WAAR HET VUUR GEWEEST IS KOMT HET NIET MEER
ONS VERVOLGVERHAAL II
Gehilddg niet dichtbij
„Nisho, word eens wakker! Jongen, toch!"
Met een schok ontwaakt Nisho. Het is nog donker in de tent, alleen in de hoek pinkelt een lichtje.
Moeder staat over hem heengebogen. „Er is brand, gauw!" Met één sprong is hij overeind. Een felle schrik slaat door hem heen. Brand? ! Waar?
Vlakbij misschien?
Als hij buitenkomt haalt hij opgelucht adem. Niet dichtbij gelukkig. Tussen de bomen flikkert geen lichtglans en zover hij het kan bekijken aan de donkere nachthemel ook niet. De meeste Indianen zitten, gewapend met een bijl en een schop al op hun paarden en rijden naar de rand van de prairy. Binnen enkele tellen staan alle mannen en de jongens boven de twaalf jaar zwijgend over de golvende vlakte te kijken. In het oosten is de flauwe gloed van de nieuwe dag te zien, maar de westelijke hemel is veel lichter gekleurd. Daar flakkert en vlamt een enorme brand. Een kort bevel en daar stuiven ze heen, de mannen en de jongens., het gevaar tegemoet. Maar wat gaan ze nou toch beginnen, wat moet zo'n handjevol Indianen daar doen? Blussen? Dat is een onmogelijk werk. Waar moet je water vandaan halen? Ze kunnen beter vluchten, samen. met de vrouwen en de kinderen. Weg van dat grote gevaar, weg van die dreigende vuurzee, die snel naderbij lijkt te komen.
Wij hebben een sjïreekwoord
Acht a negen kilometer van het dorp laat Witte Arend afstijgen. De paarden worden onder de hoede van enkele jongens gelaten en de mannen verspreiden zich over de prairy. Eén groep haast zich naar het bos links van hen en begint de aan de rand staande bomen van hun takken te ontdoen. De dunne boompjes hakken ze eenvoudigweg om. Er wordt een brede greppel in de prairy gehakt, en met hun schoppen werpen de mannen een aarden v/al op. Na twee uren zwoegen en zweten geeft Witte Arend bevel even te rusten. Al verschillende keren heeft hij. met het oor op de grond gelegen. Ook nu springt hij over de greppel en de aarden wal heen en luistert. „Ze komen", zegt hij kort. Zijn vlugge blik overziet het werk, de greppel moet breder, de wal van zand ook, maar daar is geen tijd meer voor.
„Ze komen". Ieder weet wat hij bedoelt. Opgejaagd door de: brand stormen honderden dieren, de kleine met de grote voor de vuurzee uit. Wil Witte Arend die aanstormende muur tegenhouden door dat dijkje van zand en die smalle gleuf daarachter? Maar dat is todi onmogelijk! De duizenden hoeven van die opgejaagde dieren doet de aarde beven. Straks stormen ze alles omver. Maar hoor, een kort bevel. Zes Indianen rijden de prairy op. Ze hebben opdracht gekregen het dorre gras in brand te steken.
Waar is dat nou goed voor. Over een half uur, misschien nog wel eerder zal de laaiende gloed daar voor hen immers vanzelf de prairy in brand zetten? Als zendeling van Weelden, die ook zijn schop een ogenblik laat rusten dit bevel hoort, schrikt hij. Wat? ! De brand in dat dorre gras? Waarom? Als het opperhoofd bemerkt dat de zendeling niets van de vreemde opdracht begrijpt, ontspant zich zijn ernstig gezicht even. Terwijl hij de mannen nakijkt zegt hij: „Mijn blanke broeder moet niet schrikken. Wij hebben een spreekwoord dat zegt: Waar het vuur geweest is komt het niet meer".
Tijd om over dit woord na te denken krijgt van Weelden niet. Op vijf zes plaatsen laait het vuur al hoog op. Gretig vreet het zich een weg door het kurkdroge gras. Er komt wat wind, die nog niet goed weet naar welke kant hij zal waaien. De zes Indianen komen terug gegaloppeerd. Alle paarden worden door de jongens meegenomen vier, vijf kilometer terug. Ieder wapent zich met een stevige tak, die voorzien is van zijtakken. Gespannen wacht men af.
We winnen, we winnen
Wrijvend met hun takkenbossen weten de Indianen het vuur dat ze zelf hebben aangestoken tegen te houden. Iedere vonk die over de wal en de greppel heenspringt wordt direkt gedoofd. Bij de bosbrand staan ekstra mannen opgesteld. Ook daar vallen gloeiende vonken, die het dorre blad dat op de grond ligt doen ontvlammen, Nisho vecht, staande tussen zijn vader en de zendeling, uit alle macht. Als hij ziet hoe er tussen het aangestoken vuur en de greppel een steeds bredere zwartgeblakerde strook ontstaat, juicht het in zijn hart: We winnen, we winnen! Hoe breder de strook, hoe moeilijker het voor het vuur wordt er overheen te springen. Als er nu maar geen wind komt!
