980
Daniel | 28 Pagina's