BONDSDAG 1980
„Tot ziens op de bondsdag". Zonder na te denken zullen velen van ons deze regel hebben gezegd of geschreven. Wellicht is daar nog bij gezegd: „Zo de Heere wil", maar vaak ook weggelaten, denk ik.
22 april j.1. werden we er weer mee gekonfronteerd hoe nodig het is om rekening te houden met de onzekerheid van het leven. Tengevolge van sterfgevallen en ziekte zijn er ook dit jaar weer velen verhinderd onze bondsdag, bij te wonen. In plaats daarvan moest men naar een begrafenis of lag men op bed, sommigen in het ziekenhuis.
„Zijn doen is enkel majesteit", zei de waarnemend voorzitter ds. Hakkenberg in dat verband in zijn gebed. Hoe juist is dit uitgedrukt. De Heere immers bestuurt' alle dingen. Ook of wij in de gelegenheid zijn een hoogtijdag, wat onze bondsdag toch ieder jaar weer is, bij te wonen. In Zijn majesteit wijst de Heere ons op de kortheid van het leven, op het feit dat we maar niet kunnen doen wat we zelf willen, opdat we meer en meer Hem, zouden nodig hebben, ook in de dagelijkse dingen van het leven, ook in het bondswerk. Vanzelfsprekend gaan onze gedachten nu ook uit naar onze voorzitter ds. Rijksen, die ons door middel van een brief wilde groeten en mocht getuigen dat de Heere hem wilde onderwijzen, verootmoedigen en vertroosten.
Opening
Precies om tien uur kondigde mevr. Crum, de presidente, aan dat niet ds. Rijksen, maar ds. Hakkenberg de leiding van de vergadering zou hebben, aangezien onze voorzitter, aan wie wij zo gewend zijn, volledig rust moet houden na een hartinfarct. Ds. Hakkenberg opende de vergadering met het laten zingen van Psalm 21 : 4 en 13, het lezen van 2 Tim. 2 : 7 - 21 en gebed.
Veel om over na te denken
De meditatie van ds. Hakkenberg, welke als uitgangspunt gekozen heeft het eerste gedeelte van het 8e vers van 2 Tim. 2: „Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgeivekt".
Paulus schreef dit aan Timotheüs als bemoediging te midden van strijden en lijden. De satan probeert altijd de kerk van haar fundament af te voeren. Timotheüs zal ook wel eens bevreesd geweest zijn als hij daar op zag. Maar toen en ook nu is het een grote en heerlijke zaak dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt. Hij heeft de schuld van de uitverkorenen betaald, hen gereinigd en vrij verklaard. En in Zijn opstanding de dood verslonden tot een eeuwige overwinning.
Laat dit onze heilige overlegging zijn: De kerk komt er door, al gaat de weg door de diepte. Hij, Die de Opstanding en het Leven is, staat boven alle problemen, zowel in het gezin als in de samenleving. Met de woorden: „Dat Zijn Geest ons leidde tot dat geopende graf!" besloot ds. Hakkenberg zijn meditatie.
Het referaat
Ds. van Haaren uit Amersfoort heeft tot ons gesproken over: Het ambt aller gelovigen, uitgaande van zondag 12 en 21 van de Iieidelberse Catechismus en art. 28 van de Ned. Geloofs Belijdenis. Enkele gedachten uit het duidelijke referaat willen we hier weergeven:
Onder gelovigen verstaan we christenen, dus zij die Christus' zalving deelachtig zijn; door het ware geloof met de Zaligmaker verenigd. Die vereniging heeft plaats in de wedergeboorte, waar de zondaar in Christus wordt ingelijfd. De wedergeborene is zich
dat niet altijd direkt bewust, maar er komt een droefheid naar God door de Heilige Geest gewerkt. En die Geest doet hen ook opwassen in Christus en doet hen leven uit Christus. Zij' worden profeet, priester en koning met Christus als haar Hoofd. Zij worden dus door wedergeboorte weer ambtsdragers; door genade wordt Gods beeld in hen hersteld en zij gaan dit steeds meer vertonen.
Ambt betekent dienst. De gelovige wordt tot dienst geroepen.
Er zijn in de kerk bijzondere ambten door God ingesteld. Dat zijn de predikanten, ouderlingen en diakenen; ook zij ontlenen hun waardigheid aan het ambt van Christus. Het ambt aller gelovigen is echter het voornaamste ambt: het bijzondere ambt is tijdelijk, het ambt aller gelovigen werd bekleed door Adam en rijkt over dood en graf. Het bijzondere ambt behoort tot het welwezen van de kerk; het ambt aller gelovigen tot het wezen van de kerk. De bijzondere ambten dienen om het ambt aller gelovigen tot meer ontplooiing te brengen.
Alle ware gelovigen behoren krachtens het ambt aller gelovigen profeet, priester en koning te zijn.
Als profeet Zijn naam belijden in het gezin maar ook naar buiten, waartoe nodig is: onderzoek, meditatie en gebed.
