ONZE KEUZE VOOR DE MONARCHIE
De gereformeerde belijdenis voorstaan èn republikein zijn, kan dat samengaan? In ons land vinden we toch juist in de kringen va.n de gereformeerde gezindte een oude, blijvende sympathie voor het koningshuis? Toch waren de gereformeerden in vroeger tijden — in het buitenland is dat nag zo — sterke voorstanders van de republiek. In onze eigen vaderlandse geschiedenis vinden we een sprekend bewijs dat het in ons land voorheen ook zo was. In de Gouden Eeuw droegen de lage landen immers de langademige naam: Republiek der zeven Verenigde Nederlanden.
Calvijn over de staatsvorm
Om de achtergrond van deze sympathie voor de republiek bij de oude gereformeerden te ontdekken gaan we terug naar de tijd van de Reformatie. We gaan dan bij de grote hervormer Calvijn in de leer. In zijn „Institutie of onderwijzing in de-christelijke leer" en in diverse kommentaren op bijbelboeken heeft Calvijn uitvoerig over de overheid geschreven. Hij heeft voor die overheid zoveel aandacht, omdat zij ten diepste haar ambt en gezag van God ontvangt. De burgerlijke regering. behoort tot „De uiterlijke hulpmiddelen door welke God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en in haar houdt". In zijn beschouwingen betrekt de hervormer ook de staatsvorm. Dadelijk valt op dat hij de bekende staatsvormen alle drie als mogelijk en wettig erkent.
De monarchie hoort diaarbij. Het nadeel van het koningsschap is echter dat het gemakkelijk ontaarden kan in tirannie.
Een regering van een kollege van voornamen is eveneens mogelijk. Zo'n aristokratie heeft ook zijn schaduwzijden. Hier loert het gevaar van de bevoorrechte groep, die met uitsluiting van anderen alle macht en voordeel aan zichzelf trekt en houdt: de partijregering.
Tenslotte is er de volksregering. Bij deze demokratie signaleert de hervormer als hèt gevaar de kans op oproer.
Hoewel Calvijn geen van drie staatsvormen als ongeoorloofd afwijst, heeft hij een uitgesproken voorkeur. Een regering: van voornamen, van notabelen of een mengvorm van aristokratie en demokratie is in zijn. ogen ver te verkiezen bóven het koningsschap. Alleenheerschappij is een verleidelijke zaak. En het hart van een koning is even zondig als dat van ieder mens. Het staat open voor heb-en heerszucht. „De fout of het gebrek der mensen maakt dus dat het veiliger en beter te dragen is, dat meer dan één het roer in handen heeft, opdat ze elkander helpen, leren en vermanen, opdat wanneer iemand zich meer verheft dan passend is, er meer bestraffers en meesters zijn tot het bedwingen van zijn willekeur".
Tegen het absolute koningschap
Nu gaat het niet aan om met deze uitspraken van Calvijn de monarchie zoals wij die kennen, te verwerpen. We moeten ons bij het aanhalen van een schrijver steeds afvragen: bedoelt hij hetzelfde met een woord als wij? Calvijn heeft beslist een andere vorm van de monarchie voer ogen gehad dan wij. I-lij kende uitsluitend' bet absolute koningschap. Zo'n absoluut vorst kende aan zijn volk geen enkele invloed toe. Hij bond zich ook niet aan een grondwet, die hem verplichtte de vrijheden en rechten van zijn volk te handhaven en te verdedigen. Zo'n koning, was in de volle zin van het woord alleenheerser, absoiuuut vorst. Iedereen moest buigen voor de persoonlijke wil en wens van de monarch.
Nu begrijpen we de afkeer van Calvijn van dit type koningen, die hij met de naam tiran aanduidt. Zij kennen het volk geen enkele invloed toe, laat staan vrijheid. De reformator echter acht die bestuursvorm het gelukkigst, waar een behoorlijke en gematigde vrijheid is. De vorsten moeten zich met de grootste ijver toeleggen op het handhaven van de vrijheid. In de Institutie stelt hij nalatigheid in dit opzicht gelijk met verraad en trouweloosheid. De overheid immers is er „u ten goede", zoals Romeinen 13 zegt.
De gereformeerden hebben in het spoor van Calvijn tijden lang een sterke voorkeur voor de republiek gehouden. Op bijbelse gronden wezen zij het absolute koningschap af. Naast een beroep op teksten als uit Romeinen 13, verwezen ze ook naar het oude Israël, dat een tijd lang door een regering van oudsten werd geleid'. Met een beroep op deze instelling werd de voorkeur voor een republiek, geleid door een kollege of vergadering, noig eens onderstreept.
