JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

WAAR HET VUUR GEWEEST IS KOMT HET NIET MEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAAR HET VUUR GEWEEST IS KOMT HET NIET MEER

6 minuten leestijd

Als een vurige bal zakt de zon achter de lage heuvels, de toppen van de bomen in een rode gloed zettend. Aan de lucht is geen wolkje te zien. Straks zullen duizenden sterren verschijnen, ze zullen als kleine zonnen stralen aan de zwarte nachthemel. Zo stil als het de hele dag is geweest in de dierenwereld, zo levendig wordt het nu. De prairyhonden, die grote marmotten komen uit hun holen te voorschijn en kijken nieuwsgierig over de golvende vlakte. Het vlugge hermelijn, dat felle roofdier, glijdt onhoorbaar onder het dorre struikgewas uit op zoek naar een prooi. De logge grizzlybeer die de hele dag geslapen heeft verlaat zijn schuilplaats, de sluwe slang ontrolt zich en schuifelt door de dorre bladeren belust op buit. Af en toe klinkt de schorre roep van een nachtvogel. Maar waar je ook bent, op de open vlakte of in het dichte bos, overal hangt nog de hitte van een zondoordrenkte dag. Een hitte, die nu al meer dan drie maanden bos en prairy in zijn greep heeft. Al die maanden, ja zelfs nog langer heeft het ook niet geregend. Het lange prairygras is verdord, veel bomen hebben bijna al hun blad verloren en de rivier, die langs het dorpje van Witte Arend stroomt is tot een smal, modderig beekjje ingekrompen. De bewoners trekken zich het grootste gedeelte van de dag terug onder de bomen om nog een beetje verkoeling te vinden. Het gevaar van een bos-of prairybrand wordt met de dag groter en zorgvuldiger nog dan anders worden na de maaltijd de vuren gedoofd. Met angst in het hart' hebben de indianen hun rivier al smaller en moddiger zien worden. Vandaag was er zelfs geen water meer te zien en moesten de kinderen een paar kilometer stroomopwaarts om hun emmers te vullen.

„Dat geloof ik van ganser harte"

„Vader van Weelden, als u volgende: week naar Rode Panter gaat, moet u de geschiedenis van Elia en de grote droogte maar vertellen. En ook hoe er weer regen is gekomen". Het gezinnetje van Witte Arend zit, samen met de zendeling, voor de ingang van de tent. Het late licht van de ondergaande zon valt over het groepje heen. Kliuna, haar lange vlechten om haar hoofd, leunt tegen de tent. Nisho ligt op zijn buik, de kin gesteund in de handen. Moeder heeft haar naaiwerk weggelegd, het is er te donker voor nu. Ze kijkt Nisho wat verwonderd aan. Witte Arend begrijpt ook niet wat zijn zoon bedoelt.

„Waarom Nisho? " wil van Weelden weten. „Wel toen Tangehu verleden week hier was vertelde hij dat de regenmaker in hun. dorp was geweest. Die heeft gezegd dat het uw schuld was dat het al zo lang niet meer regende".

De zendeling trekt nadenkend aan zijn pijp. „Zo, zei hij dat? " zegt' hij zacht.

„Mijn blanke broeder moet zich dat niet aantrekken", komt nu de rustige stem van Nisho's vader. Van Weelden klopt zijn pijp uit en wrijft met de hak van zijn laars de as zorgvuldig diep in de grond. Eens in de maand gaat hij altijtd naar het dorp van Rode Panter om er het Evangelie te brengen. Tot nu toe vindt het echter weinig weerklank en vooral de laatste keer heeft hij een vijandige sfeer onder de bevolking' bemerkt. En nu heeft de regenmaker die vijandschap nog aangeblazen!

