RAADSELS ROND JAN-WILLEM
— DEEL III —
- DEEL III -
Jan-Willem knikt langzaam. Nu kan hij niet meer terug, beseft hij. Arie loopt naar de deur. „Zullen we er naar toe gaan? Wie gaat er mee? "
Zwijg-end haalt Jan-Willem de sleutel tevoorschijn. Als 't niet anders kan, dan moet 't maar. Trouwens, hij wüde 't toch zelf?
Nog geen minuut later gaan ze naar buiten, Arie voorop. Karei en Gerard achteraan. Op veilige afstand, denkt Arie vermaakt.
Jan-V\/'illem is helemaal leeg van binnen. De woede, die hem thuis besprongen had is langzaam weggeëbd. Automatisch bewegen zijn voeten over het natuurstenen pad. De avond is stil. Een zacht windje beroert af en toe de toppen van de bomen. In de verte hoort hij het klaaglijk geroep van eien uil.
Daar is het huisje. Het ligt eenzaam verscholen tussen .de brede sparren. De ramen zijn donker, als holle lege ogen. Jan-Willem huivert. Nu komt 't er opaan. Wat zal er binnen zijn? Laat 't niet v/aar zijn. God, bidt hij. Niet dat waar ik bang voor ben. Zo hard kunt U toch niet zijn?
Ze zijn bij de deur. Nog steeds hebben ze niets gezien. Arie probeert door een van de ramen te gluren, maar de gordijnen zijn dicht.
„Doe maar open", fluistert hij tegen Jan-Willem, die staat te schutteren met de sleutel in zijn hand. „Hier hier moet je zijn".
Jan-Willem steekt de sleutel in het slot en draait hem om. Dan doet hij de deur open.
Ze kijken in een donker halletje. Karei en Gerard staan nog buiten. In hun hart moeten ze eigenlijk niets van zulke dingen hebben.
We zijn de zaklantaarn vergeten", bedenkt Arie.
Maar Jan-Willem ze: gt: „Nee, we moeten de koninklijke weg bewandelen". Hij tast met zijn hand naast de deur en knipt het licht aan. Een kaal lampje aan het plafond verspreidt een schaars licht. Eén deur staat open. Daar is de keuken, ziet Arie. Hij ziet er zo gauw niets bijzonders. Dan blijft de andere deur dus over. Die zal dan waarschijnlijk in de kamer mtkomen.
Tóch aarzelt Jan-Willem weer. Langzaam strekt hij zijn hand uit naar de deurknop, maar Arie is hem voor. Hij doet de deur op een kier open, luistert even en zoekt met zijn hand naar de lichtknop. Een tel later baadt de kamer in 't licht. Dan laat hij een gesmoorde kreet.
„Terug!" fluistert hij. Hij wringt langs Jan-Willem heen. „Er is iemand binnen!"
Nu vluchten, denkt Jan-Willem. Nu weggaan en je nergens mee bemoeien. Maar hij weet dat hij hard moet zijn. Even kijkt hij naar buiten en ziet dat Karei en Gerard al weer aan de weg staan. Opeens wordt hij kalm. Met een zwaai gooit hij de deur open en kijkt naar binnen.
Het is zoals hij gevreesd heeft. Daar, aan de tafel, zit hij. Zijn vader
Arie weet later niet wat hem het meest beroerde, Jan-Willems inwitte gezicht met die boze, ontredderde ogen of de aanblik van die eenzame man aan de kale tafel.
Wat was hij geschrokken, toen. hij merk-
te dat er écht iemand binnen was. Hij was naar Karei en Gerard gerend. „Er is iemand binnen!" Toen had hij zich omgekeerd. Waar bleef Jan-Willem? Wat was dat nu? Jan-Willem ging naar binnen! Maar dan moest er een bekende binnen zijn.
Hij liep terug en riep: „Jan-Willem, wat is er? "
De deur stond nog open. Toen zag. hij het. Midden in de kamer stond Jan-Willem met een woedend gezicht te kijken naar de man aan de tafel. Die man was... Gerrit Eshuis, de vader van Jan-Willem. Hij lag met zijn hoofd op z'n armen te slapen. Voor hem stond een lege drankfles met een glas. Dronken was hij... en niet zo'n beetje ook.
Tenslotte had Jan-Willem schor gezegd: „Gaan jullie maar, jongens, dit, is een zaak tussen hem en mij..."