Oranje en Nederland; zo was het begin
De verbondenheid tussen Oranje en Nederland strekt zich over vierhonderd' jaar uit. Prins Willem, van Oranje verbond zich onvoorwaardelijk met een volk in verdrukking, dat hem riep. De Spaanse landvoogd Alva was nauwelijks een jaar in ons land, toen afgezanten uit de Nederlanden in 1567 de slotbrug van de Dillenburg overgingen. Zij vroegen aan Oranje, die een groot deel van zijn bezittingen verbeurd verklaard zag bij Alva's komst, en zijn zoon Philips Willem in spaanse handen wist, om hulp, om zijn terugkeer. Oranje kwam. In 1568 trokken verschillende legers de Nederlanden binnen, die door de Prins zelf voor het grootste deel waren gefinancierd. Het tafelzilver van de Nassause familie, werd verpand!
Het samengaan van Oranje en Nederland is geen zakelijke transaktie geweest. Menselijk gezien kon Willem, van Oranje daarbij alleen maar verliezen. Wie zou er kunnen winnen van Spanje, mogendheid nummer één in Europa? Zijn optreden is alleen te verklaren uit de verkiezende en roepende God. In het leven van Willem, van Oranje is dan ook een sterk roepingshesef op te merken.
In een vertrouwelijke brief van zijn broers lezen, we: „Deze zaak en dit werk zijn niet van mensen, maar uit God; gij hebt er u niet uit uzelf in gemengd; de Almachtige heeft u geroepen, gegrepen, als het ware bij de haren gesleept; gij hebt in uw arbeid de zichtbare proeven van de hulp, de genade en de wonderdadige kracht des Heeren gehad!"
Het vaste verbond
Het is de taal van het geloof die we hier horen. Die taal klinkt! ook helder door in de bekende woorden, geschreven na d'e val van Haarlem, in 1573, toen iemand de Prins gevraagd had of er misschien niet een geheim verband was tussen hem en een machtig vorst (potentaat): „Gij schrijft ons dat u zou laten weten of wij ook met enigen groten machtigen Potentaat in vasten verbond! staan; waarop wij niet laten willen u voor antwoord te geven dat, aleer wij ooit deze taak en de beschermenis der Christenen en andere verdrukten in dezen lande aangevangen hebbende, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten alzulken vasten verbond hebben gemaakt, dat' wij geheel verzekerd! zijn dat wij, en al degenen, die daarop vastelijk betrouwen door Zijne geweldige en machtige hand ten leste nog ontzet zullen worden, spijt (niettegenstaande) al Zijne en onze vijanden; zonder dat wij middelerwijl (intussen) enige andere middelen die ons de Heer' der heirscharen toegeschikt heeft, hebben of als nog willen laten voorbijgaan".
Om „Godts Woord ende 's Lands rechten"
In de vaandels van één van Oranjes legers stond deze zinspreuk. Zelden is korter en kernachtiger de betekenis van Oranje Nassau voor Nederland onder woorden gebracht.
Om Gods Woord. De Oranjes zijn instrumenten geweest in Gods Hand, waardoor in ons vaderland het spaanse regiem werd doorbroken en de verkondiging van het zuivere Evangelie mogelijk werd, Eens schreef Prins Willem I aan Marnix van Sint-Aldegonde: „Laat men ons vertrappen, Aldegonde! Zo wij slechts hulp mogen bieden aan Gods kerk!" Dat hoge roepingsbesef licht ook op in het niet altijd even onberispelijke leven van Prins Maurits. Toen de woelingen tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten dreigden uit te monden in een nationale krisis, liet hij zich de eedsformule voorlezen, waarmee hij zijn ambt als stadhouder had aanvaard. Daarin stond dat hij zich verbond om de gereformeerde religie te handhaven. Toen heeft Maurits gezegd: „Die religie zal ik handhaven, zolang ik leef". Zijn besliste optreden tegen de regenten heeft in die krisissituatie de weg gebaand voor het bijeenroepen van de Synode van Dordrecht in 1618 - 1619.
Er zou nog veel meer ie noemen zijn. De Oranjes zijn herhaaldelijk opgetreden als beschermheren en - vrouwen van de kerk der hervorming. Dat is alleen vanuit de verkiezing Gods te verklaren. Het besef daarvan ligt ten grondslag aan de hartelijke verbondenheid met het Huis van Oranje van allen die de gereformeerde belijdenis liefhebben.
„Ende 's Lands rechten". De leden van dit Huis hebben in een tijd dat het absolutisme in Europa in zwang was, nooit naar een onbeperkte macht gestreefd. Zij volgden niet de gewoonte van hun tijd, maar stonden tegenover regenten en staten op de bres voor de rechten en vrijheden van het volk. Hadden de regenten meestal de ogen gericht op hun stad of provincie, de stadhouder kwam op voor het landsbelang, voor de generaliteit, zoals dat toen heette. De Oranjes hebben zich steeds decze reigel van Beza, volgeling van Calvijn, tot richtsnoer voor hun politiek gesteld: het volk is er niet voor de vorst, maar de vorst is er voor het volk.