Langzaamaan neemt de duisternis bezit van bos en prairy. De rode gloed in het westen is gedoofd, de eerste sterren verschijnen en een smalle

maansikkel klimt langs een onzichtbare baan omhoog. Moeder staat het eerst op. „Ik ga naar bed", kondigt ze aan. Kliuna en Nisho volgen al gauw. De beide mannen blijven nog zitten, elk in hun eigen gedachten verdiept.

Voordat Witte Arend zich in zijn tent terugtrekt gaat hij nog even bij de paarden kijken. Wolf, de trouwe viervoeter loopt met hem mee. Gedachteloos strijkt het opperhoofd hem over de kop. Zacht hinnikend begroeten de meeste paarden hem. Langzaam loopt hij daarna naar de rand van de prairj'. Er is een onverklaarbare onrust in hem. O, niet om de woorden van de regenmaker. Ook niet om de vijandige stemming die er heerst in het dorp van Rode Panter, 't Is of Wolf iets voelt van die onrust. Hij jankt zacht en duwt zijn natte snuit tegen de hand van Witte Arend.

„'t Is alles zo droog. Wolf, zo gevaarlijk droog. Ik ben bang, erg bang". Zo heeft Nisho's vader nog nooit zijn gevoelens laten blijken. Dat doet immers geen enkele indiaan en zeker geen opperhoofd.

„Is mijn rode broeder bang? " klinkt plots een stem vanuit het donker. Witte Arend maakt geen beweging van schrik. Hebben zijn scherpe oren de man horen aankomen, die deze woorden spreekt?

„Mijn blanke broeder oordele zelf. Voel het gras eens? Eén vonk en het zal in enkele sekonden in een laaiende gloed ontbranden. O, gaf God maar regen!" 't Blijft even stil na deze uitroep. Wolf zit een prairyhond achterna. Het schelle gefluit van de grote marmotten, die overal op wacht staan om elk onraad te melden is over de hele vlakte te horen. De beide mannen letten er niet op, het dringt niet eens tot hen door.

„Mijn rode broeder weet toch dat de Heere uitkomst geven kan? Dat kan

Hij niet alleen, flij wil het ook. En als de nood zo hoog is dat wij het niet meer weten dan zal Hij het doen ook".

Witte Arend buigt het hoofd. Denkt hij aan die nacht nu ruim twee jaar geleden? Aan het gebed van de man, die zijn vriend, ja zijn broeder is geworden? „Ja", zegt hij, „dat geloof ik van ganser harte".

Ontroerd luistert Van Weelden naar dit getuigenis. Zijn komst naar dit vriendelijke dorpje is niet tevergeefs geweest. God heeft de prediking willen zegenen. Nog lang staan de mannen in het nachtelijk donker aan de rand van de uitgestrekte prairy. Wolf is aan hun voeten gaan liggen, de prairyhonden zijn hem te vlug af.

„Nog enkele uren, dan zal de dag weer aan de lucht verschijnen. Wat zal hij brengen? " Met deze woorden draait van Weelden zich om en loopt in de richting van het dorp. Witte Arend speurt nog één keer de vlakte over. Daar ver in het westen aan de andere kant van de prairy weet hij het grote bos. 't Is echter veel te donker om het te kunnen onderscheiden. Aan de oostelijke hemel verraadt nog geen enkel schijnsel de komst van de nieuwe dag. De maansikkel is helderder geworden en wedijvert in glans met het licht der sterren. Als Witte Arend zich eindelijk uitstrekt op zijn deken, voorzichtig om niemand wakker te maken, verschijnt er in het westen een flauw lichtschijnsel. Het beweegt, het lijkt zich af en toe wat terug te trekken achter de lage heuvelrand. Ah, 't is de gloed van de zon, die straks weer in volle hevigheid zal gaan stralen. De zon? Maar, maar dat kan toch niet? Dat rossige schijnsel daar in het westen! Dat is , . . dat moet . . . !

wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1980

Daniel | 28 Pagina's

WAAR HET VUUR GEWEEST IS KOMT HET NIET MEER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1980

Daniel | 28 Pagina's