Ze komen, ze komen
Maar er komt wel wind! Hij jaagt het vuur met grote snelheid in de richting van de nu ook brandende prairy. En voor de enorme vuurzee uit rennen de dieren in doodsangst voort. Vooraan de hazen en konijnen, de hermelijntjes en de vlugge boskatten. Daarachter de grotere dieren, de herten en reeën, de zo gevreesde grizzlyberen en de machtige bisons. Voort, voort, vlugger, vlugger om niet ingehaald te worden door de loeiende muur van vuur. Die niet meer verder kunnen worden zonder pardon door de achteropstormende bende vertrapt. Wie stilstaat moet sterven. De ogen wijd open van angst, met hijgende adem zwoegen de dieren voort, zich liever doodrennend dan te worden ingehaald door die razende brand. De eerste bomen van het bos aan de westzijde van de prairy worden door het vuur besprongen. Razend snel verspreidt het zich door de toppen van de bomen. De voorste dieren hebben een lichte zwenking gemaakt en zijn de prairy opgerend. Door de plotselinge verandering van richting worden tientallen beesten, die in de flank lopen doodgedrukt. Het kleine gedeelte dat het bos inrent wordt in een ogenblik door het vuur ingehaald, Stampend en snuivend lopen nu duizenden bisons in de voorhoede. De geweldige koppen omlaag, de ogen wijd open van angst dreunen ze de vlakte op.. Dat is het geluid, dat Witte Arend hoorde. „Ze komen, ze komen". Een aanrollende vloed van kracht. Wie zal die stuiten?
Ja, dat zal hij vanavond vertellen
„Vader, we winnen!" roept Nisho als er een ogenblik soelaas is en ze even kunnen rusten. Bij gebrek aan voedsel woedt het aangestoken vuur nu tegen de wind in de andere kant op in de richting van de grote brand. De strook zwartgeblakerde aarde wordt steeds breder.
Witte Arend stuurt een deel van zijn mannen naar de bosrand om daar te assisteren. Hier kunnen ze het wel met minder mankracht af. In zijn zwartberoete gezicht blinken Nisho's ogen van blijdschap. „Ziet u wel", roept hij cle zendeling toe, „waar het vuur geweest is komt het niet meer!" Van Weelden knikt hem toe en terwijl hij een paar overspringende vonken met zijn tak uitwrijft ervaart hij plotseling de waarheid van dit spreekwoord. In verwondering staart hij naar de geblakerde prairy. Een vonk schroeit zijn baard, hij merkt het niet. Het gedreun van de stampende hoeven wordt al duidelijker, hij hoort het niet. Het zonlicht wordt onderschept door dikke wolken, hij ziet het niet. „Waar het vuur geweest is daar komt het niet meer". Ja daar zal hij vanavond van vertellen!
Gered
Met spanning wachten ie Indianen af. Het dreunen van de hoeven der in
doodsangst voortrennende dieren is niet alleen duidelijk te horen, maar ook te voelen. De grond beeft! Die beesten moeten nu toch het vuur voor hen zien! Arme dieren, waar moeten ze heen?
Achter hen en voor hen de dood! De grote bosbrand heeft nu ook de prairy bereikt. De wind wordt steeds sterker en blaast de vlammen met verdubbelde snelheid voort. De voorste dieren hebben het vuur dat hen tegemoetkomt gezien. Ze houden plotseling hun vaart in en worden op datzelfde ogenblik onder de hoeven van de achter hen rennende dieren vertrapt. Een scherpe zwenking naar rechts en de opgezweepte kudde jaagt weer voort, nu op het bos af, dat het vuur nog niet bereikt heeft, het bos aan de zuidkant van de prairy.
Geen kwartier later ontmoeten de beide vuurhaarden elkaar. Loeiend laaien de vlammen op en een regen van vurige vonken sproeit over de strook, die al verwoest en verbrand is. De mannen bij de greppel krijgen het weer druk. Zal de wind, die steeds heftiger gaat waaien het vuur nou toch nog over die verkoolde aarde blazen? Zal achter de ruggen van de Indianen dan toch nog brand ontstaan?
Maar nee, want dwars door het loeien van het vuur is een ander geluid! Het begint te regenen! Sissend vallen de reddingbrengende druppels in de laaiende vuurzee!
Waar het vuur geweest is komt het niet meer!
Het is avond geworden. Het regent niet meer. Het late zonlicht valt over het dorpje aan de rivier. Zendeling van Weelden is bijna aan het eind van de dagsluiting. Hoor, juichend klinkt zijn stem: „Daar mag je nu heen met al je zonden en schuld. Daar kan het vuur van Gods toorn je niet meer bereiken, je niet meer verteren. Want daar op Golgotha is het vuur van die toorn al geweest, en waar het vuur geweest is daar komt het niet meer!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1980
Daniel | 28 Pagina's