DE AFVAL IN DE LAATSTE TIJDEN
BIJBELSTUDIE OVER 1 TIMOTHEUS 4:1-5
Afval, dwaalgeesten, leugensprekers: vs 1 en 2
„Doch de Geest zegt duidelijk..." Na het loflied op de openbaring van God in het vlees, valt een donkere schaduw. Sommigen zullen afvallen van het geloof. Dat zijn tijdgelovigen, die het Woord met blijdschap ontvangen, maar ze hebben geen wortel. Denk aan de gelijkenis van het zaad. Dat is een beproeving die de gemeente steeds, weer moet doormaken.
Want dat heeft niet alleen plaats vlak vóór de wederkomst van Christus, maar „de laatste dagen" duiden het tijdperk aan na Zijn hemelvaart tot aan Zijn wederkomst. De Heilige Geest heeft het duidelijk laten profeteren. Hij verkondigt de toekomende dingen (Joh. 16 : 13). De Heere draagt zo'n grote zorg voor Zijn Gemeente, dat Hij door Zijn dienstknechten de gemeente opmerkzaam wil maken voor de gevaren, die haar bedreigen.
Waar blijven die afvalligen? Zij begeven zich tot verleidende geesten en leringen van duivelen. Die zijn oorzaak van hun afval. Ze menen betere leraars gevonden te hebben. Maar de verleidende geesten zijn dwaalgeesten. De duivel doet God in alles na. Hij heeft leraren die hij zijn geesten ingeeft om de gemeente te verwoesten (vgl. 2 Tim. 4 : 3, 2 Petr. 2 : 1 en 4 : 3, 1 Joh. 4 : 2).
Paulus noemt de dwaalleraars: leugensprekers. Ze treden met geveinsdheid op. Ze hebben een schijn van waarheid, maar in feite loochenen ze de waarheid. Hun geweten hebben ze met een brandijzer toegeschroeid. Ze werken opzettelijk tegen de waarheid van het Evangelie in. Hun bo: ze opzet is tot afval van het geloof te brengen. Ook in onze tijd zijn er zulke verleidende geesten. Vooral ook nu geldt wat Christus zegt: Wat Ik zeg, zeg Ik u allen: waakt.
Onthouding: vs 3 - 5
De leugensprekers, die Paulus op het oog had, leerden de gelovigen dat ze zich moesten onthouden van het huwelijk en van bepaalde spijzen. Echte kinderen van God zouden zich niet bezighouden met zulke wereldse zaken als het huwelijk en goede maaltijden. Daartegen waarschuwt Paulus echter.
Het is opmerkelijk dat Paulus, die voor en na spreekt over matigheid en soberheid en tegen overdaad waarschuwt, hier niets van weten wil. Dat komt omdat er zulke verkeerde gedachten achter schuilgaan. Want deze leer is in strijd met Gods Woord, dat zegt dat alle dingen, ook de stoffelijke door God geschapen zijn.
De dwaalleraren achtten dit voor God te laag. God, D'ie geestelijk is, is huns inziens een vijand van de stoffelijke wereld. Een mens, die God wil kennen, moet daarom deze wereld ontvluchten. Hij moet zich van het kwaad bevrijden door een mijding van deze wereld. Huwelijk en maaltijden binden ons juist aan de wereld en moeten als kwaad worden uitgebannen. Ze ruilen het Evangelie in voor de wet van d.e zelfverlossing. Paulus weet echter uit ervaring, dat het een duivelse dwaling is.
Al noemt hij ten aanzien van het huwelijk de gave der onthouding goed (1 Kor. 7), nergens verbiedt hij het. Zie ook Ef. 5, waar hij waardevolle richtlijnen er voor geeft. Het huwelijk is Gods instelling, die Hem behaagt. Het is heilig.
Ook met betrekking tot het eten beroven ze de gemeente van haar vrijheid. Over deze vrijheid handelt hij in Bom, . 14 : 1 - 12. Niemand mag een ander verachten om het al of niet eten bijvoorbeeld van vlees. Ieder zal voor zichzelf aan God rekenschap geven. Hij laat ieder handelen in de vrijheid van het geloof.
Toch stelt hij de vrijheid niet centraal, maar de wijze waarop het gebeurt. Hij ziet het kwaad niet in de schepping, maar in de mens, die misbruik kan maken van al Gods werken. Alleen door het geloof kunnen we recht gebruik maken van de schepping. Zonder geloof willen we wel de gaven, maar niet de Gever. En dat is in feite: telen. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebr. 11 : 5).
Van Adam lezen we dat God hem heerschappij over de aarde gaf. Maar door de zondeval verloor hij het recht er op. Alleen door het geloof in Christus, Die de Vader gesteld heeft tot een Erfgenaam over alles, worden mensen weer erfgenamen van de wereld. Zó alleen is er niets verwerpelijks, met dankzegging genomen zijnde. De ware vrome zal zijn behoud niet vinden in onthouding, maar in het werk van Christus.
Vragen
1. Wat wordt bedoeld met: de laatste tijden? De profeten zagen Christus' eerste en tweede komst dicht bij elkaar. Wat zeggen de profeten hiervan in Jesaja 11, Joël 2 en Maleachi 4?
2. Langs welke wegen en met welke middelen kan tot afval van het geloof verleid worden?
3. Kunnen echte gelovigen hun geloof voorgoed verliezen? (Lees eens Johannes 10 : 28 en Dordtse Leerregels hoofdstuk 5 par. 3 en 6).
4. Wat betekent vers 5?
Rotterdam-Zuidwijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1980
Daniel | 26 Pagina's