Grondwettelijk koningschap
Anno 1980 hebben wij in Nederland een konstitutioneel koningschap. Dat woord konstitutioneel of grondwettelijk zegt veel. Daarmee wordt elke gedachte aan de absolute monarchie afgewezen. Met Calvijn zijn we bevreesd voor de manorch, die gemakkelijk tiran wordt. Daarom staan we niet zo maar de monarchie voor, maar het grondwettelijk koningschap. De koning legt de eed af op de grondwet. Hij is gebonden aan de rechten, plichten en vrijheden van het volk, daarin genoemd. Dat koning en regering allereerst behoren gebonden te: zijn aan de Wet des Heeren als hoogste uitgangspunt voor alle beleidszaken, is iets dat pijnlijk in de grondwet wordt gemist. Het konstitutionele koningschap echter als zodanig is een ontwikkeling, die: ligt in. calvinistische lijn. Dat koningschap is opgedragen aan het Huis va.n Oranje. Daarmee erkennen wij dankbaar de leiding van God met dit vorstenhuis in onze geschiedenis. Daarin ligt het principiële uitgangspunt van onze keuze voor de monarchie.
Republiek en monarchie vergeleken
Naast principiële zijn er ook verstandelijke overwegingen, die ons in Nederland lei-
den tot de besliste keus: een koninkrijk onder het Huis van Oranje, géén republiek met een voor vier of zeven jaar gekozen president.
In ons land, .godsdienstig en politiek één van de meest verdeelde landen van Europa, zou het voor een president bijzonder moeilijk zijn. om in korte tijd te worden tot een symbool van de eenheid van ons volk. Door de historische verbondenheid en door het feit dat de. koning in ons stelsel bóven de partijen staat., is de oranjevorst bij uitstek degene, die symbool is van de eenheid van het nederlandse volk.
Een president wordt gekozen na een felle verkiezingsstrijd. Hij is en blijft daarmee een politieke figuur. Zo'n figuur zal het moeite kasten om zich in geen enkel opzicht meer met de politieke strijd te bemoeien. Dat eist de grondwet.
Bij een koning; kan van partijgebondenheid geen sprake zijn. De vorst behoort niet bij een politieke, partij, mist politieke kleur en verleden, gaat zelfs niet stemmen. Strikte onpartijdigheid is bij de erfelijke koning vrijwel steeds aanwezig. Heeft een minister te eenzijdige partijstandpunten, dan kunnen die door de koning worden omgebogen met het oog op het algemeen belang.
De vorst is van jongsaf opgeleid voor zijn speciale taak. Een president mist' deze voorbereiding en scholing.
De koning is het blijvende deel van de regering; de ministers, wisselen elke vier jaar. Door zijn ervaring kan de koning een nieuwe minister van veel nut zijn.
Vragen
Al zijn we overtuigd van de juistheid van onze keuze voor de monarchie, toch rijzen er wel vragen. Hoe is het met de diienst des Heeren bij vorstenhuis en volk? Welke weerklank vindt de oude — juiste — doelstelling: Om Gods Woord en 's lands rechten? Zijn Gods oordelen door onze grote, toenemende nationale zonden niet dichtbij? Eén ding is zeker. Wie God verlaat-, heeft smart op smart te vrezen. Dat geldt ons allen. Wanneer én ons Oranjehuis én. ons volk God' gaat verlaten, kunnen zij samen ondergaan in de voortwenteling van de geschiedenis. Wat' Hij scheidt, kunnen wij niet samenvoegen. En wat Hij samenvoegde — Zijn kerk, Nederland' en Oranje — zullen wij niet scheiden. De moderne 1 theorieën over gezag en monarchie, die niet uitgaan van God die verkiest en roept, moeten zonder voorbehoud door ons worden afgewezen. Spekuleren en gissen over Gods 1 handelen ten aanzien van ons koninklijk huis en ons land in de toekomst betaamt; ons niet. Dreigde het; vorstenhuis een kleine eeuw geleden niet uit te sterven? Wat was er een. blijdschap toen prinses; Wilhelmina geboren werd! Nu zal over enkele dagen onze huidige, kroonprinses tot koningin Beatrix worden gekroond. De lijn van het geslacht wordt doorgetrokken. Gód maakt nog bemoeienis met het oude Oranjehuis en met ons volk. Hij doet ons niet naar onze zonden! God verkiest en roept koningin Beatrix. Merk toch op in deze tijd vol revolutionair gewoel, dat de hand des Heeren dit doet! En wij zijn gehouden om naar de Schrift onze nieuwe koningin .in het ambtelijke en persoonlijke gebed Gade te bevelen, De Koning der koningen Zelf verbinde-haar innerlijk aan het uitgangspunt van een godvrezend voorgeslacht: Om Gods Woord en 's; lands rechten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1980
Daniel | 24 Pagina's