Duizend gedachten tolden door Aries hoofd. Dus daarom wilde hij niet drinken! „Sorry, hoor, Jan-Willem, " had hij stuntelig gezegd. Jan-Willem stond daar 20 treurig te kijken opeens. Mocht hij hem zo alleen laten?
't Is goed, " zei Jan-Willem moe. „Ga nu maar".
Nu zitten de jongens weer in hun eigen huisje en praten druk door elkaar. Ze kunnen het haast niet geloven. Zo'n keurige man. En dan zo stomdronken. Waarom ging hij daar in 't zomerhuisje zitten? Wist Jan-Willem het? Ze begrijpen nog lang niet alles.
Gerard pakt de jeneverfles en stopt hem diep weg in de kast. Hij ziet er een beetje ontdaan uit. 't Zit hem dwars dat hij Jan-Willem aangezet had om te drinken. „Dus daarom..." zegt hij een paar keer.
De jongens kijken af en toe naar buiten. Ze zijn onrustig. Nu zit: Jan-Willem daar alleen met die dronken man. Zou dat wel goed gaan? Of kunnen ze er tóch beter naar toe gaan?
Ze zijn nog druk aan 't beraadslagen, als de auto van meneer Hoogenboom het erf opdraait. Als ze binnenkomen, ziet mevrouw Hoogenboom direkt aan de ernstige gezichten van de jongens,
dat er iets is gebeurd. „Wat is er? " vraagt ze angstig. „Is er iets? "'
De jongens kijken elkaar aan. Kunnen ze het zeggen? En... wie zegt het? Dan begint Gerard te praten. Hij vertelt dat Jan-Willem is gekomen en dat hij zo raar deed. Even aarzelt hij, maar dan zegt hij ook dat andere, van de jonge jenever.
Arie kijkt beschaamd naar de 1 grond. Maar hij waardeert het, dat Gerard er nu recht voor uitkomt.
Meneer Hoogenboom fronst even, maar hij zegt niets. Met stijgende verbazing luistert hij naar het verhaal dat volgt. Mevrouw Hoogenboom is verslagen, , , 't Is toch niet waar", zegt ze steeds weer. „En waar is die arme jongen nu? "
„Ze zijn nog in 't zomerhuis allebei", vertelt Karei. En dan tegen zijn vader: „Toe pa, gaat ü er heen..."
Meneer Hoogenboom strijkt eens over zijn kin. Daar ziet hij wel tegen op. Maar ook zijn vrouw begint aan te dringen: „Iemand moet die mensen toch helpen..." Dan gaat hij.
Als hij weg is, doet mevrouw Hoogenboom de overgordijnen dicht. „Dat is wat sportiever tegenover Jan-Willem, vind je niet? " zegt ze. Na een poosje horen ze dat d!e wagen wordt gestart. Vader brengt hen zeker weg. Daarna duurt het noig bijna drie kwartier voor hij terug is.
Vermoeid zakt hij in een stoel neer. Als hij een kop koffie heeft gedronken, vertelt hij: Eshuis is wat je noemt een „anonieme" alkoholist. Hij kon 't niet verkroppen, dat hij nergens werk kon krijgen vanwege zijn leeftijd. Hij voelde zich afgedankt... Een bartype is hij niet en thuis kreeg hij 't niet, daar zorgden ze wel voor. Maar zo is dat met verslaafden, ze zijn slim en zoeken een uitweg. Hier in dit zomerhuisje zou niemand hem zoeken. Hier kon hij de borrels drinken die hij niet meer kon missen. Eshuis moet deskundige hulp hebben. Morgen zal ik proberen uit te vinden hoe en van wie.
„En Jan-Willem? " vraagt Arie.
„Jan-Willem heeft 't erg moeilijk. Hij schaamt zich natuurlijk vreselijk tegenover jullie, 't Spreekt wel vanzelf dat dit alles onder ons blijft hè".
„Natuurlijk. Misschien zijn wij het die ons moeten schamen", vindt Karei. „Laten we hem zo gauw mogelijk weer opzoeken, want hij blijft onze vriend". Meneer Hoogenboom knikt. Hij begrijpt dat hij geen preek hoeft af te steken, „Je mag God wel bidden, dat hij je voor zo'n verzoeking bewaren wil", zegt •hij alleen.
Dordrecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1980
Daniel | 24 Pagina's