Als priester een levend dankoffer Hem offeren. In liefde aan de naaste denken en voor hen bidden, ook voor hen die ons geweld aandoen!
Als koning acht geven op elkaar en elkaar vermanen indien dat nodig is. En ook hiervoor is het gebed weer nodig. Een gelovige is alleen sterk in zijn zwakheid. Het dienen gaat tegen onze natuur in; wij willen heersen. Maar de Heere vraagt van ons om dienend bezig te zijn, onze gaven te gebruiken tot opbouw der broederen; als onderlinge lidmaten van het zelfde lichaam. Het ambt aller gelovigen verplicht ons tot het afscheiden van degenen die niet van de kerk zijn, maar ook ons te verenigen en bij de ware kerk te voegen. Het feit dat er erg goed geluisterd werd naar dit belangrijke referaat zegt genoeg over de mate waarin het werd gewaardeerd.
Prachtig hierop aan sloot het gedicht van mevr. F. van der Schoot-van Dam: „Liefde die de wet vervult", dat door haarzelf werd voorgedragen op eenvoudige, aangrijpende wijze. We kunnen de inhoud op de volgende wijze weergeven: Gods kerk is duur gekocht! Zij heeft een dure roeping.
De slotmeditatie van ds. Boogaard was naar aanleiding van Joh. 1 : 43a: En hij leidde hem tot Jezus".
De leidse predikant wees ons op een heel belangrijk aspekt van het ambt aller gelovigen, namelijk onze naaste tot Christus te leiden, zoals Andreas zijn broeder Simon Petrus. Nadat Andreas zelf de Zaligmaker gevonden had kon hij het niet laten om ook Petrus, die hij liefhad, naar de Heere te brengen. Het was voor Andreas een zalig werk om Simon te mogen leiden, maar ook voor Simon om geleid te worden. Ook hij verwachtte de Messias van Wie de profeten gesproken hadden.
De persoon naar Wie Andreas Simon leidde was Christus, de grote Ambtsdrager, de Gezalfde, Die gekomen is voor zondaren, Die gezegd heeft: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen."
Is er ook bij ons een zoeken, een verlangen, een uitzien en begeren naar Die grote Ambtsdrager? Of mogen wij zeggen: „Wij hebben gevonden!"
Willen wij anderen tot Christus brengen, dan is het nodig dat we Hem zelf kennen, zelf aan Zijn voeten onderwezen zijn. En dan wordt het een heilige vanzelfsheid om ook anderen tot Hem te leiden. Dan is er vrijmoedigheid, dan wordlt er niet aan gaven gedacht, maar worden ze gebruikt.
Oranje
Dat was deze keer de kleur van de programma's. En niet zonder reden, evenmin als de keuze van de bloemen op de bestuurstafel.
Zo kort voor de troonswisseling hebben we als bondsbestuur gemeend op deze 33e bondsdag ruime aandacht te moeten besteden aan het Huis van Oranje. Behalve het gebruikelijke telegram aan Koningin Juliana, is er ook een telegrafische wens gezonden aan Prinses Beatrix, waarna er twee coupletten van het Wilhelmus zijn gezongen.
Bovendien was er tijdens de middagvergadering een, door mevr. Crum-Nieuwland samengesteld programmapunt getiteld: Vrouwen uit het Huis van Oranje.
Hieraan werd meegewerkt door mevr. J. W. de Bart-Westveer, mevr. L. van der Spekvan der Spek en de organist Paul Rijksen. Er werd daarin iets verteld over Juliana van Stolberg, Louise Henriëtte, Frederika Louise Wilhelmina, Wilhelmina, Juliana en Beatrix.
Het werd met ontroering aangehoord. Ook tijdens het orgelspel werd er stil geluisterd. Tot slot werd zowel de scheidende koningin als de nieuwe vorstin staande toegebeden het 2e en 3e vers van psalm 134.
Graag herhalen we op deze „Pagina" de oproep van ds. Hakkenberg om onze koninklijke familie veel op te dragen in het gebed. Ook in dit opzicht moeten we onze schuld erkennen en onze liefdeloosheid belijden.
Er zou nog veel meer te zeggen zijn over de bondsdag, maar de ruimte laat het niet toe. We denken dan aan de vele aandachtig luisterende gezichten, aan de wijze waarop dB. Hakkenberg dit, voor hem ongewone, werk heeft mogen doen, aan de gezellige stemming tijdens de pauze, aan het gezamenlijk zingen, aan de prachtige koliekten (ƒ 12.101, 71 en ƒ 12.768, — plus ƒ 10, — voor de bijbelverspreiding), aan de extra trein vanuit Zeeland, aan de regelingskommissie, aan de vele gasten, die aan onze uitnodiging gehoor hebben gegeven, aan aan , te veel om op te noemen. We willen daarom besluiten met een paar woorden, waarmee de presidente de dag besloot:
„Bij ons is de beschaamdheid der aangezichten. Bij de Ileere onze God zijn de barmhartigheden."
Nieuwer ter Aa
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1980
Daniel | 28 Pagina's